Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/4.3.2.2
4.3.2.2 Bestaande en toekomstige geschillen (compromis en arbitraal beding)
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS505947:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Buitenlandse regelingen kennen het onderscheid eveneens: zie art. 7 lid 1 in fine Modelwet, art. 1442 respectievelijk 1447 NCPC (voor nationale arbitrage in Frankrijk) en art. 1029 lid 2 ZPO; de regeling inzake internationale arbitrage in Frankrijk kent het onderscheid niet (vgl. art. 1495 NCPC); hetzelfde geldt voor Zwitserland (vgl. art. 178 LDIP).
NOLEN, blz. 10; zie ook HR 8 januari 1925 (Frank/John Howell), NJ 1925, blz. 350.
MvT 11, TvA 1984/4A, blz. 40.
Het arbitraal beding dat is opgenomen in algemene voorwaarden die op de hoofdovereenkomst van toepassing zijn, wordt volgens de definitie van algemene voorwaarden in art. 6:231 (a) BW geacht deel uit te maken van de hoofdovereenkomst (zie 5.3.4.3 sub a).
MvA I, TvA 1986, blz. 180; de Franse regeling inzake nationale arbitrage verbindt ingrijpender gevolgen aan het onderscheid tussen het compromis en het arbitraal beding, zoals bijvoorbeeld de aanduiding van het onderwerp van het geschil alsmede de vorm ervan; genoemde eisen zijn — anders dan bij ons in art. 1024 lid 1 Rv — op straffe van nietigheid opgenomen (zie art. 1442 e.v. NCPC respectievelijk art. 1447 e.v. NCPC); de Modelwet en de Duitse wet verbinden helemaal geen consequenties aan het verschil, doch bepalen — in art. 7 lid 1 Modelwet respectievelijk art. 1029 lid 2 ZPO — slechts dat de overeenkomst tot arbitrage een compromis of een arbitraal beding kan zijn; opmerking verdient ten slotte dat het compromis ooit de enige rechtsgeldige vorm van de overeenkomst tot arbitrage was (dit ook als voordien al een arbitraal beding tussen hen was totstandgekomen); in een beperkt aantal landen is dit overigens nog zo (zie REDFERN & HUNTER, 1.50-1.51, 1.61-1.63 en 2.04, noot 6).
Zie P. SANDERS in zijn noot bij Rb. Zwolle 18 oktober 1995, TvA 1996, blz. 109 (i.h.b. blz. 110, rk).
MvA I, Kamerstukken I, 1985/86, 18 464, no. 191b, blz. 3.
Vgl. bijvoorbeeld art. 6 leden 1 en 2 NAI Reglement, art. 8 lid 2 RAB en art. 14 lid 6 RAB.
Vgl. SANDERS (diss.), blz. 86 en NOLEN, blz. 12-13 (met referte aan Hof Amsterdam 25 oktober 1939, NJ 1940, 435); anders nog HEEMSKERK (diss.), blz. 75 met betrekking tot de eis in reconventie.
Zie ook P. SANDERS in zijn noot bij Rb. Dordrecht 30 mei 1990, TvA 1991, blz. 72 (i.h.b. blz. 72, lk); idem RAMNH 6 april 1995, TvA 1996, no. 11 dat zich bevoegd acht kennis te nemen van de in het inleidend rekest opgenomen vordering tot betaling van een hoger bedrag dan in het compromis was opgenomen.
Zie RAB 15 november 1994, BR 1995, blz. 1019 (het bepaalde in art. 111 lid 2 (d) Rv [destijds art. 5 lid 1 sub 3 Rv] is in arbitrage niet van toepassing; wel moet voldoende duidelijk zijn wat aan arbitrage wordt onderworpen).
Zo valt mogelijk ook af te leiden uit de noot van P. SANDERS bij Rb. Dordrecht 30 mei 1990, TvA 1991, blz. 72.
Het is alsdan niet onbelangrijk dat partijen de vordering(en) genoegzaam opnemen; ofschoon een partij in een later stadium van het geding de ingestelde eis kan wijzigen, is het uiteindelijk aan het scheidsgerecht de eiswijziging al dan niet toe te staan als de wederpartij zich tegen de eiswijziging verzet (zie bijvoorbeeld art. 34 lid 2 NAI Reglement).
