type:coll:
Rb. Overijssel, 05-02-2020, nr. C/08/197942 / HA ZA 17-74
ECLI:NL:RBOVE:2020:1116
- Instantie
Rechtbank Overijssel
- Datum
05-02-2020
- Zaaknummer
C/08/197942 / HA ZA 17-74
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOVE:2020:1116, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 05‑02‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2018:2880
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2018:788
ECLI:NL:RBOVE:2018:2880, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 18‑07‑2018; (Eerste aanleg - meervoudig)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2020:1116
ECLI:NL:RBOVE:2018:788, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 14‑03‑2018; (Eerste aanleg - meervoudig)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2020:1116
Uitspraak 05‑02‑2020
Inhoudsindicatie
Eindvonnis na deskundigenbericht in zaak over beweerdelijke onrechtmatige staatssteun (artikel 107 VWEU). Bezwaren tegen inhoud en totstandkoming van het rapport worden verworpen. Vorderingen worden afgewezen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rolnummer: C/08/197942 / HA ZA 17-74
Vonnis van 5 februari 2020
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE ZWOLLE,
zetelend te Zwolle,
eiseres,
advocaat mr. E. Belhadj te Zwolle,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JCDECAUX NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. J.F. van Nouhuys te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de Gemeente en JCDecaux genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 18 juli 2018
- -
de rolbeslissing van 5 juni 2019
- -
de e-mailcorrespondentie tussen partijen, de deskundige en de rechtbank
- -
het deskundigenbericht van 25 september 2019
- -
de rolbeslissing van 2 oktober 2019
- -
de akte uitlaten declaratie deskundige van de Gemeente
- -
het B16-formulier van JCDecaux op de rol van 16 oktober 2019
- -
de rolbeslissing van 13 november 2019
- -
de reactie van de deskundige op voornoemde akte van de Gemeente
- -
de conclusies na deskundigenbericht van de Gemeente en JCDecaux.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Het geschil
2.1.
In deze zaak gaat het om de vraag of de Gemeente aan JCDecaux staatssteun heeft verleend en zo ja, wat de omvang daarvan is. In de tussenvonnissen van 14 maart 2018 en 18 juli 2018 heeft de rechtbank overwogen dat zij het nodig acht in dat kader een deskundigenbericht te gelasten. In het tussenvonnis van 18 juli 2018 heeft de rechtbank een onderzoek bevolen door deskundige Vincent Verouden, verbonden aan E.CA Economics te Brussel, ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Wat zijn marktconforme vergoedingen voor de in de Overeenkomst bepaalde exploitatierechten, berekend naar het moment van de totstandkoming van de Overeenkomst, dat wil zeggen voor wat betreft de exploitatierechten onder de overeenkomst uit 2003 op (of omstreeks) 20 augustus 2003 en voor wat betreft de exploitatierechten onder het Addendum op (of omstreeks) 1 april 2009, beoordeeld op basis van het criterium ‘voordeel’ als bedoeld in artikel 107 lid 1 VWEU? U wordt verzocht daarbij aan te geven:
- welke relevante factoren (voor de marktafbakening) u daarbij betrekt, waaronder in ieder geval (doch niet per definitie uitsluitend) de duur van de Overeenkomst, de omstandigheid dat deze geen prijsaanpassingsmogelijkheid bevat en het aantal inwoners van het betrokken exploitatiegebied;
- welke berekeningsmethoden u hanteert;
- welke berekeningen u maakt.
2. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
Het deskundigenbericht
2.2.
De deskundige heeft op 25 september 2019 zijn definitieve rapport ingediend bij de rechtbank, nadat hij in een eerder stadium had gereageerd op de opmerkingen van partijen op zijn conceptrapport. Kort gezegd concludeert de deskundige het volgende (zie Samenvatting, p. 4 -7 van het deskundigenrapport):
“(…) Naar mijn mening moet de contractuele voorgeschiedenis van de Overeenkomst 2003 vanuit economisch oogpunt wel degelijk als een relevant feit worden gezien bij de totstandkoming (en de uitkomst) van de Overeenkomst 2003 (en het Addendum 2009). Immers, de onderhandelingsmogelijkheden van beide onderhandelende partijen – en daarmee ook de uitkomst van de onderhandelingen – werden in grote mate bepaald door de bestaande en nog lopende overeenkomsten uit de jaren 1990. Er was voor JCDecaux, in beginsel, geen reden om nadeligere voorwaarden te accepteren dan die voorwaarden die reeds vervat waren in de overeenkomsten uit de jaren 1990. Indien de Overeenkomst 2003 niet afgesloten zou geweest zijn, zou de nog lopende contractuele overeenkomst tussen beide partijen namelijk gewoon van kracht blijven. Deze context verschilt daarmee met een situatie waarin het alternatief erin zou bestaan dat er helemaal geen contractuele relatie zou zijn.
Vanuit deze optiek kunnen de overeenkomsten uit 1990 als gegeven worden beschouwd en kan de vraag of de Overeenkomst uit 2003 staatssteun inhield (de vraag van de Rechtbank) worden herleid tot de vraag of deze overeenkomst een bijkomend voordeel (een “delta”) verleende aan de onderneming in kwestie dat niet als marktconform kan worden beschouwd. Een analoge benadering kan tevens toegepast worden op het Addendum 2009.
Men kan zich natuurlijk de vraag stellen of de overeenkomsten uit 1990 zelf wel marktconform (vrij van staatssteun) waren, opnieuw gerekend vanuit het perspectief van hun totstandkoming (1990). Deze vraag valt, zover ik kan inschatten, buiten het bestek van de vraag van de rechtbank en valt ook amper nog te beantwoorden (bijna 30 jaar na dato).
Globaal komt de door mij gehanteerde benadering neer op een vergelijking van het destijds verwacht rendement (IRR) van de Overeenkomst van 2003 (en het Addendum van 2009) met een normaal (marktconform) rendement, zoals dit kan blijken uit
enerzijds
− de kapitaalkost (“WACC”) van het bedrijf in kwestie, dan wel andere gangbare minimumrendementsvereisten die worden gehanteerd binnen het bedrijf (bv. de “hurdle rate”);
en anderzijds
− het verwacht rendement (IRR) op vergelijkbare overeenkomsten die door JCDecaux en/of Wall in die periode werden afgesloten (hierna: “benchmarkgroep”).
In de mate dat het verwacht rendement (significant) hoger zou liggen dan deze twee referentiewaarden kan men stellen dat er sprake is van een voordeel dat het bedrijf niet onder normale marktomstandigheden zou kunnen hebben behaald (staatssteun).
Mijn belangrijkste bevindingen kunnen als volgt worden samengevat:
Bevindingen m.b.t. de Overeenkomst van 2003
Op mijn vraag is door JCDecaux een berekening gemaakt van het rendement dat door de Overeenkomst 2003 kon worden verwacht bij het sluiten van de overeenkomst, op basis van de (in dit geval additionele) positieve en negatieve kasstromen gedurende de levensduur van het contract. Het betreft (noodzakelijkerwijs) een reconstructie, die ik heb beoordeeld op consistentie met o.a. de beschikbare markt- en kostenprognoses die Wall destijds heeft gemaakt. Ik heb vastgesteld dat de door JCDecaux aangeleverde berekening state-of-the-art is, wat de betrouwbaarheid van de berekende rendementen ten goede komt. Ik heb echter ook een aantal correcties en verbeteringen aangebracht in de rendementsberekening, deels gebaseerd op opmerkingen gemaakt door de Gemeente Zwolle.
Het aldus door mij op basis van deze reconstructie berekend verwacht rendement (IRR) van de Overeenkomst 2003 bedraagt ongeveer 16.3% op zuivere cash flow basis (d.w.z. wanneer alleen de direct relevante kasstromen in rekening worden gebracht). De IRR bedraagt ongeveer 10.1% indien ook een geëigend deel van de indirecte kosten (bv. overheadkosten) in rekening wordt gebracht, kosten die het bedrijf in principe ook zonder het contract in kwestie zou moeten dragen. Deze laatstgenoemde IRR (dus met toewijzing indirecte kosten) lijkt mij echter uiteindelijk bepalend in deze specifieke context, waarin de vraag centraal staat of de verwachte rendementen in 2003 als “excessief hoog” moeten worden bestempeld. Volgens mij kan deze vraag moeilijk beoordeeld worden zonder ook de indirecte kosten in ogenschouw te nemen. Als het bedrijf op al haar contracten slechts een rendement op cash basis mag behalen dat precies gelijk is aan de kapitaalkost, zou het per saldo verlies maken (omdat het geen van haar indirecte kosten zou kunnen dekken).
De kapitaalkost (WACC) van Wall bedroeg [10-12]% in 2003, het exacte cijfer is niet (meer) bekend. Het berekende rendement van de Overeenkomst van 2003 van 10.1% (met indirecte kostenallocatie) is redelijk vergelijkbaar en lijkt dus niet direct te wijzen op een excessief financieel voordeel. De IRR op kasbasis (16.3%) is weliswaar hoger dan de WACC maar lijkt, ook in het licht van het bestaan van expliciete of impliciete hurdle rates (mimimum-rendementsvereisten), niet buitensporig hoog.
Als benchmarkgroep heb ik gekozen voor alle in de periode 2000 – 2012 door Wall en/of JCDecaux afgesloten contracten met Gemeenten (met uitzondering van Amsterdam), waarvoor destijds door het bedrijf voorafgaande IRR-berekeningen beschikbaar zijn (doorgaans contracten met substantiële investeringen). Het gaat om 21 contracten in totaal. Van de door Wall zelf gewonnen contracten zijn geen voorafgaande IRR-berekeningen bekend. Voorafgaande IRR-berekeningen voor afgesloten contracten zijn slechts beschikbaar vanaf 2004, en alleen voor JCDecaux. Na het wegnemen van twee “uitschieters” (met zeer hoge IRR) zijn uiteindelijk 19 contracten weerhouden voor de benchmarking (de “benchmarkgroep”).
Ik ben ook nagegaan of er relevante verschillen binnen deze benchmarkgroep bestaan (bv. in de omvang van het contract, jaar van afsluiten, gebruik van aanbestedingsprocedure) die tot duidelijke verschillen in de berekende IRR leiden.
