Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/7.3.1
7.3.1 Rechtsinbreuk
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS590934:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
De vraag of hier sprake is van de schending van een norm van objectief recht (bijvoorbeeld ‘Gij zult geen rechtsinbreuk plegen’, eventueel uit te werken in diverse concretiseringen, zoals ‘Gij zult niet doen hetgeen aan een eigenaar van een zaak is voorbehouden’) of enkel om (gekwalificeerde) schending van een subjectief recht, laat ik hier rusten. Ziet men deze categorie onrechtmatige daden op de tweede manier, dan ligt voor de hand niet te spreken van het doel van de geschonden norm maar van het doel van het subjectieve recht waarop inbreuk is gemaakt.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 614 (T.M.).
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015, nr. 47; Hartlief e.a. 2018 (Lindenbergh) 2018), nr. 35 e.v.; Verheul 2018, p. 851 e.v.; en Jansen 2012, p. 353 e.v.
Meijers 1948, p. 86.
De Hoge Raad heeft in HR 14 maart 1958,NJ 1961/570 (Spitfire) – mijns inziens te categorisch – geoordeeld dat over een inbreuk op een subjectief recht alleen kan worden geklaagd door een drager van dat recht. In HR 26 mei 2000,NJ 2000/671 m.nt. D.W.F. Verkade (Cassina/Jacobs Meubelen) lijkt hij meer ruimte te laten voor een aanspraak op grond van schending van een subjectief recht van een ander; zie nader nr. 685.
Zie voor enkele gevallen waarin het eigendomsrecht niet duidelijk maakt tot hoever de verplichting tot vergoeding van door de schending van dat recht ontstane schade reikt, het in nr. 341 weergegeven voorbeeld van Bloembergen.
Waar het gaat om de kosten van het opheffen van de rechtsinbreuk sluit dat ook aan bij art. 3:299 lid 2 BW. Ook hier zijn nuances mogelijk: in HR 18 september 1998,NJ 1999/69 m.nt. A.R. Bloembergen (Luykx/Bastiaansen) oordeelde de Hoge Raad dat de aanspraak op vergoeding van reinigingskosten wordt begrensd door de hoogte van de exploitatieschade die zonder reiniging zou worden geleden.
Onder omstandigheden kan, ook al is geen sprake van een rechtsinbreuk, wel een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm verplichten om een in feitelijke zin inbreuk makende toestand op te heffen, zie bijvoorbeeld: HR 7 mei 1982,NJ 1983/478 m.nt. C.J.H. Brunner (Trechsel/Lameris) en HR 4 november 1988,NJ 1989/854 m.nt. C.J.H. Brunner (Schols/Heijnen).
353. De eerste categorie onrechtmatige daden in art. 6:162 BW is de inbreuk op een recht.1 Het is de erkenning van subjectieve rechten door onze rechtsorde die een inbreuk op zo’n recht onrechtmatig doet zijn.2 Inbreuk kan worden gemaakt op alle erkende subjectieve persoonlijkheids- en vermogensrechten, met dien verstande dat een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis in de zin van art. 6:74 BW niet als rechtsinbreuk geldt. Omdat het te ver zou gaan om elke gedraging die op enig moment tot aantasting van (het voorwerp van) een subjectief recht leidt als onrechtmatig te bestempelen,3 is het noodzakelijk om het begrip ‘rechtsinbreuk’ af te grenzen. In de literatuur zijn over deze begrenzing diverse theorieën ontwikkeld.4 Deze problematiek kan hier echter buiten beschouwing blijven, omdat de met een subjectief recht beoogde bescherming niet afhangt van welke theorie men over de nadere invulling en begrenzing van het begrip rechtsinbreuk aanhangt.
354. De persoon die door een subjectief recht wordt beschermd is steeds de rechthebbende. De rechtsorde geeft met het subjectieve recht immers de rechthebbende een bepaalde bevoegdheid teneinde zijn belang te dienen.5
In het geval van verplaatste schade kunnen naar ik meen ook andere personen dan de rechthebbende op grond van de rechtsinbreuk aanspraak hebben tot schadevergoeding. Ik bespreek dit in hoofdstuk 15 nader.6
In het algemeen laat zich niet goed zeggen tegen welke soort schade en tegen welke wijze van ontstaan van schade een subjectief recht beoogt te beschermen. Het antwoord op deze vraag hangt af van het subjectieve recht waarop inbreuk is gemaakt. Steeds dient aan de hand van het concrete recht waarop inbreuk is gemaakt, bepaald te worden wat het doel van het recht is en wat de basale en klaarblijkelijk niet-relevant andere schadesituaties zijn.