Volgens HEEMSKERK (diss.), blz. 75 moest de akte van compromis een aanduiding van de tegenvordering behelzen; NOLEN, blz. 12 en 68-69 verdedigde met betrekking tot art. 623 lid 2 (oud) Rv dat uit het compromis moest blijken dat de verweerder meende een tegenvordering te kunnen instellen of dat de omschrijving van de geschilpunten in het compromis een tegenvordering van de verweerder moest openlaten, terwijl SANDERS (diss.), blz. 71 slechts verlangde dat de tegenvorde ring onder de omschrijving van de geschilpunten (i.e. 'de onderwerpen van het geschil' als bedoeld in art. 623 lid 2 (oud) Rv) viel.
NOLEN, blz. 69: 'Hun [i. e. de arbiters'] verkregen opdracht omvat echter niet mede de tegenvordering van de gedaagde (...).' [tekst toegevoegd]; vgl. in dezelfde zin HEEMSKERK (diss.), blz. 75.
Vgl. idem art. 1038C van de Voorstellen tot wijziging van het Vierde Boek (Arbitrage), TvA 2005/Special, blz. 85 en Toelichting op voorstel tot wijziging van de Arbitragewet, TvA 2005/Special, blz. 142.
Anders dan bijvoorbeeld in Frankrijk voor nationale arbitrages waarin genoemde eis op straffe van nietigheid van het compromis is opgenomen (art. 1448 al. 1 NCPC).
Burg. Rv. (SNUDERS), art. 1024, aant. 1.
MvA I, Kamerstukken I, 1985/86, 18 464, no. 191b, blz. 3.
De Zwitserse wet inzake internationale arbitrage kent geen onderscheid tussen het compromis en het arbitraal beding; International Handbook Comm. Arb. (BRINER), Switzerland, II, 1 (a) noemt het onderscheid 'somewhat arbitrary'; ook volgens het 'tegenvoorstel' tot wijziging van art. 7 Modelwet moet het onderscheid tussen het 'compromis' en het 'arbitraal beding' eveneens komen te vervallen: '(...). The distinction between 'arbitration clause' and 'arbitration agreement' is no longer relevant.' (A/CN.9/WG.II/WP.137, III A, blz. 4) (zie ook 8.4.5.3 sub b); dit voorstel is als één van de twee officiële alternatieven voor de modelbepaling inzake de overeenkomst tot arbitrage aangenomen (Report of United Nations Commission on international Trade Law on the work of its thirty-ninth session, New York 19 juni-7 juli 2006, A/61/17 (Annex I), blz. 57).
De overeenkomst tot arbitrage wordt onderscheiden in het zogenaamde compromis en het arbitraal beding.1
Bij compromis verbinden partijen zich om een tussen hen bestaand geschil aan arbitrage te onderwerpen (art. 1020 lid 2 Rv). Het compromis werd volgens de oude wettelijke regeling inzake arbitrage met akte van compromis aangeduid (art. 623 (oud) Rv).
Bij arbitraal beding verbinden partijen zich om toekomstige geschillen (geschillen die tussen hen zouden kunnen ontstaan) aan arbitrage te onderwerpen (art. 1020 lid 2 Rv). Het arbitraal beding wordt ook wel aangeduid met pactum de compromittendo.2Het arbitraal beding kan ook voorkomen in de partijen bindende statuten of reglementen (art. 1020 lid 5 Rv). Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een beding in de statuten of het reglement van een vereniging dat bepaalt dat alle geschillen tussen de leden onderling of tussen de leden van de vereniging en de vereniging aan arbitrage zullen worden onderworpen.
De benaming (compromis of arbitraal beding) is mijns inziens niet beslissend, al zal het bij de uitleg wel een rol kunnen spelen. Als partijen hun overeenkomst het opschrift "compromis" geven, doch daarin duidelijk toekomstige geschillen aan arbitrage onderwerpen, zal dit voor de vraag of wij met een geldig arbitraal beding van doen hebben in beginsel niet uitmaken (en vice versa).