Het verwacht rendement van vergelijkbare door JCDecaux in die periode afgesloten overeenkomsten (de benchmarkgroep) die na aanbesteding werden toegekend centreert zich rond de 30% op zuivere kasbasis (i.e. zonder toewijzing van indirecte kosten). Dit is een erg hoog rendement (zeker ook in vergelijking met de bovengenoemde kapitaalkost), al moet men concluderen dat dit - blijkbaar - een regulier (“normaal”) marktrendement was voor JCDecaux destijds. Men kan zich wel de vraag stellen in hoeverre de rendementen die JCDecaux destijds doorgaans kon verwachten wel representatief zijn voor “de markt” (en/of voor Wall). Gezien de aard van de markt is te verwachten dat een grote, landelijke opererende marktpartij zoals JCDecaux hogere marges kan halen dan kleinere spelers. In die zin zullen de IRRs van JCDecaux wellicht aan de bovenkant van de markt liggen en daarmee niet noodzakelijk volledig representatief zijn voor een bedrijf als Wall destijds.
Hoe dan ook geeft de benchmarkanalyse geen aanleiding om te concluderen dat de Overeenkomst 2003 een bijzonder hoog rendement verschafte aan Wall dat het niet onder normale marktomstandigheden zou kunnen hebben behaald.
Bevindingen m.b.t. Addendum 2009
In 2007 heeft JCDecaux Wall opgevolgd als contractspartij bij de overeenkomst. Het destijds door JCDecaux zelf berekend verwacht rendement (IRR) van het Addendum 2009 bedraagt ongeveer 20.7% op zuivere cash basis. De IRR bedraagt ongeveer 14.5% indien ook een deel van de indirecte kosten (bv. overheadkosten) in rekening worden gebracht.
De kapitaalkost (de WACC) van JCDecaux bedroeg 8.5% in 2009. Bovengenoemde rendementen voor het Addendum liggen hier dus beduidend boven. Het is echter nuttig ook te kijken naar de rendementen die JCDecaux normaal weet te behalen. Het verwacht rendement van vergelijkbare in die periode door JCDecaux afgesloten overeenkomsten na aanbestedingen, centreert zich iets beneden de 30% op zuivere kasbasis. Dit is zoals eerder vermeld een erg hoog rendement, maar reflecteert blijkbaar een regulier (“normaal”) marktrendement voor JCDecaux.
Globaal genomen acht ik de IRR van 20.7% (of 14.5% na aftrek indirecte kosten) om deze reden niet van die aard dat het Addendum 2009 moet worden geacht staatssteun in te houden.
Slotoverweging
Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de Overeenkomst uit 2003 volledig op zichzelf (“stand alone”) moet worden beoordeeld (m.a.w. dat abstractie dient te worden gemaakt van de eerder gesloten contracten), heb ik - mede op vraag van de Gemeente Zwolle - ook een poging ondernomen een corresponderend rendement te berekenen. Deze berekening is vanuit conceptueel oogpunt echter niet evident (hoe immers precies om te gaan met in het verleden gedane investeringen). In deze context kom ik tot een rendement (met inbegrip van indirecte kosten) in 2003 van ongeveer 43%, substantieel hoger dan de waargenomen rendementen in de benchmarkgroep (die al aan de hoge kant zijn). In dit geval zou de conclusie moeten zijn dat het contract staatssteun inhoudt. In 2003 situeerde de totale jaarlijkse marktconforme afdracht zich in die hypothese in de range van EUR [185 000 - 225 000] (excl. BTW), afhankelijk van het precieze marktconforme rendement voor Wall. Een prudente benadering zou erin kunnen bestaan uit te gaan van het middelpunt van deze range, d.w.z. EUR 205 000.
Concluderend wil ik echter nogmaals benadrukken dat deze berekening de Overeenkomst van 2003 en de daaruitvloeiende kasstromen an sich bekijkt en dat deze oefening enkel ter verduidelijking en voor de volledigheid werd opgenomen. Zoals reeds opgemerkt dient het onderzoek zich naar mijn mening toe spitsen op de vraag of er een bijkomend voordeel was.”
2.3.
JCDecaux heeft geen bezwaren geuit tegen de inhoud en de totstandkoming van het rapport. JCDecaux onderschrijft de conclusie van de deskundige dat geen sprake is van staatssteun.
2.4.
De Gemeente heeft bezwaren geuit tegen zowel de inhoud als de totstandkoming van het rapport. Het belangrijkste inhoudelijke bezwaar van de Gemeente ziet erop dat de methode die de deskundige heeft gebruikt om te beoordelen of de overeenkomst al dan niet marktconform is - namelijk door de berekening van het bijkomend voordeel - ten onrechte is toegepast. Ook is volgens de Gemeente de beoordeling door de deskundige op basis daarvan onjuist, dan wel valt daar dusdanig veel op af te dingen dat het deskundigenbericht op dat punt niet gevolgd dient te worden. Wat betreft de totstandkoming van het deskundigenbericht voert de Gemeente aan dat JCDecaux in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld. Tevens is volgens de Gemeente het recht op hoor en wederhoor geschonden, doordat zij tijdens het onderzoek geen toegang heeft gekregen tot alle stukken die de deskundige heeft gebruikt voor het rapport. De conclusie van de Gemeente is dat het deskundigenrapport uitgaande van de stand alone benadering (paragraaf 4.5) voldoende basis biedt om te kunnen oordelen dat de vergoedingen in de Overeenkomst 2003 niet-marktconform zijn. Op basis daarvan dienen de vorderingen van de Gemeente te worden toegewezen tot een bedrag van € 1.769.126,- inclusief indexering over de periode 2012 tot en met 2019.
De beoordeling van het deskundigenrapport
2.5.
Voor de rechter geldt een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Wel dient hij bij de beantwoording van de vraag of hij in zijn beslissing de conclusies waartoe deze deskundige in zijn rapport is gekomen zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. De rechter zal op specifieke bezwaren van een partij moeten ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige (zie onder meer HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921 en HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:279).
2.6.
De bezwaren van de Gemeente zullen hierna per onderwerp worden besproken.
Strijd met hoor en wederhoor
2.7.
De Gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van schending van het recht op hoor en wederhoor, omdat zij niet beschikt over een groot gedeelte van de stukken dat ten grondslag ligt aan het deskundigenbericht, waardoor de Gemeente niet in staat is effectief commentaar te leveren op de deltabenadering van de deskundige.
2.8.
De rechtbank stelt voorop dat het recht op hoor en wederhoor niet het recht inhoudt op onvoorwaardelijke en onbeperkte toegang tot alle bij de rechtbank ingediende gegevens (HvJ EG 14 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:91, Varec). De rechtbank dient te beoordelen in welke mate en op welke wijze de vertrouwelijkheid en het geheime karakter van bepaalde informatie moet worden gewaarborgd, rekening houdend met de vereisten van een effectieve rechtsbescherming en van eerbiediging van het recht van verweer van de procespartijen en met het vereiste dat de procedure op alle onderdelen het recht op een eerlijk proces eerbiedigt. Daarbij zijn de feitelijke situatie en de omstandigheden van het geval van belang.
2.9.
De deskundige heeft opgemerkt dat hij een afweging heeft moeten maken tussen enerzijds het feit dat JCDecaux naar zijn mening terecht bepaalde gegevens en informatie als bedrijfsvertrouwelijk heeft aangemerkt en anderzijds de noodzaak ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk het recht op hoor- en wederhoor wordt gewaarborgd aan de zijde van de Gemeente. De deskundige heeft de rechtbank met dit vraagstuk benaderd. De rechtbank heeft in dat kader bericht dat de beoordeling van de vraag of bepaalde gegevens bedrijfsgevoelige informatie bevatten wordt overgelaten aan de deskundige, mede gelet op zijn expertise. Daarbij heeft de rechtbank tevens duidelijk gemaakt dat voor zover sprake is van bedrijfsgevoelige gegevens, de deskundige dient te waarborgen dat zoveel mogelijk recht wordt gedaan aan het recht op hoor en wederhoor aan de zijde van de Gemeente. De deskundige heeft bij partijen en de rechtbank aangegeven dat hij het van zeer groot belang acht dat hij toegang krijgt tot de interne rendementsberekeningen van de contracten (die naar zijn mening als zeer bedrijfsgevoelig moeten worden bestempeld) en dat hij in dat kader een bespreking met de CFO van JCDecaux noodzakelijk acht. Over de aanwezigheid van de Gemeente bij deze bespreking is vervolgens discussie ontstaan. De rechtbank heeft bij e-mail van 11 juni 2019 partijen en de deskundige in overweging gegeven een financieel adviseur aan de zijde van de Gemeente aanwezig te laten zijn bij de bespreking die de belangen van de gemeente kan waarborgen. Die adviseur dient dan een geheimhoudingsverklaring (NDA) te tekenen waarbij de stukken de betreffende ruimte niet mogen verlaten en geen kopieën mogen worden gemaakt. De adviseur moet wel opmerkingen kunnen maken tijdens het gesprek, waarbij de deskundige de bezwaren moet bespreken en in het rapport verwerken. Ondanks herhaalde pogingen is de Gemeente er kennelijk niet in geslaagd om een adviseur te vinden en dreigde een impasse voor het deskundigenonderzoek. Overigens is niet gesteld of gebleken dat de Gemeente uitstel heeft verzocht van de bespreking om alsnog een geschikte adviseur te vinden. Vervolgens heeft de deskundige zich opnieuw gewend tot de rechtbank en drie verschillende opties voor de voortgang van het onderzoek voorgelegd (e-mail van 8 juli 2019 van de deskundige aan de rechtbank). De eerste optie was om op basis van een door JCDecaux opgestelde tabel met benchmark IRR’s (Internal Rate of Return: berekend verwacht rendement) verder te werken, zonder verificatie van de gegevens. De tweede optie was een schriftelijke procedure, waarbij de Gemeente niet alle stukken zou kunnen inzien. De derde optie was alsnog een bespreking met de CFO van JCDecaux in het bijzijn van de Gemeente en/of haar advocaat, die beiden een NDA zouden tekenen. Zij mogen daarbij notities maken (en meenemen) voor zover daarin geen bedrijfsvertrouwelijke gegevens staan. Dit laat volgens de deskundige een uitgebreidere verificatie van de IRR-berekeningen toe en geeft de Gemeente meer inzicht. De rechtbank heeft de deskundige de instructie gegeven uitvoering te geven aan de derde optie, omdat met deze optie naar het oordeel van de rechtbank het meeste recht wordt gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor (e-mail van 9 juli 2019 van de rechtbank aan de deskundige).