In bijvoorbeeld het geval van een inbreuk op een eigendomsrecht laten zich verschillende soorten schade denken: (i) kosten voor het opheffen van de inbreuk, (ii) kosten voor herstel van het voorwerp van het recht en (iii) geleden verlies of gederfde inkomsten vanwege het niet hebben van het (ongestoord) genot van het recht.7
De inbreuk op het eigendomsrecht maakt dat een voldoende normatief verband bestaat met de kosten van het opheffen van de inbreuk. Dit volgt dadelijk uit de erkenning van het subjectieve eigendomsrecht: hiermee is een sfeer gecreëerd waaruit anderen dienen weg te blijven.8 De begrenzing van het begrip rechtsinbreuk speelt hier wel een belangrijke rol. Met name wanneer op een meer indirecte wijze aantasting van het voorwerp van een recht plaatsvindt, behoeft geen sprake te zijn van een rechtsinbreuk, zodat op deze grond de kosten voor het opheffen van de inbreuk niet vergoed behoeven te worden.9 Degene die bijvoorbeeld onkruid laat groeien op zijn perceel, terwijl de zaden van dat onkruid op een naburig perceel waaien, maakt in beginsel geen inbreuk op het recht van de eigenaar van dat naburige perceel, waardoor de kosten van het verwijderen van die zaden of dat onkruid niet op grond van een rechtsinbreuk behoeven te worden vergoed.10
Wanneer bij een inbreuk op een eigendomsrecht het voorwerp van het recht wordt aangetast, bestaat ook een voldoende normatief verband met de waardevermindering c.q. de kosten van herstel van het voorwerp van het recht en kan deze schade dus worden toegerekend. In die gevallen waarin de aantasting van het voorwerp van het eigendomsrecht geldt als een onrechtmatige rechtsinbreuk, zou daarmee naar mijn mening niet verenigbaar zijn om geen aanspraak op vergoeding van de schade die bestaat uit deze aantasting aan te nemen. Illustratief is in dit verband de zaak Unocal/Conoco.11 Oliemaatschappij Conoco onttrekt olie aan een gebied waarop oliemaatschappij Unocal het exclusieve recht heeft om olie te winnen. Naar het oordeel van de Hoge Raad pleegt Conoco aldus een rechtsinbreuk op dat subjectieve recht van Unocal. De schade van Unocal ten gevolge van deze rechtsinbreuk bestaat uit het verlies van de waarde van die olie (minus voor de winning en verkoop te maken kosten). Voor deze schade dient mijns inziens (in cassatie is dit aspect niet aan de orde gekomen) vanwege Conoco’s rechtsinbreuk in beginsel aansprakelijkheid te bestaan en dus te worden toegerekend. De schade ten gevolge van de rechtsinbreuk die bestaat uit het weggenomen zijn van het object van het subjectieve recht is een basale schadesituatie. Ook hier geldt dat de grenzen aan het begrip rechtsinbreuk een belangrijke beperking vormen van de mogelijkheid om met behulp van deze onrechtmatigheidscategorie aanspraak te maken op schadevergoeding: lang niet elke handeling die een aantasting van het voorwerp van het recht tot gevolg heeft geldt immers als rechtsinbreuk.
Onder omstandigheden kan de erkenning van een subjectief recht maken dat geconcludeerd dient te worden dat een toereikend normatief verband bestaat met schade die ontstaat vanwege het niet hebben van het (ongestoord) genot van het recht. Te denken valt aan derdenbeslag op de rekening-courant van een vermeende schuldenaar. Wanneer de beslaglegger geen aanspraak jegens de vermeende schuldenaar heeft, wordt met deze beslaglegging inbreuk gemaakt op een subjectief recht van de vermeend schuldenaar jegens zijn bank. Indien de vermeend schuldenaar aantoont dat hij zonder het beslag het vermogen zou hebben aangewend om bepaalde inkomsten te genereren, ligt mijns inziens voor de hand dat tussen de rechtsinbreuk en de schade een toereikend normatief verband bestaat en die schade dus in beginsel dient te worden vergoed.
355. In allerlei gevallen kan een door de laedens gepleegde rechtsinbreuk samenvallen met de schending door de laedens van een wettelijke norm of met hetgeen op grond van ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De met zo’n geschreven of ongeschreven norm beoogde bescherming kan duidelijker gericht zijn op het voorkomen van de schade zoals geleden waardoor de normschending een andere, duidelijker, basis biedt voor de aansprakelijkheid van de door zowel de rechtsinbreuk als de normschending veroorzaakte schade.