Het onderscheid tussen het arbitraal beding en het compromis heeft volgens de vorenstaande definitie geen betrekking op het onderscheid tussen de arbitrageovereenkomst die als beding deel uitmaakt van een (hoofd)overeenkomst enerzijds en de separate arbitrageovereenkomst die geen deel uitmaakt van een (hoofd)overeenkomst anderzijds.
Anders — mijns inziens ten onrechte — de toelichting op art. 1053 Rv. Art. 1053 Rv bepaalt dat het scheidsgerecht bevoegd is te oordelen over de rechtsgeldigheid van de hoofdovereenkomst waarvan de overeenkomst tot arbitrage deel uitmaakt of waarop zij betrekking heeft.
Volgens de toelichting ziet "de hoofdovereenkomst waarvan de overeenkomst tot arbitrage deel uitmaakt" op het arbitraal beding en ziet "de hoofdovereenkomst (...) waarop de overeenkomst tot arbitrage betrekking heeft" op het compromis.3 Een arbitraal beding maakt volgens de definitie ervan niet noodzakelijkerwijs deel uit van de hoofdovereenkomst.
De arbitrageovereenkomst die in een afzonderlijk geschrift (niet zijnde algemene voorwaarden) wordt opgenomen en feitelijk géén deel uitmaakt van de hoofdovereenkomst, doch wél betrekking heeft op toekomstige geschillen uit de hoofdovereenkomst, is volgens art. 1020 lid 1 Rv een arbitraal beding en geen compromis. Hierbij is te denken aan de separaat gesloten arbitrageovereenkomst volgend op de totstandkoming van de hoofdovereenkomst, doch voordat daaruit geschillen zijn ontstaan.
In de praktijk zal het arbitraal beding nauwelijks afzonderlijk voorkomen als zojuist geschetst, doch zal het zijn opgenomen in de hoofdovereenkomst zelf of in algemene voorwaarden die van toepassing zijn.4
Volgens de Modelwet ziet het verschil tussen het arbitraal beding (arbitration clause) enerzijds en de overeenkomst tot arbitrage die niet een arbitraal beding vormt anderzijds (submission agreement) wél op het onderscheid tussen de overeenkomst tot arbitrage die wel en die niet deel uitmaakt van de hoofdovereenkomst.
Art. 7 lid 1 van de Modelwet bepaalt dienaangaande: "An arbitration agreement may be in the foren of an arbitration clause in a contract or in the foren of a separate agreement." [cursivering toegevoegd] Als het arbitraal beding niet in de hoofdovereenkomst (contract) zelf is opgenomen, doch in algemene voorwaarden wordt het soms toch geacht deel uit te maken van de hoofdovereenkomst. Art. 7 lid 2 Modelwet bepaalt dienaangaande: "(...). The reference in a contract to a document containing an arbitration clause constitutes an arbitration agreement provided that the contract is in writing and the reference is such as to make that clause part of the contract." (zie 8.3.5.3).
Het onderscheid tussen het compromis en het arbitraal beding heeft volgens art. 1020 lid 2 Rv strikt genomen slechts betrekking op geschillen die tussen partijen bestaan dan wel zouden kunnen ontstaan en kennelijk niet op de zaken die ingevolge art. 1020 lid 4 (a)-(c) Rv aan arbitrage kunnen worden onderworpen. Zulks neemt niet weg dat partijen zowel bestaande als toekomstige zaken zoals bedoeld in art. 1020 lid 4 Rv aan arbitrage kunnen onderwerpen (zie 4.4).