2.10.
De rechtbank stelt vast dat de deskundige op een zorgvuldige wijze heeft beoordeeld welke gegevens als bedrijfsvertrouwelijk moeten worden bestempeld. Hij heeft het terecht van wezenlijk belang geacht dat de Gemeente in het rapport inzicht kan krijgen in de relevante statistische kengetallen met betrekking tot de benchmarkrendementen. Daarbij heeft hij aan partijen kenbaar gemaakt dat hij een niet vertrouwelijke versie zou maken waarin wel de bandbreedtes (minimum, maximum, Q1-Q3 en de “box-plot”) zichtbaar blijven en waar ook de mediaan wordt vermeld. In de versie van het deskundigenrapport voor de Gemeente zijn de figuren 10 tot en met 13 (p. 45 tot en met 48 van het rapport) in die zin aangepast. In appendix 3 is een overzicht van de overeenkomsten uit de benchmarkgroep met IRR-berekening opgenomen en daarin zijn de gegevens looptijd contract, CAPEX en IRR weggelaten met de vermelding [CONF].
2.11.
Op 17 juli 2019 heeft vervolgens voornoemde bespreking met partijen plaatsgevonden, waarbij - na ondertekening van een NDA - de vertrouwelijke versie van de IRR-berekening voor de Overeenkomst 2003 is doorgenomen en beschikbaar gesteld voor de vertegenwoordigers van de Gemeente, hoewel daarvan geen kopieën of aantekeningen mochten worden gemaakt. Tijdens de bespreking is ook inzicht gegeven in enige IRR-berekeningen van de benchmarkgroep, aldus de deskundige. De vertrouwelijke versie van de IRR-berekening is nadien ook door JCDecaux per e-mail beschikbaar gesteld aan de vertegenwoordiger van de Gemeente en haar advocaat. Met de deskundige is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor beschreven aanpak het recht op hoor en wederhoor voldoende waarborgt. Overigens wijst de rechtbank er op dat de deskundige als onafhankelijke deskundige is aangesteld en niet is gebleken dat door op deze wijze te handelen conform de instructies van de rechtbank enig afbreuk is gedaan aan zijn onafhankelijkheid. Hoewel de betreffende gegevens niet volledig in afschrift zijn verstrekt en dus niet door deskundigen aan de zijde van de Gemeente konden worden beoordeeld, is de rechtbank van oordeel dat het verschaffen van inzage aan vertegenwoordigers van de Gemeente in combinatie met de onafhankelijkheid van de deskundige voldoende waarborgen biedt. Overigens heeft De Gemeente ook op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt welke specifieke gegevens zij graag had willen controleren en om welke reden. Dat had wel op haar weg gelegen.
Strijd met goede procesorde
2.12.
De Gemeente wijst er voorts op dat JCDecaux meermaals zou hebben geweigerd om de informatie aan te leveren die door de deskundige is opgevraagd en dat de handelswijze van JCDecaux in strijd is met de goede procesorde.
2.13.
Voor zover de stellingen van de Gemeente zien op het weigeren van het verstrekken van informatie ten aanzien van het bepalen van de zogenaamde stand alone berekening in paragraaf 4.5 van het deskundigenbericht, volgt de rechtbank het bezwaar van de Gemeente. JCDecaux had die informatie moeten verstrekken aan de deskundige en zich niet zonder deugdelijke toelichting die ontbreekt op het standpunt moeten stellen dat “zij deze exercitie niet kan of wil ondernemen”. Deze weigering heeft extra werkzaamheden en daarmee kosten veroorzaakt voor de deskundige. De deskundige heeft voorts moeten werken op basis van schattingen en niet op basis van de feitelijke gegevens waar hij om had gevraagd. De rechtbank ziet hierin aanleiding om bij de proceskostenveroordeling, namelijk bij beoordeling van de mate waarin partijen moeten bijdragen in de deskundigenkosten, rekening te houden met de weigerachtige houding van JCDecaux op dit punt. Voor het overige is niet dan wel onvoldoende gebleken dat JCDecaux onvoldoende zou hebben meegewerkt aan het onderzoek van de deskundige, waardoor vertraging en/of extra werkzaamheden zouden zijn veroorzaakt.
De gekozen benadering wijkt af van vastgestelde feiten en omstandigheden
2.14.
Inhoudelijk voert de Gemeente de volgende bezwaren aan. Volgens de Gemeente heeft de deskundige allereerst geen dan wel onvoldoende acht geslagen op het feitelijk en juridisch kader zoals dat door de rechtbank is vastgesteld in de tussenvonnissen en heeft de deskundige vraag 1 ten onrechte aangepast.
2.15.
De rechtbank stelt voorop dat de deskundige is benoemd om te bepalen welke relevante factoren betrokken moeten worden bij de vraag of sprake is van onrechtmatige staatssteun. Dat komt ook terug in vraag 1: de deskundige wordt verzocht aan te geven welke relevante factoren hij daarbij betrekt en de rechtbank heeft drie factoren genoemd die in ieder geval (doch niet uitsluitend) moeten worden betrokken bij zijn onderzoek: de duur van de overeenkomst, de omstandigheid dat deze geen prijsaanpassingsmogelijkheid bevat en het aantal inwoners van het betrokken exploitatiegebied. Dit laat een bepaalde vrijheid aan de deskundige, omdat hij als deskundig op het gebied van staatssteun bij uitstek kan beoordelen welke factoren relevant zijn. Daarbij is de deskundige gestuit op het feit dat naar zijn mening de contractuele voorgeschiedenis vanuit economisch oogpunt als een relevant feit moet worden gezien bij de totstandkoming (en de uitkomst) van de Overeenkomst 2003 en het Addendum 2009. De onderhandelingsmogelijkheden van beide partijen werden volgens hem in grote mate bepaald door de bestaande en nog lopende overeenkomsten uit 1990. Ten tijde van de totstandkoming van de Overeenkomst 2003 hadden bedoelde overeenkomsten nog een resterende looptijd van tien jaar. Er was volgens de deskundige voor JCDecaux geen reden om nadeligere voorwaarden te accepteren dan die reeds vervat waren in de overeenkomst uit 1990. De deskundige heeft de rechtbank hierover geraadpleegd, waarbij de rechtbank (per e-mail van 17 december 2018) heeft laten weten dat indien de eerdere overeenkomsten een relevante factor zijn bij de beantwoording van de vragen van de rechtbank, hij dat kan meenemen in het onderzoek. Ook in die zin heeft de deskundige binnen de kaders van het onderzoek gehandeld. Dat de rechtbank in de tussenvonnissen de overeenkomsten uit 1990 niet heeft benoemd als relevante factor en partijen dat ook niet hebben gedaan, doet aan het voorgaande niet af. Het gaat er immers om welke factoren van belang zijn en de deskundige heeft voldoende onderbouwd dat deze factor van (groot) belang is en op welke wijze dit naar zijn mening een rol zou moeten spelen in zijn onderzoek.
2.16.
De rechtbank volgt de Gemeente niet in haar stelling dat de deskundige vraag 1 zou hebben aangepast dan wel buiten het onderzoekskader zou zijn getreden. De vraag van de rechtbank is het uitgangspunt op basis waarvan de deskundige zijn onderzoek dient uit te voeren. Indien hij vanuit zijn expertise meent dat de beantwoording van de vraag dient te geschieden - althans de door hem gekozen benadering het meest recht doet aan de te beantwoorden onderzoeksvraag - door het bijkomend voordeel (dat wil zeggen het eventuele aanvullende voordeel dat JCDecaux heeft verkregen door middel van de Overeenkomst 2003 en exclusief het eventuele verkregen voordeel door middel van de overeenkomsten uit 1990) te berekenen en dat deugdelijk onderbouwt, voldoet de deskundige aan zijn opdracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deskundige voldoende onderbouwd dat en waarom hij de beantwoording van de vraag van de rechtbank op deze manier heeft ingevuld. Hij heeft in zijn onderzoek geconstateerd dat de context van de onderhandelingen (en daarmee de uitkomst van die onderhandelingen) in sterke mate werd bepaald door de bestaande overeenkomsten uit de jaren 1990. De alternatieve optie, die doorgaans bepalend is voor de onderhandelingsmarges voor beide partijen, was om de overeenkomsten uit de jaren 1990 uit te zitten. De rechtbank volgt de deskundige bijgevolg in zijn benaderingswijze dat de overeenkomsten uit de jaren 1990 als gegeven moeten worden beschouwd en dat de vraag of de Overeenkomst 2003 staatssteun inhield kan worden herleid tot de vraag of deze overeenkomst een bijkomend voordeel verleende aan JCDecaux dat niet als marktconform kan worden beschouwd. Dit geldt op dezelfde wijze voor het Addendum 2009. De deskundige heeft in dit kader ook nog verwezen naar een vergelijkbare benadering door de Europese Commissie in de zaak SA. 14093 (voetnoot 49 van het deskundigenrapport, p. 24).
2.17.
Voorts heeft de Gemeente aangevoerd dat de Overeenkomst 2003 een nieuwe overeenkomst is die op zichzelf moet worden beoordeeld. Mede onder verwijzing naar het voorgaande volgt de rechtbank de Gemeente hierin niet. De deskundige heeft terecht betoogd dat voor de staatssteunanalyse de economische realiteit in 2003 bepalend is en niet de juridische vraag of de Overeenkomst 2003 een voortzetting is van de overeenkomsten van 1990. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het exposé van de Gemeente over de (juridische) verschillen tussen de overeenkomsten, omdat dit voor de staatssteunanalyse niet relevant is. Relevant is de context waarin de onderhandelingen hebben plaatsgevonden, waaronder de (markt)omstandigheden die er onder meer uit bestonden dat partijen reeds overeenkomsten hadden gesloten op dit gebied. Die bestaande overeenkomsten vormden het startpunt van de onderhandelingen. Verder wijst de Gemeente in dit kader op r.o. 4.3.4.7. van het tussenvonnis van 14 maart 2018, waarin onder meer is opgenomen: “Gesteld noch gebleken is dat JCDecaux destijds niet bereid was om (toentertijd) marktconforme tarieven - wat die ook moge zijn en ongeacht of de door de Gemeente gevorderde bedragen daarmee corresponderen - te betalen voor exploitatierechten en dat zij dat met betrekking tot andere vergelijkbare contracten niet ook deed”. Deze overwegingen zien evenwel op de vraag of de Overeenkomst 2003 partieel of geheel zou moeten worden vernietigd voor het geval onrechtmatige staatssteun zou worden geconstateerd en hebben geen betrekking op de vraag welke factoren relevant zijn bij de beoordeling van de vraag naar marktconforme vergoedingen (de staatssteunanalyse).
