Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/8.3:8.3 Bronnen van buitencontractuele verbintenissen
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/8.3
8.3 Bronnen van buitencontractuele verbintenissen
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS304214:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Roermund 1990, p. 2-9.
HR 30 januari 1959, NJ 1959, 548 (QuintlTe Poel).
HR 18 juni 1982, NJ 1983, 723 (Plas/Valburg).
HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467 (JPO/CBB).
Zie de Parl. Gesch. op art. 6.5.2.8a van het Ontwerp Nieuw BW, welk artikel handelde over afgebroken onderhandelingen, maar nimmer in werking is getreden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel alle verbintenissen (contractuele verbintenissen daaronder mede begrepen) uiteindelijk hun verbindende kracht aan de wet als geldingsbron ontlenen (art. 6:1 BW), kent het Nederlandse recht een zogenaamd half open stelsel van verbintenissen. De bronnen van verbintenissen zijn dan ook niet limitatief in de wet opgesomd.1 In het arrest Quint/te Poel2 oordeelde de Hoge Raad dat in gevallen van ongerechtvaardigde verrijking, die niet uitdrukkelijk door de wet worden geregeld, de oplossing moet worden aanvaard die in het stelsel van de wet past en aansluit bij wel in de wet geregelde gevallen. Hoewel onder het oude recht gewezen, heeft dit arrest nog steeds betekenis voor het huidige recht. De betekenis van het arrest is ook niet beperkt tot de ongerechtvaardigde verrijking (ook het huidige recht kent immers een algemene vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, art. 6:212 BW). Vrij algemeen wordt aanvaard, en ook de wetgever gaat ervan uit, dat verbintenissen niet uitdrukkelijk hun grondslag in de wet dienen te hebben, maar ook kunnen ontstaan indien dit past in het systeem van de wet. Daarnaast staat buiten kijf (vide, als meest sprekende voorbeeld, de aanvullende en derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid zoals die voortvloeit uit art. 6:248 BW) dat redelijkheid en billijkheid, naast de traditionele, zelfstandige bronnen van verbintenissen, fungeert als ontstaansbron voor "nieuwe" verbintenissen en er de oorzaak van kunnen zijn dat verbintenissen teniet gaan.
Uit het half open stelsel van verbintenissen wordt door de doctrine afgeleid dat er naast de traditionele "algemene" bronnen van verbintenissen — overeenkomst, onrechtmatige daad en rechtmatige daad ("quasi-contract": ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling en zaakwaarneming) — en incidenteel in de wet geregelde gevallen, andere ontstaansgronden voor verbintenissen kunnen bestaan. De niet-traditionele leerstukken die ik in het kader van dit boek behandel, zijn opgewekt vertrouwen, redelijkheid en billijkheid en de schadevoorkomingsplicht die recent door Keirse is geïntroduceerd.
Opvallend is dat de Hoge Raad zich tot op heden nog niet heeft uitgelaten omtrent de grondslag voor een vordering in verband met ongelegitimeerd afgebroken onderhandelingen. In het arrest Plas/Valburg3 overwoog de Hoge Raad, voor zoveel in dit kader relevant, dat
"niet uitgesloten is dat de onderhandelingen over een overeenkomst in een zodanig stadium zijn gekomen dat het afbreken zelf van die onderhandelingen onder de gegeven omstandigheden als in strijd met de goede trouw moet worden geacht (...)" (cursivering MR).
In het arrest JPO/CBB4 refereert de Hoge Raad niet meer met zoveel worden aan de goede trouw of redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad overweegt echter wel (onder verwijzing naar het bepaalde in het arrest Baris/Riezenkamp en daarmee indirect wel weer naar de redelijkheid en billijkheid) dat onderhandelende partijen verplicht zijn
"hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen"
en dat het afbreken van de onderhandelingen in verband met gewekt vertrouwen onder omstandigheden onaanvaardbaar kan zijn. Geen expliciete referte meer dus aan de redelijkheid en billijkheid (afgezien van de "link" die nog wordt gelegd met het arrest Baris/Riezenkamp), hetgeen de vraag doet rijzen of dat een bewuste keuze is geweest. Zoals ik echter in het hierna volgende nader zal toelichten, vraag ik mij af in hoeverre de discussie of men redelijkheid en billijkheid dan wel onrechtmatige daad als juridische grondslag voor een vordering uit ongelegitimeerd afgebroken onderhandelingen moet beschouwen — indien en voor zover men de redelijkheid en billijkheid als zelfstandige bron van verbintenissen wenst te aanvaarden — nu wel zo wezenlijk is. Wat hier verder ook van zij, de jurisprudentie helpt ons niet veel verder wanneer het aankomt op de beantwoording van de vraag wat nu heeft te gelden als de juridische grondslag voor een vordering uit ongelegitimeerd afgebroken onderhandelingen. Overigens volgt uit de parlementaire geschiedenis dat de wetgever zelf aanvankelijk vooral onrechtmatige daad als juridische grondslag voor aansprakelijkheid wegens ongelegitimeerd afgebroken onderhandelingen zag, zij het dat in een later stadium ook wordt verwezen naar redelijkheid en billijkheid als mogelijke grondslag5