Gst. 2020/156
Het begrip ‘zelfstandige woonruimte’ in de Huisvestingswet 2014 heeft een autonome betekenis. Van één huishouden is sprake wanneer bewoners in materiële of immateriële aangelegenheden in betekenisvolle mate van elkaar afhankelijk zijn. (Utrecht)
RvS 09-09-2020, ECLI:NL:RVS:2020:2166
- Instantie
Raad van State
- Datum
9 september 2020
- Magistraten
Mrs. C.J. Borman, A.W.M. Bijloos en J.J. van Eck
- Zaaknummer
201900553/1/A3 en 201905539/1/A3
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS243765:1
- Vakgebied(en)
Volkshuisvesting en wonen / Woningbouw
Huurrecht / Huur van woonruimte
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2020:2166, Uitspraak, Raad van State, 09‑09‑2020
- Wetingang
(Art. 21 Huisvestingswet 2014)
Essentie
Het begrip ‘zelfstandige woonruimte’ in de Huisvestingswet 2014 heeft een autonome betekenis. Van één huishouden is sprake wanneer bewoners in materiële of immateriële aangelegenheden in betekenisvolle mate van elkaar afhankelijk zijn. (Utrecht)
Samenvatting
In de Huisvestingswet was een zelfstandige woonruimte een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte. Het weglaten van de wettelijke definitie van zelfstandige woonruimte in de Huisvestingswet 2014 mag niet leiden tot een per gemeente verschillende uitleg van een wettelijk ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.