2.18.
De Gemeente beroept zich verder op kanttekeningen die de deskundige bij zijn aanpak heeft gemaakt. Een daarvan is dat men zich de vraag kan stellen of de overeenkomsten uit de jaren 1990 zelf wel marktconform waren, gerekend vanuit het perspectief van hun totstandkoming. De rechtbank volgt de deskundige in zijn vaststelling dat deze vraag buiten het bestek van de onderzoeksvraag van de rechtbank valt, en daarnaast, tevens buiten de rechtsvraag die is voorgelegd. Bovendien deelt de rechtbank de visie dat het “schier onmogelijk” is om bijna 30 jaar na dato een staatssteunanalyse toe te passen op de overeenkomsten uit 1990. Overigens heeft de deskundige - zo begrijpt de rechtbank - ook geen aanknopingspunten gevonden voor onrechtmatige staatssteun met betrekking tot de contracten van 1990. De tweede kanttekening (dat de Overeenkomst 2003 als een volledig nieuw contract zou moeten worden aangemerkt) is hiervoor reeds besproken. Voor een goede staatssteunanalyse in deze kwestie zijn de contracten van 1990 wel degelijk van belang. De rechtbank sluit aan bij de gekozen benadering van de deskundige (heeft de Overeenkomst 2003 een bijkomend voordeel verleend aan de onderneming in kwestie, de zogenaamde deltabenadering). Hij heeft voldoende onderbouwd dat deze benadering de meest geschikte is om de vraag of sprake is van onrechtmatige staatssteun te beoordelen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de deskundige erop heeft gewezen dat wanneer de eerder gedane investeringen (vóór 2003) niet mee worden genomen in de IRR-berekening, maar wel de resulterende opbrengsten, dat dan een incorrecte IRR (artificieel hoog) wordt verkregen.
2.19.
De Gemeente heeft voorts gesteld dat het deskundigenverslag enkel is gebaseerd op gegevens van JCDecaux en dat er geen rekening is gehouden met de markt, zodat niet gecontroleerd kan worden of de conclusies ten aanzien van de deltabenadering correct zijn. Deze constatering is echter inherent aan de door de deskundige gekozen benadering. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor is vermeld over de deltabenadering.
Berekeningen in deskundigenrapport
2.20.
De verdere bezwaren van de Gemeente zien op de berekeningen van de deskundige van onder meer de IRR en de WACC (Weighted Average Cost of Capital: gewogen gemiddelde kosten van kapitaal).
2.21.
Voor zover de Gemeente zich op het standpunt stelt dat zij berekeningen niet heeft kunnen controleren, omdat zij niet over de onderliggende gegevens en/of berekeningen beschikt, waardoor het recht op hoor en wederhoor zou zijn geschonden, verwijst de rechtbank naar hetgeen hierover is overwogen onder r.o. 2.10 en 2.11.
2.22.
Volgens de Gemeente had de deskundige in zijn berekening uit moeten gaan van IRR’s zonder indirecte kosten. De deskundige neemt hier tegenstrijdige standpunten over in, aldus de Gemeente.
2.23.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deskundige voldoende toegelicht dat en waarom vanuit zijn expertise op dit gebied de indirecte kosten bij de onderhavige berekening moeten worden meegenomen. Daarbij heeft hij overwogen dat beide IRR’s (met en zonder toewijzing van indirecte kosten) voor de analyse van de Overeenkomst 2003 van belang zijn. De IRR zonder toewijzing van indirecte kosten vormt de “zuivere” IRR op kasbasis die ook het best kan worden vergeleken met de IRR’s in de benchmarkgroep. De IRR met toewijzing van indirecte kosten neemt ook in ogenschouw dat voor een speler als Wall het contract met Zwolle vrij substantieel was en de indirecte kosten gedekt moeten worden, aldus de deskundige. Deze laatstgenoemde IRR (dus met toewijzing indirecte kosten) is volgens de deskundige echter uiteindelijk bepalend bij de staatsteunanalyse. Volgens hem kan deze analyse moeilijk verricht worden zonder ook de indirecte kosten in ogenschouw te nemen. Als het bedrijf op al zijn contracten slechts een rendement op kasbasis mag behalen dat precies gelijk is aan de kapitaalkost, zou het per saldo verlies maken (omdat het geen van haar indirecte kosten zou kunnen dekken). De rechtbank sluit zich hierbij aan.
2.24.
De opmerking van de deskundige dat sprake moet zijn van een “excessief voordeel” is volgens de Gemeente niet van belang en zou volgens haar geen rol moeten spelen in deze procedure. De rechtbank overweegt daarover dat de deskundige het gebruik van de term “excessief voordeel” nader had kunnen toelichten, maar hij heeft dat niet gedaan. Wat daar ook van zij, bij de uiteindelijke conclusie constateert de deskundige dat de Overeenkomst 2003 geen bijzonder hoog rendement verschafte aan Wall dat zij niet onder normale marktomstandigheden zou kunnen hebben behaald. Met andere woorden (zie reactie van de deskundige van 18 december 2019 op de akte uitlating van de Gemeente van 16 november 2019) kunnen de contractuele voorwaarden van de Overeenkomst 2003 als marktconform worden beschouwd. De rechtbank wijst er ook op dat de WACC van Wall volgens de deskundige 10-12% bedroeg in 2003 en dat dit vergelijkbaar is met het berekende rendement van 10,1 % met indirecte kostenallocatie; geen excessief financieel voordeel is in dat kader een understatement te noemen.
2.25.
Voorts heeft de deskundige volgens de Gemeente ten onrechte rekening gehouden met een hurdle rate (WACC plus hurdle premium, zijnde een extra marge op de WACC die bedrijven soms inbouwen voordat zij tot investeren bereid zijn). Dit bezwaar gaat niet op. De deskundige heeft voldoende toegelicht dat hij de hurdle rate heeft onderzocht om de marktconformiteit van de rendementen nader te beoordelen (in plaats van deze rendementen “klakkeloos” te aanvaarden, aldus de deskundige, p. 83 van het verslag). Bovendien heeft hij daarbij een voorzichtige conservatieve benadering gekozen.
2.26.
De opmerkingen van de Gemeente over de benchmarking van het rendement zien op de eerder besproken invulling van het onderzoek door de deskundige, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat en verwijst naar de overwegingen die hiervoor zijn weergegeven. Hetzelfde geldt voor de opmerkingen over directe benchmarking op basis van vergoeding. Daarvoor verwijst de deskundige naar zijn bespreking van het NABB rapport. De directe vergelijkbaarheid van de verschillende contracten lijkt de deskundige in deze context problematisch. De hoogte van de afdrachten is volgens hem erg afhankelijk van de individuele omstandigheden en kan moeilijk los worden gezien van het geheel aan verwachte kosten en opbrengsten van het betreffende contract. De IRR-methode is iets minder gevoelig voor dit probleem. De IRR fungeert volgens de deskundige als een “summary indicator” die het geheel aan opbrengsten en kosten samenbalt. Gelet op de expertise van de deskundige sluit de rechtbank zich hierbij aan.
2.27.
Ten aanzien van de stellingen van de Gemeente dat (de berekeningen voor) de deltabenadering uitgaat van verkeerde uitgangspunten, overweegt de rechtbank als volgt. Het model dat de deskundige heeft gebruikt om de IRR-berekeningen te maken (het bedrijfsplan) is qua structuur en opzet de manier waarop JCDecaux tegenwoordig IRR-berekeningen maakt. Dit is volgens de Gemeente niet te rijmen met het uitgangspunt dat de beoordeling van de marktconformiteit moet plaatsvinden naar het moment van totstandkoming van de Overeenkomst 2003. Met de deskundige is de rechtbank van oordeel dat het gaat om de gebruikte “ingrediënten” uit het model, die een ex ante perspectief moeten hebben. De deskundige heeft voldoende toegelicht dat dat het geval is. Het voorbeeld dat de Gemeente in dat kader heeft gegeven, te weten dat kosten ad € 26.000,00 voor advertenties/campagnes die gemaakt zijn door JCDecaux in 2008 ex ante zouden zijn meegenomen in de berekeningen (p. 27 van de akte van de Gemeente en p. 20 van het deskundigenbericht) kan de rechtbank niet volgen. Deze kosten worden ter illustratie genoemd in het kader van de evaluatie van de bevindingen van het NABB-rapport (namelijk dat niet duidelijk is of NABB bepaalde kosten heeft meegenomen in haar berekeningen) en niet gesteld of gebleken is dat deze kosten onderdeel hebben uitgemaakt van de berekeningen door de deskundige.
2.28.
Voorts heeft de deskundige voldoende toegelicht dat alle kasstromen die sowieso zouden optreden als gevolg van de contracten uit de jaren 1990 als gegeven worden beschouwd, omdat dit inherent is aan de gekozen deltabenadering. Dat daarmee de benadering niet consequent zou zijn toegepast, zoals de Gemeente heeft gesteld, is onvoldoende gebleken. Voorts heeft de deskundige in reactie op de stellingen van de Gemeente afdoende toegelicht dat bij de IRR-berekening moet worden uitgegaan van de netto-omzet en niet van de bruto-omzet, omdat het gaat om de kasstroom die JCDecaux “overhoudt” aan de inkomstenzijde.
Evaluatie NABB-rapport door de deskundige
2.29.
De Gemeente heeft voorts als bezwaar naar voren gebracht dat de deskundige onnodig het NABB-rapport heeft geëvalueerd, waardoor volgens haar de deskundige onnodig extra tijd heeft besteed en extra kosten heeft gemaakt.
2.30.