Volgens Nederlands recht heeft het onderscheid tussen het compromis en het arbitraal beding nagenoeg geen rechtsgevolgen.5 Zo geldt de eis van geschrift als bedoeld in art. 1021 Rv zowel voor het compromis (waarbij partijen een bestaand geschil aan arbitrage onderwerpen) als voor het arbitraal beding (waarbij partijen een toekomstig geschil aan arbitrage onderwerpen) (zie voor beide vormen 4.3.2.2).6 In de kamerstukken lezen wij:
’(...) moge de ondergetekende opmerken dat het onderscheid tussen de akte van compromis en het arbitraal beding in het gewijzigd wetsvoorstel is komen te vervallen; beide soorten overeenkomsten vallen onder de noemer «arbitrage-overeenkomst» en dienen beide te voldoen aan de vereisten, vervat in de artikelen 1020 en 1021. In deze artikelen worden geen aparte vereisten aan de akte van compromis gesteld. Het enige afzonderlijke vereiste dat voor de akte van compromis geldt, is dat het een «aanduiding van hetgeen de partijen aan arbitrage wensen te onderwerpen» dient te bevatten (artikel 1024, eerste lid). Dit afzonderlijke vereiste is een gevolg van de omstandigheden waaronder de akte van compromis tot stand komt: zij wordt afgesloten nadat het geschil is gerezen. Het verschil in omstandigheden van totstandkoming tussen de akte van compromis en het arbitraal beding komt ook tot uiting in de onderscheiden behandeling van deze twee soorten arbitrage-overeenkomsten voor wat betreft het aanhangig maken van de arbitrage (zie de artikelen 1024 en 1025). Voor het overige bestaat er, zoals gezegd, ingevolge het gewijzigd wetsvoorstel geen enkel verschil tussen beide soorten overeenkomsten."7
Op de zojuist aangehaalde verschillen in rechtsgevolgen, (i) de wijze waarop een arbitraal geding aanhangig wordt gemaakt en (h) de inhoud van het compromis respectievelijk het arbitraal beding, zal ik thans kort ingaan.
(i) Met het sluiten van een compromis is de zaak direct aanhangig (art. 1024 lid 2 Rv). Betreft het een arbitraal beding, dan is de zaak aanhangig op de dag van ontvangst van een schriftelijke mededeling, waarbij een partij aan de wederpartij bericht tot arbitrage over te gaan (art. 1025 lid 1 Rv). Zowel bij het compromis als bij het arbitraal beding kunnen partijen overeenkomen dat de zaak op andere wijze wordt aanhangig gemaakt (art. 1024 lid 2 Rv resp. art. 1025 lid 3 Rv). Zulks gebeurt niet zelden in de praktijk, met name in een arbitragereglement waarnaar de arbitrageovereenkomst verwijst en dat alsdan geacht wordt deel uit te maken van de overeenkomst tot arbitrage (art. 1020 lid 6 Rv).8
(h) Het compromis moet een aanduiding bevatten van hetgeen partijen aan arbitrage willen onderwerpen (art. 1024 lid 1 Rv). Voor het arbitraal beding zal dit vooraf niet mogelijk zijn en daarom wordt deze eis ook niet gesteld. Wel moet de mededeling aan de wederpartij, waarmee het arbitraal geding aanhangig wordt gemaakt, zo'n aanduiding bevatten, tenzij partijen anders zijn overeengekomen (art. 1025 lid 1 en 3 Rv).
Aan de eis van aanduiding van hetgeen partijen aan arbitrage willen onderwerpen als bedoeld art. 1024 lid 1 Rv voor het compromis is kennelijk niet voldaan als partijen in het algemeen aangeven dat zij geschillen voortvloeiende uit een met name genoemde rechtsbetrekking aan arbitrage willen onderwerpen. Laatstgenoemde eis vloeit al voort uit art. 1020 lid 1 Rv en geldt onverkort voor het compromis. De eis van art. 1024 lid 1 Rv dat partijen aanduiden wat zij aan arbitrage willen onderwerpen vormt dan ook een extra eis. Hetzelfde geldt ten aanzien van de gelijkluidende eis van aanduiding van hetgeen de partij, die de zaak aanhangig maakt, aan arbitrage wil onderwerpen voor de mededeling tot aanhangigmaking van het geding bij een arbitraal beding (vgl. art. 1025 lid 1 Rv), die een eigen voorwaarde vormt naast de eis van art. 1020 lid 1 Rv, waaruit voortvloeit dat in het arbitraal beding voldoende duidelijk moet blijken dat partijen geschillen uit een bepaalde rechtsbetrekking aan arbitrage onderwerpen. De genoemde aanduiding van hetgeen beide partijen (in het geval van een compromis) aan arbitrage willen onderwerpen of van hetgeen de eisende partij (in het geval van een arbitraal beding) aan arbitrage wil onderwerpen, zal daarom de aanduiding van het geschil of de geschilpunten tussen partijen moeten behelzen. Ook volgens art. 623 lid 2 (oud) Rv moest het compromis de "onderwerpen van geschil" bevatten. De weergave van het geschil of de geschilpunten is niet onbelangrijk omdat zij — behoudens toegelaten eiswijzigingen — de basis vormt van de opdracht van het scheidsgerecht bij schending waarvan het scheidsgerecht zijn arbitraal vonnis aan vernietiging blootstelt (art. 1065 lid 1 (c) Rv).
