Informatierechten van aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/9.3:9.3 Waarborgen voor een evenwichtige regulering van informatierechten
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/9.3
9.3 Waarborgen voor een evenwichtige regulering van informatierechten
Documentgegevens:
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971962:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een evenwichtige regulering van informatierechten van aandeelhouders vergt dat het aandeelhoudersbelang – waar toepasselijk – optimaal wordt behartigd, met een zo beperkt mogelijke inbreuk op het vennootschapsbelang. Dit vereist een zekere balans tussen openheid en geheimhouding. Bij de regulering van informatierechten van aandeelhouders staat centraal de vraag hoe hoog de drempel dient te liggen om informatieverstrekking te rechtvaardigen. Bij een hoge drempel zal het betrokken belang van de aandeelhouder van groter gewicht moeten zijn om informatieverstrekking te rechtvaardigen dan bij een lagere drempel, en vice versa. Bij een lagere drempel past ruimhartigere informatieverstrekking, waarbij de aandeelhouder aanspraak kan maken op meer gedetailleerde informatie. De vennootschap zal dan minder snel informatieverstrekking kunnen weigeren met een beroep op een zwaarwichtig belang. Deze drempel raakt dus zowel de ondergrens als de bovengrens van het informatierecht. Het evenredigheidsbeginsel helpt om die balans te vinden bij het bepalen van de hoogte van deze drempel.
Daartoe dient eerst de vraag te worden gesteld welke aandeelhoudersbelangen toegang tot informatie kunnen rechtvaardigen. Ik meen dat daarbij sprake dient te zijn van een redelijk belang, oftewel een belang dat de aandeelhouder ontleent aan zijn hoedanigheid als aandeelhouder. Artikel 2:8 BW is immers slechts van toepassing op de aandeelhouder “als zodanig”. Informatierechten volgen uit de lidmaatschapsverhouding tussen de aandeelhouder en de vennootschap en dienen, net als bijvoorbeeld zijn stemrecht, (slechts) het belang van de aandeelhouder in de vennootschap. Ook sluit dit aan bij de accessoire aard van informatierechten: zij dienen slechts om de aandeelhouder in staat te stellen zijn aandeelhoudersrechten uit te oefenen. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op andere kapitaalverschaffers dan aandeelhouders. Andere rechtsstelsels kennen vergelijkbare vereisten. Het redelijk belang-vereiste beschermt de vennootschap tegen oneigenlijke informatieverzoeken en verzoeken die te kwader trouw worden gedaan. Het legitimeert de situaties waarin het geheimhoudingsrecht van de vennootschap dient te wijken voor het aandeelhoudersbelang.
Vervolgens wordt dit redelijke belang van de aandeelhouder bij toegang tot informatie gewogen tegen het belang van de vennootschap bij geheimhouding van die informatie. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aandeelhouder geen toegang heeft tot informatie van de vennootschap. Het betrokken aandeelhoudersbelang zal derhalve van voldoende gewicht moeten zijn om een uitzondering op dit uitgangspunt te (kunnen) rechtvaardigen. Hoe zwaar dit belang dient te wegen, hangt af van de hoogte van de drempel die moet worden gehaald om tot een informatierecht te komen. In dit verband heb ik zes gezichtspunten geïdentificeerd die richting kunnen geven bij deze afweging:
Beslotenheid. Naarmate de vennootschap meer besloten van aard is, zal de drempel voor informatieverstrekking lager zijn. Naarmate de vennootschap minder besloten – en dus meer open – van aard is, zal die drempel juist hoger komen te liggen. Ik acht dit het meest fundamentele gezichtspunt, omdat hieruit een glijdende schaal volgt waarbinnen de overige gezichtspunten met name dienen om bij te sturen.
Rol en positie. Naarmate aan de rol en positie van de kapitaalverschaffer een groter belang toekomen binnen het vennootschappelijk bestel, en de informatiegerechtigde bijvoorbeeld meer betrokken is bij de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, zal hij in het algemeen aanspraak kunnen maken op meer en gedetailleerde informatie over een breder scala aan onderwerpen. Het zijn immers de rol en positie van de kapitaalverschaffer die bepalen over welke aangelegenheden hij een informed judgment dient te kunnen vormen. Bij het vaststellen van de rol en positie van de kapitaalverschaffer, zal gewicht toekomen aan zijn hoedanigheid, de omvang van zijn kapitaalbelang en de rechten die daaraan zijn verbonden, alsmede de wijze waarop binnen de vennootschap aan zijn rol en positie invulling is gegeven.