In r.o. 4.1.2.13 van het tussenvonnis van 14 maart 2018 heeft de rechtbank overwogen dat de deskundige kennis moet nemen van het dossier en in het bijzonder (naast de overeenkomsten van 2003 en 2009) van het NABB-rapport, de vragen van JCDecaux aan NABB en de antwoorden van NABB daarop. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat hij kritisch moet beoordelen welke informatie hij daaruit bruikbaar acht voor zijn onderzoek. Gelet op die aanwijzing heeft de deskundige juist gehandeld door het rapport te bespreken, zodat hij indien mogelijk gegevens van dat onderzoek kon gebruiken voor zijn eigen onderzoek.
Conclusie en kosten
2.31.
De rechtbank neemt gelet op het vorenstaande de bevindingen van de deskundige over en maakt deze tot de hare. De rechtbank concludeert dat voor wat betreft de Overeenkomst 2003 en het Addendum 2009 geen sprake is van onrechtmatige staatssteun en dat de vorderingen van de Gemeente om die reden moeten worden afgewezen.
2.32.
De Gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van JCDecaux worden begroot op:
- griffierecht € 3.894,00
- salaris advocaat 19.280,00 (5,0 punten × tarief € 3.856,00)
Totaal € 23.174,00.
Kosten deskundige - loonbeslissing
2.33.
Over de deskundigenkosten waarvan de Gemeente het voorschot heeft betaald, oordeelt de rechtbank als volgt.
2.34.
In het tussenvonnis van 18 juli 2018 heeft de rechtbank het voorschot voor de kosten van de deskundige bepaald op € 60.000,00 inclusief btw, waarna dit voorschot op verzoek van de deskundige bij rolbeslissing van 5 juni 2019 is verhoogd met € 60.500,00 inclusief btw en bij rolbeslissing van 2 oktober 2019 met € 28.134,00 inclusief btw. In totaal is derhalve een voorschot van € 148.634,00 in rekening gebracht bij de Gemeente. De deskundige heeft bij zijn deskundigenrapport zijn definitieve declaratie ingediend van € 147.414,23 inclusief btw (€ 123.877,50 exclusief btw).
2.35.
De rechtbank heeft de zaak vervolgens in de rolbeslissing van 2 oktober 2019 naar de rol verwezen voor uitlating partijen over de declaratie van de deskundige.
2.36.
In de rolbeslissing van 13 november 2019 heeft de rechtbank gelet op de processuele en inhoudelijke bezwaren van de Gemeente tegen het deskundigenrapport de beslissing over het loon aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak en de deskundige om een reactie gevraagd op de bezwaren van de Gemeente. De deskundige heeft daaraan gehoor gegeven. De bezwaren van de Gemeente zijn weergegeven in de rolbeslissing van 13 november 2019 en luiden als volgt:
a. Er is sprake van een overlap in de verrichte werkzaamheden van de deskundige en van B. Boone, die ook aan het onderzoek heeft meegewerkt, terwijl de rechtbank één deskundige heeft benoemd;
b. Een hoog uurtarief van € 545,00 inclusief btw met een hoog aantal bestede uren van 186 van de deskundige is niet met elkaar in verhouding, hetgeen ook geldt voor het uurtarief van € 240,00 en aantal uren (204) van B. Boone;
c. Zonder een vraag daartoe is het NABB-rapport in het onderzoek betrokken, hetgeen extra tijd en kosten heeft meegebracht;
d. Het deskundigenrapport is grotendeels nog niet volledig bruikbaar omdat de economische benadering van de deskundige is gebaseerd op een onjuist juridisch en feitelijk kader, waarop de Gemeente de deskundige eerder heeft gewezen;
e. De deskundige heeft niet vraag 1 van de rechtbank - wat zijn marktconforme vergoedingen? - beantwoord maar wel een andere vraag;
f. De deskundige heeft eerder aangegeven dat met een verhoging van het voorschot op de kosten met € 60.500,00 inclusief btw de bovengrens van de kosten was bereikt, behoudens onvoorziene zaken, waarvan de Gemeente echter geen sprake acht;
g. De deskundige heeft nagelaten om in te gaan op opmerkingen en verzoeken
van de Gemeente ten aanzien van het conceptrapport.
2.37.
De bezwaren van de Gemeente ten aanzien van onderdelen c tot en met e zijn reeds in het bovenstaande besproken. De overige bezwaren zal de rechtbank hierna bespreken.
2.38.
Ten aanzien van de bezwaren onder a en b overweegt de rechtbank dat de deskundige terecht heeft opgemerkt dat hij reeds in de begroting bij zijn benoeming heeft aangekondigd dat hij zou worden bijgestaan door een junior/senior econoom, alsook door een corporate finance specialist met de bijbehorende tarieven. Ook bij de twee aanpassingen van het budget is de deskundige hierin transparant geweest. De rechtbank deelt de mening van de deskundige dat het gebruikelijk is dat er assistentie wordt verleend door medewerkers met een lager tarief, zeker in complexe en omvangrijke zaken als de onderhavige. Dit maakt het ook mogelijk om de kosten enigszins te beperken. Bovendien maakt de complexiteit van het onderzoek en de omvang van het deskundigenbericht en de contacten met partijen over diverse onderwerpen dat de kosten omvangrijk zijn. De deskundige heeft zijn kosten overigens deugdelijk gespecificeerd en voor een deel zijn de kosten door E.CA Economics voor eigen rekening genomen (21,9 %). Dit alles maakt dat deze bezwaren van de Gemeente ongegrond zijn.
2.39.
Het bezwaar onder f. treft evenmin doel. De deskundige heeft voldoende toegelicht dat de totale kosten voor werkuren onverwacht hoger bleken uit te vallen dan hij aanvullend had begroot. Om die reden heeft de deskundige op 4 september 2019 alsnog gevraagd om een verhoging van het voorschot. Dit had betrekking op de diverse interacties over de vertrouwelijkheid van de bedrijfsgegevens, een onjuiste interpretatie van het standpunt van de Gemeente daarover en het verwerken van het omvangrijke commentaar van partijen op het concept rapport.
2.40.
De rechtbank verwerpt ten slotte het bezwaar onder g. Dat de brief van de Gemeente van 13 september 2019 met daarin haar reactie op het ontwerp-deskundigenbericht niet aan het deskundigenbericht is gehecht is weliswaar een omissie, maar duidelijk is dat de deskundige daar wel op heeft gereageerd in appendix 6 bij het rapport. Hetzelfde geldt overigens voor de reactie van JCDecaux op het rapport. Bovendien hebben partijen zelf hun brieven in het geding gebracht, zodat de rechtbank daarvan heeft kunnen kennisnemen. Ten aanzien van het ontbreken van berekeningen gelden allereerst de overwegingen met betrekking tot de vertrouwelijkheid. Voorts heeft de deskundige voldoende toegelicht dat hij de noodzakelijke gegevens voor zover mogelijk aan de Gemeente heeft verstrekt.
2.41.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat de kosten die gemaakt zijn voor het opstellen van de rapportage voor vergoeding in aanmerking komen. Het in de eindnota opgevoerde bedrag is, gelet op het onderwerp van het geschil en de wijze waarop de rapportage tot stand is gekomen, niet als bovenmatig te beschouwen.
2.42.
De vaststelling van het loon en de kosten van de deskundige op € 147.414,23 inclusief btw betekent dat de Gemeente een bedrag van € 1.219,77 teveel heeft betaald aan voorschot. Dat bedrag zal aan haar worden teruggestort. Voor het resterende bedrag van € 147.414,23 zal de griffier worden opgedragen dit bedrag te doen overmaken naar de deskundige.
2.43.
Gelet op hetgeen de rechtbank onder r.o. 2.13 heeft overwogen, dient een deel van de kosten voor rekening van JCDecaux te komen wegens het niet meewerken aan vragen van de deskundige. Aangezien dit onderwerp (namelijk de stand alone berekening in paragraaf 4.5 van het deskundigenbericht) een beperkt onderdeel uitmaakt van het onderzoek van de deskundige, ziet de rechtbank aanleiding om genoemd door JCDecaux te betalen deel vast te stellen op 10% van de kosten. Dit betreft een bedrag van € 14.741,42. Dit bedrag zal in mindering worden gebracht op de toe te wijzen proceskosten, zodat een bedrag van (€ 23.174,00 -/- € 14.741,42 =) € 8.432,58 resteert.
2.44.
De nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
2.45.
De rechters Willemse en Van Berlo, ten overstaan van wie de pleidooien mede zijn gehouden en die de vonnissen van 14 maart 2018 en 18 juli 2018 mede hebben gewezen, hebben dit vonnis niet kunnen wijzen in verband met een benoeming elders c.q. het niet meer werkzaam zijn binnen dit team.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen af,
3.2.
veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, aan de zijde van JCDecaux tot op heden begroot op (€ 23.174,00 -/- € 14.741,42 =) € 8.432,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.3.
begroot de kosten en het loon van de deskundige op € 147.414,23 inclusief BTW,
3.4.
verstaat dat de griffier ervoor zorgdraagt dat het onder 3.3 genoemde bedrag ten laste van het gestorte voorschot aan de deskundige wordt betaald en dat het resterende bedrag van het voorschot ad € 1.219,77 wordt betaald aan de Gemeente,
3.5.
veroordeelt de Gemeente in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Gemeente niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
3.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek, mr. T.R. Hidma en mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2020. (SG)1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑02‑2020
Uitspraak 18‑07‑2018
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis II. Benoeming deskundige na uitlating partijen in zaak over onrechtmatige staatssteun (artikel 107 VWEU). Beoordeling verjaringsverweer op grond van artikel 3:308 BW. De vordering tot betaling van het nog niet betaalde deel van de marktconforme vergoedingen tot en met 2011 is verjaard. Verenigbaar met het Unierecht.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rolnummer: C/08/197942 / HA ZA 17-74
Vonnis van 18 juli 2018
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE ZWOLLE,
zetelend te Zwolle,
eiseres,
advocaat mr. E. Belhadj te Zwolle,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JCDECAUX NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. J.F. van Nouhuys te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de Gemeente en JCDecaux genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 14 maart 2018
- -
de akte uitlating deskundige van de Gemeente
- -
de akte uitlating deskundigenrapportage tevens houdende akte uitlating vorderingen en verjaring van JCDecaux
- -
de antwoordakte uitlating vorderingen en verjaring van de Gemeente.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Staatssteun - deskundige
2.1.1.