Het was volgens art. 623 lid 2 (oud) Rv niet nodig, en zelfs ongewenst, dat in het compromis ook al de vordering(en) en de gronden daartoe waren opgenomen.9 Mijns inziens mag thans hetzelfde worden aangenomen voor de aanduiding van hetgeen de partijen aan arbitrage willen onderwerpen bij een compromis als bedoeld in art. 1024 lid 1 Rv.10 De aanduiding van hetgeen de eisende partij aan arbitrage wil onderwerpen (in de mededeling tot aanhangigmaking van een arbitraal geding) bij een arbitraal beding als bedoeld in art. 1025 lid 1 Rv, behoeft mijns inziens evenmin de vordering(en) en de gronden daartoe te behelzen.11 Indien de vordering(en) en de gronden nog niet in het compromis of de mededeling tot aanhangigmaking zijn opgenomen, zal daartoe de kans moeten worden geboden in een daaropvolgend processtuk in het arbitraal geding.12
Het verdient, zo mogelijk, natuurlijk wel aanbeveling dat het compromis of de mededeling tot aanhangigmaking de vordering(en), en de gronden daartoe, behelst. Voorts zij men erop bedacht dat ingevolge arbitragereglementen — in aanvulling op het bepaalde in art. 1024 lid 1 Rv en art. 1025 lid 1 Rv — partijen veelal verplicht zijn om de vordering(en) en de gronden daartoe op te nemen in de mededeling waarmee het arbitraal geding aanhangig wordt gemaakt. Zo bepaalt art. 6 lid 1 (d) NAI Reglement dat de arbitrage-aanvrage "een duidelijke omschrijving van de vordering" moet bevatten (dit naast een korte omschrijving van het geschil als bedoeld in art. 6 lid 1 (c) NAI Reglement). Art. 4 lid 3 (c) ICC verlangt dat het Request for Arbitration "a statement of the relief sought, including to the eitent possible, an indication of any amount(s) claimed" behelst (dit naast "a description of the nature and circumstances of the dispute giving rise to the claims" als bedoeld in art. 4 lid 3 (b) ICC).13
Voor verweren van de verweerder in het arbitraal geding geldt hetzelfde als zojuist met betrekking tot de vorderingen van de eisende partij is betoogd. Ofschoon in het compromis wel een aanduiding van hetgeen de partijen aan arbitrage willen onderwerpen (ofwel een weergave van de geschilpunten) moet zijn opgenomen en aldus veelal wel het verweer van de verweerder zal blijken, wordt mijns inziens niet verlangd dat het compromis de verweren en de gronden daartoe (in detail) vermeldt. Het is dus mogelijk dat het compromis de stellingen van de eisende partij weergeeft en dat het in algemene termen vermeldt dat de verweerder het met die stellingen niet eens is. Hetzelfde geldt a priori voor de mededeling tot aanhangig-making van een arbitraal geding als wij met een arbitraal beding van doen hebben omdat die mededeling slechts van de eisende partij afkomstig is. Een bepaling als art. 111 lid 3 Rv — dat verlangt dat een dagvaardingsexploot de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor vermeldt — kennen wij niet voor het arbitraal geding. De mij bekende arbitragereglementen voorzien daarin evenmin.
