Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.5.1
2.5.1 Art. 30 WOR
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS384843:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het adviesrecht van de or ten aanzien van de benoeming en het ontslag van bestuurders is in 1979 ingevoerd. Daarvóór had de or een informatierecht.
Kamerstukken II, 1975-1976, 13954, nr. 1-3, p. 47.
Ook niet indien een bestuurder hiertoe min of meer door andere organen van de vennootschap is gedwongen.
Aan het oorspronkelijke ontwerp van het adviesrecht inzake de benoeming en het ontslag van bestuurders was wel een beroepsrecht gekoppeld, maar dit is later vervallen. Kamerstukken II, 1975-1976,13954, nr. 1-3, p. 47.
Rechtbank Amsterdam 19 november 1997, JOR 1998/ 24 (Verzinkerij Johan Vis & Co).
President Rechtbank Zwolle 30 januari 1995, JAR 1995/47.
Op grond van art. 30 WOR heeft de or een adviesrecht ten aanzien van de benoeming en het ontslag van een bestuurder in de zin van de WOR.1 De achtergrond van dit adviesrecht is dat de bestuurder van de onderneming voor de in de onderneming werkzame personen van zeer grote betekenis is. De bestuurder bepaalt immers in vergaande mate de interne gang van zaken, de werkverhoudingen en de sfeer in de onderneming. Bij benoeming van een nieuwe bestuurder hebben de werknemers, zeker in minder grote ondernemingen, dan ook een groot belang. Door het adviesrecht wordt volgens de regering zekergesteld dat de or de besluitvorming met betrekking tot de benoeming en het ontslag enigszins kan beïnvloeden.2 Ten aanzien van het ontslag geldt dat een vrijwillig ontslag niet aan het adviesrecht van de or is onderworpen.3 Het aanbieden van een beëindigingsovereenkomst aan een bestuurder valt er mijns inziens wel onder.
Wanneer (een van) de statutaire bestuurders tevens bestuurder in de zin van de WOR is, oefent de or via art. 30 WOR invloed uit op de beslissing van de AV(A) een bestuurder te benoemen of te ontslaan. Ook hier is het de vraag op wie de verplichting inzake art. 30 WOR rust. Net als bij art. 25 WOR is niet uitgesloten dat dit de AV(A) is, maar in de praktijk is het meestal het bestuur dat om advies vraagt. Bij de NV moet de AV(A) op basis van het spreekrecht kennis nemen van het standpunt van de or, zodat voor de hand ligt dat beide bevoegdheden – die sterk op elkaar lijken – gelijktijdig worden uitgeoefend. Het probleem inzake het beroepsrecht speelt niet bij art. 30 WOR, nu aan dit artikel geen beroepsrecht is gekoppeld.4 De achtergrond van het ontbreken van het beroepsrecht is dat de verwachting bestond dat dit niet goed werkt. Volgens de ministers valt niet te verwachten dat een college zoals de Ondernemingskamer kan beoordelen of een bepaalde persoon geschikt is voor de bestuurdersfunctie. Het gaat hier immers om een ander soort ondernemingsbeslissingen dan die van art. 25 WOR. De verantwoordelijkheid hiervoor moet bij de bevoegde organen van de onderneming worden gelaten. Een beroepsrecht, zoals dat van art. 26 WOR, zou een te grote inbreuk op de vrijheid van de vennootschapsorganen zijn. Wanneer de or niet in de gelegenheid wordt gesteld zijn adviesrecht uit te oefenen, staat wel de algemene geschillenregeling ex art. 36 WOR open. Hierdoor kan een benoeming of ontslag echter niet worden aangetast, maar alleen worden bereikt dat alsnog advies moet worden gevraagd.5 Ex art. 36 lid 2 WOR kan de kantonrechter de ondernemer wel verplichten bepaalde handelingen te verrichten of na te laten. Het dus mogelijk dat de kantonrechter de ondernemer verplicht een reeds benoemde bestuurder weer te ontslaan. De president Rechtbank Zwolle heeft wel als voorziening opgelegd dat een reeds beëindigde interim-overeenkomst weer in werking treedt, omdat de or ten onrechte niet om advies ex art. 30 WOR is verzocht.6 In tegenstelling tot art. 26 WOR kent art. 36 WOR geen derdenbescherming, zodat dit een dergelijke veroordeling niet in de weg staat. Ik kan mij echter moeilijk voorstellen dat de kantonrechter een reeds benoemde bestuurder ontslaat, omdat het adviesrecht ex art. 30 WOR niet is nageleefd. Uit de wetsgeschiedenis volgt nu juist dat de ministers wilden voorkomen dat rechterlijke colleges gaan bepalen of een bestuurder al dan niet benoemd zal worden. Bovendien doorkruist het vennootschapsrechtelijke beginsel dat de AV(A) te allen tijde de bevoegdheid heeft een bestuurder te benoemen en te ontslaan. Aantasting van het benoemingsbesluit op grond van de specifieke vennootschapsrechtelijke procedures, zoals het enquêterecht, behoort wel tot de mogelijkheden voor de or (zie paragraaf 2.6.7 e.v.).