In het tussenvonnis van 14 maart 2018 (r.o. 4.1.2.11 e.v.) heeft de rechtbank overwogen dat zij het nodig acht een deskundigenbericht te gelasten om te kunnen vaststellen of sprake is van een door de Gemeente aan JCDecaux verschaft voordeel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU en, zo ja, wat de omvang daarvan is. In het tussenvonnis zijn tevens de vragen geformuleerd die de rechtbank voornemens is aan de deskundige voor te leggen en de uitgangspunten uiteengezet die de te benoemen deskundige bij de beantwoording van de aan hem te stellen vragen in acht dient te nemen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over (de persoon van) de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
Persoon
2.1.2.
De Gemeente is van mening dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige die deskundig en ervaren is op het gebied van staatssteun. Zij stelt het bureau E.CA Economics te Brussel (hierna: E.CA) voor, dat volgens de Gemeente ervaring heeft op het gebied van economisch onderzoek in staatssteunzaken. JCDecaux is van mening dat (tenminste) twee deskundigen moeten worden benoemd waarvan de één (1) in staat is zorgvuldig en onafhankelijk economisch en financieel onderzoek te verrichten en de ander (2) kennis heeft van de markt (buitenreclame) ten tijde van het sluiten van de Overeenkomst in 2003 en het Addendum in 2009. Zij stelt voor onderdeel (1) bureau SEO voor dan wel als alternatief bureau EconoVision en voor onderdeel (2) Frank de Leeuw, werkzaam bij JCDecaux van 1987 tot 1999 en bij CBS Outdoor (een concurrent van JCDecaux) van 2004 tot 2011.
2.1.3.
De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de deskundige een econoom moet zijn die beschikt over kennis op het gebied van staatssteun. Partijen zijn het er ook over eens dat een econoom met kennis van zowel staatssteun als (in het bijzonder) de markt voor exploitatie van reclameobjecten/straatmeubilair in de openbare ruimte niet te vinden is. Het verdient in verband met een efficiënt en slagvaardig verloop van het deskundigenonderzoek en vanuit kostenoogpunt evenwel de voorkeur om één deskundige te benoemen die in staat is het onderzoek zoveel mogelijk zelfstandig uit te voeren. Alleen de Gemeente heeft een bureau en aldaar werkzame personen voorgedragen die blijkens het door haar gestelde specifiek beschikken over staatssteunkennis en -ervaring, namelijk E.CA en de aldaar als economen werkzame personen Vincent Verouden en Theon van Dijk. Verouden heeft desverzocht aangegeven dat hij over de voor deze zaak gewenste staatssteunexpertise beschikt en dat zijn specifieke relevante expertise ligt op het vlak van het toepassen van het ‘Market Economy Investor Principle’ (het beginsel van de investeerder (handelend) in een markteconomie) dat centraal staat in staatssteunzaken. Verouden heeft ook te kennen gegeven bereid te zijn het onderzoek te verrichten en vrij te staan ten aanzien van partijen.
2.1.4.
JCDecaux heeft bezwaren geuit tegen de benoeming van E.CA (Verouden). Zo wijst JCDecaux erop dat E.CA geen ervaring heeft met buitenreclame. Verouden heeft evenwel bevestigd dat, zoals ook door de Gemeente is gesteld, hij in staat is om onderzoek te verrichten in verschillende sectoren waar hij geen directe/recente ervaring mee heeft – waaronder dus ook de buitenreclamemarkt – en dat dit ook niet ongebruikelijk is in de branche, aangezien veel van de relevante thema’s en technieken (zoals benchmarking-methodes en rendementsanalyse) tamelijk generiek/sectoronafhankelijk zijn.
JCDecaux stelt daarnaast dat E.CA als buitenlandse partij veel minder geschikt is om een goed oordeel te vellen over een Nederlandse overeenkomst in de specifieke Nederlandse marktsituatie en dat de verhouding met een buitenlandse deskundige onnodig complex is gelet op het toepasselijke recht en de verhaalsmogelijkheden bij eventuele problemen. Zonder nadere onderbouwing valt echter niet in te zien dat Verouden vanwege de vestigingsplaats van E.CA in Brussel niet of minder geschikt is om onderzoek te verrichten naar de Nederlandse markt, nog daargelaten dat hij, zoals de Gemeente heeft gesteld, Nederlands is. Ook ziet de rechtbank niet in dat de verhouding met een buitenlandse deskundige complex is en, al aangenomen dat dat zo is, dan is dat naar het oordeel van de rechtbank geen reden om deze deskundige niet te benoemen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat partijen geen andere deskundige hebben voorgedragen van wie zij hebben gesteld dat die de gewenste staatssteunexpertise bezit. De slotsom is dat de bezwaren van JCDecaux worden verworpen.
2.1.5.
De rechtbank zal dan ook overgaan tot benoeming van Verouden als deskundige.
Vragen
2.1.6.
De rechtbank heeft kennis genomen van hetgeen partijen met betrekking tot de aan de deskundige te stellen vragen in hun aktes na het tussenvonnis naar voren hebben gebracht en overweegt ten aanzien daarvan als volgt.
2.1.7.
De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat het inwoneraantal van het betrokken exploitatiegebied een relevante factor is voor het onderzoek. Deze factor zal derhalve aan de vraagstelling worden toegevoegd. Aangezien de overwegingen in het tussenvonnis van 14 maart 2018 reeds een (uitvoerige) beschrijving van het toepasselijk juridisch kader inzake staatssteun bevatten, welk tussenvonnis als onderdeel van het procesdossier aan de deskundige ter beschikking zal worden gesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit juridisch kader verder in de vraagstelling te verwerken. De rechtbank volgt de Gemeente niet in de door haar voorgestelde vraag die kort gezegd betrekking heeft op welk bedrag de Gemeente, in geval sprake is van niet-marktconforme vergoedingen, moet terugvorderen. Daarover dienen partijen zich zelf (te zijner tijd) uit te laten.
2.1.8.
JCDecaux stelt dat de deskundige moet worden gevraagd wat de hoogte was van het resterende voordeel op het moment van de overname van Wall in 2007. Volgens JCDecaux was zij in ieder geval vanaf die overname niet (meer) in staat om met dat voordeel de mededinging op de interne markt (te dreigen) te vervalsen omdat dat voordeel via de overnameprijs was weggevloeid naar de voormalige eigenaren van Wall.
2.1.9.
De rechtbank neemt de door JCDecaux voorgestelde vraag niet over. Zoals in het tussenvonnis van 14 maart 2018 reeds is overwogen gaat het bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘voordeel’ om het directe voordeel en niet het eventuele economische profijt dat de begunstigde heeft gerealiseerd. Indien sprake is van een voordeel verleend aan een onderneming, actief in een sector waar concurrentie plaatsvindt (of kan plaatsvinden), heeft dat volgens vaste rechtspraak tot gevolg dat deze onderneming in een gunstiger mededingingspositie wordt geplaatst, zodat moet worden aangenomen dat sprake is van een (potentiële) verstoring van de mededinging (o.a. GvEA 15 juni 2000, zaken T-298/97 e.a., ECLI:EU:T:2000:151, Alzetta; HvJEU 24 juli 2003, zaak C-280/00, ECLI:EU:C:2003:415, Altmark Trans). De door JCDecaux gestelde omstandigheid dat zij het voordeel heeft ‘doorgelegd’ aan Wall is een commerciële beslissing van JCDecaux geweest die in dit verband geen rol speelt. De rechtbank constateert overigens dat JCDecaux de rechtbank niet (uitdrukkelijk) verzoekt om terug te komen van een beslissing op dit punt. Het is de rechtbank gelet op het voorgaande overigens ook niet gebleken dat enige beslissing van haar in dit verband berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Er bestaat dan ook geen reden om over te gaan tot heroverweging.
2.1.10.
In de overige suggesties van partijen ziet de rechtbank geen aanleiding tot aanpassing van de vraagstelling. Met inachtneming van één en ander zullen de in de beslissing vermelde vragen aan de deskundige worden voorgelegd.
Termijn
2.1.11.
De rechtbank heeft de deskundige voorafgaand aan het wijzen van dit vonnis gevraagd op welke termijn de deskundige een conceptrapport gereed denkt te kunnen hebben. Aan de hand daarvan is de onder de beslissing vermelde termijn bepaald.
Voorschot
2.1.12.
De deskundige heeft desgevraagd aangegeven dat hij de kosten van het onderzoek begroot op een bedrag tussen € 42.500,00 en € 56.000,00 exclusief btw op basis van de volgende uurtarieven exclusief btw: € 495,00 (Verouden: 64-80 uur), € 280,00 (junior/senior econoom: 32-40 uur) en € 420,00 (corporate finance specialist: 8-16 uur). De begroting bedraagt derhalve € 51.425,00 respectievelijk € 67.760,00 inclusief 21% btw. Op basis hiervan zal de rechtbank het voorschot op de kosten vooralsnog vaststellen op € 60.000,00 (het afgeronde gemiddelde van de begrote bedragen inclusief btw). Partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de hoogte van dit voorschot, zoals in de beslissing is vermeld. Indien partijen tijdig bezwaar maken, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke beslissing.
2.1.13.
In het tussenvonnis van 14 maart 2018 is al aangekondigd dat de Gemeente het voorschot op de kosten van de deskundige moet deponeren.
Medewerkingsplicht
2.1.14.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.1.15.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.
2.2.
Verjaring
2.2.1.
In het tussenvonnis van 14 maart 2018 heeft de rechtbank – veronderstellende dat sprake is van onrechtmatige staatssteun – geoordeeld dat partiële nietigverklaring van de Overeenkomst en conversie naar marktconforme tarieven leidt tot herstel van de eventueel verstoorde mededingingssituatie zonder dat een andere minder bezwarende wijze om dat herstel te bewerkstelligen voorhanden is. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de grondslag(en) van de vordering(en) die de Gemeente als gevolg van de partiële nietigheid en conversie jegens JCDecaux kan instellen, de eventuele toepasselijkheid van een verjaringstermijn en, zo ja, welke, de gevolgen daarvan voor de vorderingen van de Gemeente (in de onderhavige procedure) en de vraag of het Europese recht in de weg staat aan de toepassing van enige verjaringstermijn.
2.2.2.
Volledigheidshalve wordt opnieuw benadrukt dat bij het navolgende veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van onrechtmatige staatssteun die moet worden teruggevorderd, zulks uitsluitend ten behoeve van de beoordeling van het verjaringsverweer en zonder dat sprake is van een beslissing op dit punt gelet op het daarvoor noodzakelijk geachte deskundigenbericht.