Evenmin zal mogen worden verlangd dat het compromis de tegenvordering(en) van de verweerder precies vermeldt.14 Wél zullen in het compromis de geschilpunten zodanig (ruim) moeten zijn aangeduid dat open blijft dat de verweerder een tegenvordering kan instellen. Om hieromtrent geen twijfel te laten bestaan, is het verstandig dat in het compromis tenminste wordt aangekondigd dat verweerder meent dat hij een tegenvordering zal kunnen instellen. De formulering van een tegenvordering zélf zal alsdan achterwege kunnen blijven. In de mededeling tot aanhangigmaking, in het geval van een arbitraal beding, zal de eisende partij uiteraard geen tegenvordering(en) kunnen opnemen. Het is zelfs de vraag of dan überhaupt een tegenvordering kan worden ingesteld. De wet bepaalt hieromtrent niets. Aangenomen mag worden dat de tegenvordering in elk geval op hetzelfde arbitraal beding moet berusten als waarop de vordering in conventie berust (zie ook 9.2.2.5 en 9.2.4.4). Uiteraard lijdt dit uitzondering als de eisende partij als verweerder in reconventie zich niet erop beroept dat het scheidsgerecht onbevoegd is tot kennisneming van de tegenvordering (art. 1052 lid 2 Rv). Verdedigd is wel dat, ook als de tegenvordering berust op het zelfde arbitraal beding als waarop de vordering in reconventie berust, een tegenvordering slechts met instemming van de eisende partij (mogelijk verweerder in reconventie) is toegelaten.15 Veelal bepaalt het toepasselijk arbitragereglement dat een tegenvordering is toegelaten als op de tegenvordering dezelfde overeenkomst tot arbitrage van toepassing is als die waarop de arbitrage-aanvrage is gegrond, dit ongeacht of arbitrage bij compromis of bij arbitraal beding is overeengekomen (vgl. art. 25 lid 2 NAI Reglement en art. art. 5 lid 5ICC Rules).16 Indien een dergelijk reglement van toepassing is, zal de verweerder sowieso een tegenvordering kunnen instellen, zulks óók als de tegenvordering niet valt in de omschrijving van de geschilpunten in het compromis dan wel valt buiten de aanduiding van hetgeen de eisende partij aan arbitrage wil onderwerpen.
De wet stelt overigens geen sancties als de genoemde aanduiding van het voorwerp van het geschil in het compromis ontbreekt.17 Terecht wordt verdedigd dat het bewijs van een geschrift van de overeenkomst tot arbitrage in de zin van art. 1021 Rv voor het compromis ontbreekt als de aanduiding van hetgeen partijen aan arbitrage willen onderwerpen, ontbreekt:
’De eis volgt uit de aard van het compromis: als personen arbitrage willen overeenkomen over een tussen hen gerezen geschil of een andere hen aangaande kwestie moeten zij overeenstemming bereiken over wat zij door arbitrage willen oplossen. Dit is een essentiale van het compromis. Als het compromis hieraan niet voldoet, stelt de wet daarop geen nietigheid. Het desbetreffende geschrift vormt dan geen bewijs van de arbitrage-overeenkomst, omdat zij niet bewijzen waarover arbitrage is afgesproken. Zijn partijen het eens over het voorwerp van arbitrage, dan is er wilsovereenstemming, dus een compromis, zij het niet bewijsbaar. Arbitrage kan plaatsvinden; aan bewijs van het compromis komt men niet toe."18
Wij zullen zien dat art. 1021 Rv moet worden gelezen in samenhang met de vereisten in art. 1020 lid 1 Rv (zie 8.4.2 en 8.4.5.2 sub b). Zulks betekent dat uit het geschrift moet blijken welke geschillen partijen aan arbitrage onderwerpen. Voor het arbitraal beding waarbij partijen toekomstige geschillen aan arbitrage onderwerpen, is de bepaling van de rechtsbetrekking van belang. Voor het compromis, waarbij partijen bestaande geschillen aan arbitrage onderwerpen, is de omschrijving van hetgeen zij aan arbitrage willen onderwerpen van belang:
’(...) beide soorten overeenkomsten [arbitraal beding en compromis] vallen onder de noemer «arbitrage-overeenkomst» en dienen beide te voldoen aan de vereisten, vervat in de artikelen 1020 en 1021. In deze artikelen worden geen aparte vereisten aan de akte van compromis gesteld. (...)."19 [tekst en cursivering toegevoegd]
Uit de laatstgenoemde zinsnede mag niet worden afgeleid dat uit het geschrift dat tot bewijs van een compromis moet strekken niet behoeft te blijken wat partijen aan arbitrage onderwerpen. Die eis vloeit voort uit de genoemde samenhang tussen art. 1020 Rv en art. 1021 Rv, waaruit volgt dat uit het geschrift moet blijken wat partijen precies aan arbitrage onderwerpen.