Afhankelijkheid. Naarmate de aandeelhouder sterker afhankelijk is van de vennootschap voor de behartiging van zijn belangen, zal de drempel voor informatieverstrekking lager zijn. Relevante factoren die in dat verband een rol kunnen spelen zijn onder meer de professionaliteit en deskundigheid van de betrokken aandeelhouder en diens positie en zeggenschap binnen de vennootschap.
Organisatie. Naarmate de aandeelhouder op basis van de organisatie van de vennootschap meer transparantie mag verwachten, zal de drempel voor informatieverstrekking lager zijn. Met de organisatie van de vennootschap wordt bedoeld de inrichting van de governance en de (bestendige) gebruiken die zich binnen de vennootschap hebben ontwikkeld.
Subsidiariteit. Indien de aandeelhouder de relevante informatie ook op een andere, voor de vennootschap minder belastende wijze kan – of had kunnen – verkrijgen, dan verhoogt dit de drempel voor informatieverstrekking.
Eigen handelen aandeelhouder. Ten slotte komt gewicht toe aan het eigen handelen van de aandeelhouder. Indien het informatierecht wordt misbruikt of indien het belang van de aandeelhouder (anderszins) tegenstrijdig is aan dat van de vennootschap, dan kan dit rechtvaardigen dat de informatiegerechtigde (tijdelijk) minder ruimhartig wordt geïnformeerd. Niet alleen de vennootschap, maar ook de informatiegerechtigde is immers gebonden aan artikel 2:8 BW. Van de informatiegerechtigde mag onder meer een zakelijke houding worden verwacht.
Doordat aan alle informatierechten van aandeelhouders en andere kapitaalverschaffers uiteindelijk steeds dezelfde belangenafweging ten grondslag ligt, zijn deze gezichtspunten breed toepasbaar. Dit leidt tot een uiterst genuanceerde toepassing van dergelijke informatierechten.
Bij de regulering van informatierechten dient ook acht te worden geslagen op het gelijkheidsbeginsel, op grond waarvan aandeelhouders in gelijke omstandigheden op gelijke wijze dienen te worden behandeld. Het antwoord op de vraag of aandeelhouders zich in gelijke omstandigheden bevinden, is zeer casuïstisch. Relevante factoren zijn bijvoorbeeld de soorten of klassen aandelen die worden gehouden, de omvang van de kapitaaldeelname en daaraan gekoppelde rechten en eventuele vertegenwoordiging in de vennootschapsleiding. Ook het antwoord op de vraag of aandeelhouders gelijk zijn behandeld is zeer casuïstisch. De voornaamste vraag in dit verband zal zijn of sprake is van gelijke toegang tot informatie, en niet noodzakelijkerwijs gelijke verstrekking van informatie.
Absoluut is het gelijkheidsbeginsel overigens niet. Een schending daarvan kan geoorloofd zijn indien voor de ongelijke behandeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging kan worden aangewezen. Dit betreft een proportionaliteits- en subsidiariteitstoets. Dit is een zeer feitelijke toets. Ik meen dat ongelijke behandeling onder meer geoorloofd zal zijn indien de vennootschap daarmee is beschermd tegen onevenredige benadeling, bijvoorbeeld omdat een aandeelhouder een tegenstrijdig belang heeft of de informatie op oneigenlijke wijze tegen de vennootschap(sleiding) zal gebruiken.
Overigens meen ik dat de betekenis van het gelijkheidsbeginsel voor de regulering van informatierechten niet moet worden overtrokken. Uit de rechtspraak volgt bijvoorbeeld dat het informatierecht buiten vergadering veelal juist dient om een informatieasymmetrie ten aanzien van een gegeven onderwerp op te heffen. Vrijwel steeds is sprake van twee groepen aandeelhouders – bijvoorbeeld een controlerende meerderheid en een niet in het bestuur vertegenwoordigde minderheid – waarbij één kamp reeds toegang heeft tot de relevante informatie en het andere kamp niet. In dergelijke gevallen zal een informatierecht buiten vergadering dienen om de informatieasymmetrie te verkleinen. Ten aanzien van de informatieverstrekking die verband houdt met de algemene vergadering, bestaat voorts weinig ruimte voor discussie omdat die informatieverstrekking naar zijn aard collectief zal geschieden. Voor ongelijke behandeling is dan weinig ruimte.