Partiële nietigheid en conversie; klachtplicht
2.2.3.
JCDecaux heeft behalve over de door de rechtbank genoemde onderwerpen ook stellingen betrokken over andere onderwerpen in haar akte. De Gemeente is van mening dat die stellingen ter zijde moeten worden gesteld, aangezien de aktes van partijen beperkt dienden te zijn tot de in het tussenvonnis genoemde onderwerpen. De Gemeente heeft evenwel voldoende gelegenheid gehad om op de stellingen van JCDecaux te reageren zodat zij niet in haar belangen is geschaad. De rechtbank zal dan ook ingaan op de door JCDecaux aangevoerde punten.
2.2.4.
JCDecaux geeft aan zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat het gevolg van de eventuele vaststelling dat sprake is van onrechtmatige staatssteun zou bestaan uit partiële nietigheid en conversie, omdat zij onbegrijpelijk acht de overweging dat het voorzetten van de Overeenkomst met daarin een gewijzigde afdracht de voorkeur heeft boven het beëindigen, omdat bij beëindiging JCDecaux in haar investeringsbelangen wordt getroffen. JCDecaux heeft zich niet op dit standpunt gesteld, aldus zijzelf.
2.2.5.
De rechtbank constateert dat JCDecaux de rechtbank niet (uitdrukkelijk) verzoekt om terug te komen van een beslissing op dit punt. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de beslissing dat – kort gezegd – partiële nietigheid en conversie de minst bezwarende wijze is om de mededingingssituatie te herstellen berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in dit verband (onder meer) afgewogen wat de minst bezwarende wijze van herstel is in het kader van het deel van de Overeenkomst dat nog moet worden uitgevoerd: inperking van de exploitatierechten of verhoging van de vergoedingen. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat, zoals tussen partijen is komen vast te staan, JCDecaux investeringen heeft gedaan ten behoeve van de exploitatierechten zoals die thans in de Overeenkomst en het Addendum zijn opgenomen. De rechtbank leidt daaruit logischerwijs af dat deze investeringen zijn afgestemd op de volledige duur – en dus inclusief het nog uit te voeren deel – van de Overeenkomst. Van een onjuiste feitelijke grondslag is dus geen sprake. Overigens heeft JCDecaux haar stelling ter zitting dat zij onevenredig hard getroffen zou worden wanneer zij de gewijzigde Overeenkomst zou moeten voortzetten niet onderbouwd. Daarbij komt dat geen sprake is van door de Gemeente eenzijdig vastgestelde condities zoals JCDecaux ten onrechte stelt, aangezien de gewijzigde vergoedingen door de rechtbank – met inachtneming van het advies van de deskundige – zullen worden vastgesteld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om over te gaan tot heroverweging.
2.2.6.
Het verweer van JCDecaux dat de Gemeente haar klachtplicht zoals bedoeld in artikel 6:89 BW heeft geschonden, wordt als tardief verworpen. JCDecaux heeft dit verweer pas voor het eerst bij haar akte na het tussenvonnis naar voren gebracht. De rechtbank acht zulks in strijd met de goede procesorde aangezien JCDecaux daartoe (meerdere malen) eerder in de gelegenheid was, zoals bij conclusie van antwoord, conclusie van dupliek en pleidooi.
Grondslag van de terugvordering
2.2.7.
JCDecaux stelt dat de Gemeente als gevolg van de (veronderstelde) wijziging van de Overeenkomst (en/of het Addendum) een vordering tot herstel van een tekortkoming verkrijgt. Uit de stellingen van de Gemeente leidt de rechtbank af dat de Gemeente het mogelijk acht dat zij een vordering tot nakoming dan wel een vordering tot herstel van een tekortkoming verkrijgt.
2.2.8.
De rechtbank overweegt als volgt. De exploitatievergoedingen zijn ingevolge artikel 3 van de Overeenkomst jaarlijks opeisbaar en verschuldigd door JCDecaux. Indien één of meerdere van de vergoedingen opgenomen in de Overeenkomst en/of het Addendum worden vervangen door hogere vergoedingen (als gevolg van de partiële nietigheid en conversie van de vergoedingsbepalingen), heeft JCDecaux alsdan slechts deels voldaan aan haar betalingsverplichtingen. De Gemeente heeft dan nog recht op betaling van het resterende openstaande deel van de vergoedingen per periode (dat is het verleende voordeel). Er is dus sprake van rechtsvorderingen tot betaling van bedragen die bij het jaar (of een kortere termijn) moeten worden betaald – kort gezegd: periodiek verschuldigde bedragen – in de zin van artikel 3:308 BW. Daarvan zal worden uitgegaan.
Termijn, aanvang en stuiting
2.2.9.
JCDecaux stelt dat de verjaringstermijn is gestart telkens vanaf het moment dat de Gemeente een factuur had mogen sturen aan JCDecaux (voor het verhoogde deel van de vergoeding(en)) voor het voorafgaande kwartaal. De Gemeente heeft de verjaring volgens JCDecaux pas gestuit bij dagvaarding. De Gemeente voert primair aan dat zij pas na conversie van de Overeenkomst op de hoogte zal raken van de bedragen die zij in rekening had moeten brengen, zodat de aanvang van de verjaringstermijn nog in de toekomst ligt. Subsidiair stelt zij dat de termijn in 2016 is aangevangen, toen haar bekend werd dat zij steun had verleend (en nog steeds verleent). Meer subsidiair is de Gemeente van mening dat de termijn elk jaar opnieuw start/is gestart, aangezien de steun elk jaar opnieuw verleend is/wordt. De Gemeente verwijst voorts naar een brief van JCDecaux aan de Gemeente van 1 maart 2016 waaruit zou blijken dat de Gemeente JCDecaux heeft ingelicht over het NABB-rapport. De Gemeente lijkt hiermee te willen zeggen dat daarmee de verjaring is gestuit. Zij voegt daaraan toe dat de verjaring in ieder geval is gestuit bij dagvaarding.
2.2.10.
Een vordering tot betaling van periodiek verschuldigde bedragen verjaart ingevolge artikel 3:308 BW door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De bepalingen in de Overeenkomst en/of het Addendum die niet-marktconforme vergoedingen bevatten zijn van rechtswege nietig in de zin van artikel 3:40 lid 2 BW – aangezien artikel 108 lid 3 VWEU (het staatssteunverbod) daartoe (in dit geval) strekt – en worden ingevolge artikel 3:42 BW van rechtswege geconverteerd in geldige bepalingen met marktconforme vergoedingen. Daarvoor is dus niet, zoals de Gemeente ten onrechte stelt, een uitspraak van de rechtbank noodzakelijk. De nietigheid en conversie werken ex tunc. De nietige bepalingen zijn nooit rechtsgeldig geweest en de conversie heeft tot gevolg dat de wel geldige bepalingen vanaf het moment van het aangaan van de rechtshandelingen tussen partijen hebben gegolden.
2.2.11.
Uit het voorgaande volgt dat (zowel het reeds betaalde als het nog niet betaalde deel van) de marktconforme vergoedingen ingevolge artikel 3 van de Overeenkomst vanaf het aangaan van de Overeenkomst in 2003 respectievelijk het Addendum in 2009 jaarlijks (dat wil zeggen na afloop van elk kalenderjaar en dus op 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar) verschuldigd en derhalve opeisbaar zijn geworden. De verjaringstermijn is mitsdien telkens de dag erna (dus op 2 januari van elk kalenderjaar) aangevangen.
2.2.12.
De rechtbank is verder van oordeel dat de Gemeente de verjaring voor het eerst bij dagvaarding d.d. 7 februari 2017 heeft gestuit. Uit de door de Gemeente aangehaalde brief van 1 maart 2016, waarvan overigens niet de Gemeente maar JCDecaux de afzender is, blijkt namelijk niet dat de Gemeente zich, op welke wijze dan ook, jegens JCDecaux (ondubbelzinnig) het recht op nakoming heeft voorbehouden.
Verhouding tot Europees recht
2.2.13.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of de verjaringstermijn van artikel 3:308 BW in de weg staat aan de volle werking van het Europese recht, in dit geval de verplichting tot ongedaanmaking van staatssteunverlening. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de verjaringstermijn buiten toepassing worden gelaten. JCDecaux is van mening dat geen sprake is van strijd met het Europese recht. Volgens de Gemeente is dat wel het geval.
2.2.14.
De rechtbank stelt voorop dat het volgens vaste Europese rechtspraak een aangelegenheid van het nationale recht van elke lidstaat is om de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (het gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (het doeltreffendheidsbeginsel) (o.a. HvJEU 16 december 1976, zaak 33-76, ECLI:EU:C:1976:188, Rewe-Zentral).
2.2.15.
Volgens vaste Europese rechtspraak is de vaststelling (en toepassing) van een redelijke vervaltermijn in het belang van de rechtszekerheid verenigbaar met het gemeenschapsrecht, thans het Unierecht (o.a. HvJEU 17 november 1998, zaak C-228/96, ECLI:EU:C:1998:544, Aprile, en de daarin genoemde rechtspraak). Naar het oordeel van de rechtbank geldt dat ook in het onderhavige geval voor de toepassing van artikel 3:308 BW. Deze verjaringstermijn geldt binnen het Nederlandse nationale recht gelijkelijk voor alle rechtsvorderingen tot betaling van periodiek verschuldigde bedragen en kan derhalve niet worden geacht in strijd te zijn met het gelijkwaardigheidsbeginsel. De termijn maakt voorts de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk. De verjaringstermijn heeft de Gemeente immers niet belemmerd in het kennen en het uitoefenen van de door haar aan het staatssteunverbod ontleende vorderingen tot terugbetaling van verleende steun. De termijn stond of staat haar niet in de weg die vorderingen op enig moment gedurende de periode dat zij steun heeft verleend (of: nog steeds verleent) en gedurende de vijf jaar daarna geldend te maken. De rechtbank acht een termijn van vijf jaar tot slot niet onredelijk. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het HvJEU heeft overwogen – en in latere rechtspraak meermaals heeft herhaald – dat een nationale vervaltermijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag van de (in die zaak centraal staande) betwiste betaling, redelijk lijkt (HvJEU 15 september 1998, zaak C-231/96, ECLI:EU:C:1998:401, Edis).