Al met al zie ik geen reden voor een wettelijk onderscheid tussen het arbitraal beding en het compromis en meen ik dat wij kunnen volstaan met een algemene noemer "overeenkomst tot arbitrage". We zagen dat het onderscheid tussen het compromis en het arbitraal beding slechts rechtvaardiging vindt in het onderscheid tussen de aanduiding van het geschil en de wijze van aanhangigmaking van het arbitraal geding in het geval van een compromis of een arbitraal geding. Ik vraag mij sterk af of voor het onderscheid tussen het compromis en het arbitraal beding in dit opzicht Überhaupt nog voldoende rechtvaardiging bestaat.20 Waarom zouden partijen niet, nadat tussen hen een geschil is ontstaan, een arbitrageovereenkomst (compromis) kunnen sluiten zonder aanduiding van hetgeen partijen aan arbitrage onderwerpen als bedoeld in art. 1024 lid 1 Rv? Kunnen zij niet volstaan met de bepaling van de rechtsbetrekking? Partijen komen dan arbitrage overeen voor alle bestaande en toekomstige geschillen uit de desbetreffende rechtsbetrekking De eis dat voldoende duidelijk is dat partijen geschillen uit een bepaalde rechtsbetrekking aan arbitrage onderwerpen vloeit al voort uit art. 1020 lid 1 Rv en geldt ook voor het compromis. De eis in art. 1024 lid 1 Rv dat partijen aanduiden wat zij aan arbitrage willen onderwerpen, is slechts een extra eis. Voor laatstgenoemde eis is het mijns inziens niet noodzakelijk dat zij in de wet is opgenomen. Vraag is zelfs waarom wij zoveel gewicht moeten toekennen aan het feit dat geschillen eenmaal bestaan en dat partijen de geschillen daarom zouden kunnen aanduiden. Zouden partijen geschillen uit de desbetreffende rechtsbetrekking die in de toekomst (bijvoorbeeld een dag volgend op het compromis) zullen ontstaan niet ook aan arbitrage willen onderwerpen? Indien dat niet zo is, kunnen zij de geschillen desgewenst natuurlijk heel wel specificeren en de overeenkomst tot arbitrage daartoe beperken, net zo goed als zij toekomstige geschillen kunnen specificeren om de reikwijdte van de overeenkomst tot arbitrage daartoe te beperken. Strikt genomen heeft zo'n beperking niets van doen met het moment waarop men arbitrage overeenkomt.
Het is ten slotte geenszins noodzakelijk dat het arbitraal geding aanhangig is als partijen arbitrage met betrekking tot bestaande geschillen overeenkomen. De vraag of partijen arbitrage overeenkomen met betrekking tot bestaande of toekomstige geschillen staat geheel los van de vraag op welk moment een arbitraal geding aanhangig is. Partijen kunnen heel wel arbitrage overeenkomen en het geschil eerst op een later tijdstip aanhangig willen maken. Zulks blijkt als gezegd uit de vele arbitragereglementen die zulks, in afwijking van de hoofdregel in art. 1024 lid 2 Rv, bepalen (zie bijvoorbeeld art. 6 lid 2 NAI Reglement). De wet kan daarom volstaan met de bepaling dat een arbitraal geding aanhangig wordt gemaakt met een mededeling van een partij aan de wederpartij dat zij tot arbitrage overgaat. In die mededeling moet alsdan worden opgenomen hetgeen de desbetreffende partij aan arbitrage wil onderwerpen.