Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/2.3
2.3 Het herstel van fouten door ambtshalve vermindering van de aanslag
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS419296:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Resolutie 25 maart 1991, nr. DB89/735, BNB 1991/142. Deze resolutie is nadien op kleinere punten gewijzigd.
Daarbij is de uitvoering van de regeling volledig gedelegeerd aan de inspecteurs.
Een of meer beginselen van behoorlijk bestuur kunnen de inspecteur nopen in een concreet geval ambtshalve vermindering te verlenen, hoewel de door de staatssecretaris van Financiën gegeven regeling daarin voor dat geval niet voorziet.
Deze vijfjaarstermijn wordt in § 2.2, onderdeel b van de resolutie gedefinieerd als de termijn waarbinnen op de voet van artikel 16, derde en vierde lid, AWR en artikel 20, derde lid, AWR de te weinig geheven belasting kan worden nagevorderd, onderscheidenlijk nageheven. Voor een aantal, in § 7 van de resolutie genoemde, gevallen wordt de vijfjaarstermijn verlengd met vijf jaren.
In § 2.2 van de resolutie wordt onder c een cijfermatige uitwerking van ‘een gering bedrag’ gegeven.
Zie § 8 van de resolutie.
In paragraaf 2.2 van dit hoofdstuk heb ik aandacht besteed aan de mogelijkheid van interne compensatie in de bezwaar- en beroepsfase.
Wel zou de belastingplichtige een beroep kunnen doen op de burgerlijke rechter om de uit genoemde resolutie voortvloeiende ambtshalve vermindering af te dwingen.
Een onjuiste aanslag kan door de inspecteur op grond van artikel 65 AWR ambtshalve worden verminderd. De staatssecretaris van Financiën heeft in verband met de in dit artikel neergelegde bevoegdheid in een resolutie van 25 maart 19911 uitvoeringsvoorschriften gegeven2. In deze resolutie is een in beginsel uitputtende regeling gegeven van de gevallen, waarin door de inspecteur ambtshalve vermindering wordt verleend. Toch kan de inspecteur onder omstandigheden gehouden zijn van de in de aanschrijving opgenomen regeling af te wijken3
Onder ‘§ 3. Gevallen waarin ambtshalve vermindering of teruggaaf wordt verleend’ is opgenomen:
3.1. Indien wegens het te laat indienen van een bezwaarschrift (...) dan wel om andere reden van formele aard de reclamant (...) niet ontvankelijk is in zijn bezwaar (...), verleent de inspecteur bij de uitspraak waarin de niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken, ambtshalve de vermindering (...) waarvoor de reclamant (...) redelijkerwijs in aanmerking komt. (...)
3.2. In andere gevallen dan die, welke zijn genoemd in § 3.1, verleent de inspecteur ambtshalve de vermindering (...) waarvoor de belanghebbende redelijkerwijs in aanmerking komt indien:
a. de belanghebbende een verzoekschrift strekkende tot vermindering of teruggaaf van belasting indient, of
b. enig feit de conclusie rechtvaardigt dat een belastingaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Het bepaalde in § 3 vindt echter geen toepassing indien:
ten tijde van het ontvangen van (...) het verzoekschrift dan wel op het tijdstip, waarop het in § 3.2, onderdeel b bedoelde feit ter kennis van de inspecteur komt, de vijfjaarstermijn4 is verstreken, dan wel, indien in het laatste jaar van de vijfjaarstermijn een navorderingsaanslag of naheffingsaanslag aan de belanghebbende is opgelegd, een jaar is verstreken sinds de dagtekening van die navorderings- of naheffingsaanslag (...).
Ambtshalve vermindering vindt evenmin plaats indien het bedrag van de vermindering, waarvoor de belanghebbende in aanmerking komt, te gering is5 of aannemelijk is dat de belanghebbende door opzet of grove schuld de wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ongebruikt heeft laten verstrijken.
Indien de inspecteur kennis neemt van feiten, andere dan die naar aanleiding waarvan hij voornemens is ambtshalve vermindering te verlenen, en die andere feiten grond opleveren voor het vermoeden dat de belasting onjuist is berekend, houdt hij daarmee bij de bepaling van de vermindering rekening6. Ook bij de ambtshalve vermindering past de inspecteur derhalve interne compensatie toe7. Dit kan ertoe leiden, dat een verzoek van de belanghebbende tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 met een bedrag van f 1000 wegens een fout in de winstberekening, door de inspecteur (deels) wordt geweigerd omdat hem bijvoorbeeld is gebleken dat die aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld als gevolg van een in de sfeer van de buitengewone lasten ten onrechte toegelaten aftrek.
Ondanks de strenge eisen die door de resolutie aan ambtshalve vermindering worden gesteld, en in aanmerking genomen dat geen bezwaar of beroep openstaat tegen de weigering van de inspecteur de aanslag (voor het door de belastingplichtige gevraagde bedrag) ambtshalve te verminderen8, kan worden geconcludeerd dat ambtshalve vermindering een effectief middel kan zijn om in het nadeel van de belastingplichtige gemaakte fouten in de winstberekening van een jaar waarvoor de definitieve aanslag onherroepelijk vaststaat, te herstellen. Dat de inspecteur daarbij interne compensatie toepast, acht ik niet onredelijk. Het uitgangspunt dient immers te zijn, dat de belastingplichtige niet meer doch ook niet minder belasting betaalt dan uit de belastingwet voortvloeit.
Een voorbeeld van een door de inspecteur gedane toezegging tot ambtshalve vermindering van een aanslag in verband met een geconstateerde fout in de winstberekening is te vinden in HR 27 maart 1957, BNB 1957/155. In de procedure over de aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 1953 heeft de inspecteur toegezegd de reeds onherroepelijk vaststaande aanslag voor 1952 – in verband met een ten onrechte niet in aanmerking genomen schuld – ambtshalve te verminderen, zodat de fout daarmee zou worden hersteld.