2.2.16.
De door de Gemeente gemaakte vergelijking met de zaak die heeft geleid tot het arrest van het HvJEU van 11 november 2015 in zaak C-505/14 (ECLI:EU:C:2015:742, Klausner Holz) gaat niet op. Die zaak had betrekking op een nationale rechterlijke beslissing met gezag van gewijsde die, wanneer deze niet buiten toepassing zou worden gelaten, partijen in staat zou stellen de staatssteunregels te omzeilen en de staatssteun gedurende meerdere jaren verder uit te voeren. Het HvJEU achtte dit een zo ernstige belemmering van de effectieve toepassing van het Unierecht dat die niet gerechtvaardigd werd door de beginselen van gezag van gewijsde of rechtszekerheid. Van een dergelijke ernstige belemmering is gelet op het hiervoor overwogene in onderhavige kwestie geen sprake.
2.2.17.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de toepassing van de verjaringstermijn van artikel 3:308 BW in onderhavige zaak verenigbaar is met het Unierecht.
Conclusie
2.2.18.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de (veronderstelde) vorderingen van de Gemeente tot betaling van het nog niet betaalde deel van de marktconforme vergoedingen die (jaarlijks) verschuldigd zijn gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar over de periode (van 2003 respectievelijk 2009) tot en met 2011 zijn verjaard. Immers, de vordering over het jaar 2011 is opeisbaar geworden op 1 januari 2012, waarna de verjaringstermijn is gestart op 2 januari 2012. Vijf jaar later (2 januari 2017) was de verjaring nog niet gestuit. De vorderingen met betrekking tot de jaren 2013 en daarna zijn niet verjaard. Partijen zullen te zijner tijd bij akte na deskundigenbericht in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de gevolgen van deze overwegingen voor de hoogte van de vordering van de Gemeente in de onderhavige procedure.
2.3.
Vervolg procedure
2.3.1.
De rechtbank zal overgaan tot benoeming van Verouden tot deskundige. In afwachting daarvan zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Wat zijn marktconforme vergoedingen voor de in de Overeenkomst bepaalde exploitatierechten, berekend naar het moment van de totstandkoming van de Overeenkomst, dat wil zeggen voor wat betreft de exploitatierechten onder de overeenkomst uit 2003 op (of omstreeks) 20 augustus 2003 en voor wat betreft de exploitatierechten onder het Addendum op (of omstreeks) 1 april 2009, beoordeeld op basis van het criterium ‘voordeel’ als bedoeld in artikel 107 lid 1 VWEU? U wordt verzocht daarbij aan te geven:
- welke relevante factoren (voor de marktafbakening) u daarbij betrekt, waaronder in ieder geval (doch niet per definitie uitsluitend) de duur van de Overeenkomst, de omstandigheid dat deze geen prijsaanpassingsmogelijkheid bevat en het aantal inwoners van het betrokken exploitatiegebied;
- welke berekeningsmethoden u hanteert;
- welke berekeningen u maakt.
2. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
3.2.
benoemt tot deskundige:
de heer Vincent Verouden, verbonden aan E.CA Economics,
correspondentie-/bezoekadres: Louizalaan 222, B-1050 Brussel,
telefoon: 0032 – 28 08 46 98 / 0032 – 468 253 559,
emailadres: verouden@e-ca.com,
het voorschot
3.3.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vooralsnog vast op een bedrag van € 60.000,00 inclusief btw,
3.4.
partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de hoogte van dit voorschot,
3.5.
indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op voormeld bedrag; indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal daarover worden geoordeeld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,
3.6.
bepaalt dat de Gemeente het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
3.7.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
3.8.
bepaalt dat de griffier het procesdossier in afschrift aan de deskundige zal doen toekomen,
3.9.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
3.10.
wijst de deskundige er op dat:
- -
de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
- -
de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,
- -
de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
3.11.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
3.12.
draagt de deskundige op om uiterlijk vijf maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
3.13.
wijst de deskundige er op dat:
- -
uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- -
de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
3.14.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
3.15.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Willemse, mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek en mr. M. van Berlo en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑07‑2018
type:coll:
Uitspraak 14‑03‑2018
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Artikel 107 VWEU, onrechtmatige staatssteun, voordeel, deskundigenonderzoek. Verweren inzake misbruik van bevoegdheid, misbruik van recht en gerechtvaardigd vertrouwen verworpen. Overeenkomst mogelijk (in geval van staatssteun) partieel nietig. Verjaringsverweer, toepasselijkheid verjaringstermijn, verhouding tot Europees recht, uitlating partijen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rolnummer: C/08/197942 / HA ZA 17-74
Vonnis van 14 maart 2018
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE ZWOLLE,
zetelend te Zwolle,
eiseres,
advocaat mr. E. Belhadj te Zwolle,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JCDECAUX NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. J.F. van Nouhuys te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de Gemeente en JCDecaux genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding
- -
de conclusie van antwoord
- -
de conclusie van repliek
- -
de conclusie van dupliek tevens houdende akte overlegging producties
- -
de antwoordakte uitlating producties van de Gemeente
- -
de akte houdende overlegging producties van de Gemeente
- -
de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
De Gemeente en Wall Nederland B.V. (hierna: Wall) hebben op 20 augustus 2003 een overeenkomst gesloten, uit hoofde waarvan Wall het alleenrecht heeft verkregen om reclameobjecten te exploiteren in de vorm van straatmeubilair in de openbare ruimte van de Gemeente voor de duur van 20 jaar. Het op grond van de overeenkomst te exploiteren straatmeubilair bestaat uit 154 abri’s (bushokjes), 13 billboards, 11 reclamevitrinekasten (‘stadsinfo’s’) en 3 litfasszuilen. Voor de billboards, stadsinfo’s en litfasszuilen is JCDecaux een jaarlijkse vergoeding verschuldigd. Voor de abri’s is geen afdrachtplicht bepaald.
2.2.
In de overeenkomst uit 2003 is bepaald:
“Artikel 1 Aard van de overeenkomst
De gemeente verleent Wall het alleenrecht om voorzieningen met eventueel daarin aangebrachte reclameaffiches met een oppervlakte tussen de 2,00 en 9,00 m² te plaatsen in de openbare ruimte binnen de grenzen van de gemeente Zwolle.
(…)
Artikel 3 Vergoeding
1. Wall is voor de exploitatie van 13 Wall-Windows® met 27 commerciële vlakken en 8 vlakken t.b.v. de evenementenkalender aan de gemeente jaarlijks een vergoeding voor 15 vlakken verschuldigd, zijnde € 2.000,-- (incl. BTW) per vlak, derhalve een totaalbedrag van € 30.000,-- (incl. BTW). De resterende 12 vlakken dienen ter compensatie van de investering en het onderhoud van 19 reclamevrije abri’s (9 abri’s uit het zogenoemde spitsbussenproject en 10 abri’s t.b.v. Stadshagen en Hessenpoort).
2. Voor de exploitatie van 3 grootformaat Litfasszuilen is Wall jaarlijks een bedrag van € 2.000,-- (incl. BTW) per jaar verschuldigd.
3. Voor de exploitatie van 31 vlakken op stadsinfo’s en litfasszuilen is Wall vanaf de datum van de verwijdering van het toilet zijnde 1 november 2002, per vol kalenderjaar tot 1 januari 2014 een bedrag verschuldigd van minimaal € 7.750,-- (incl. BTW). Met ingang van 1 januari 2014 is Wall per vol kalenderjaar een bedrag verschuldigd van minimaal € 15.500,-- (incl. BTW).
4. De vergoeding voor de in artikel 3, lid 1, 2 en 3 genoemde reclamedragers zal met ingang van het 2e jaar en vervolgens jaarlijks worden aangepast volgens het CBS prijsindexcijfer reeks werknemersgezinnen laag.
5. De vergoeding wordt niet aangepast als de aanpassing zou leiden tot een lagere vergoeding dan de laatst geldende.
6. Indien het CBS de bekendmaking van genoemd prijsindexcijfer staakt of de basis van de berekening daarvan wijzigt, zal een zoveel mogelijk vergelijkbaar indexcijfer worden gehanteerd. Bij verschil van mening hieromtrent kan door de meest gerede partij aan de directeur van het CBS een uitspraak worden gevraagd die voor partijen bindend is. De eventueel hieraan verbonden kosten worden door partijen elk voor de helft gedragen.
7. De vergoeding dient per kwartaal achteraf door Wall te worden voldaan na ontvangst van de desbetreffende factuur, waarop de vergoeding en de verschuldigde BTW gesplitst zullen worden weergegeven.
8. Indien Wall de vergoeding, vermeld in dit artikel, niet volledig en/of niet tijdig betaalt, zal Wall in gebreke zijn – zonder dat enige aanmaning en/of ingebrekestelling wordt vereist – door het enkele verloop van de betalingstermijn en zal Wall aan de gemeente de wettelijke rente verschuldigd zijn vanaf de dag van het in gebreke zijn tot aan de dag van de algehele voldoening.”
2.3.
In 2007 heeft JCDecaux, als gevolg van een overname, Wall opgevolgd als contractspartij bij de overeenkomst uit 2003.
2.4.
Op 1 april 2009 zijn partijen een addendum op voornoemde overeenkomst uit 2003 overeengekomen, betreffende de plaatsing van een openbaar toilet, 12 (extra) stadsinfo’s en een RO-zuil (hierna: het Addendum). In het Addendum zijn geen vergoedingen bepaald. De overeenkomst uit 2003 en het Addendum worden hierna tezamen genoemd: de Overeenkomst.
2.5.
De Gemeente heeft onderzoek laten verrichten door het Nationaal Adviesbureau Buitenreclame (NABB) naar de vraag of in de Overeenkomst tarieven zijn opgenomen die marktconform zijn. Het NABB heeft van dit onderzoek een rapport opgemaakt d.d. 2 september 2016. In dit rapport is het volgende vermeld:
“5. Conclusies van de bevindingen
Vraag 1 van de gemeente Zwolle
Wat was de waarde van het contract voor de exploitant aan de hand van de brutowinst in 2003 en in 2009 (en in 2015/2016)?
Antwoord
Uitkomst onderzoek: het contract, rekening houdend met de looptijd van 20 jaar, levert de exploitant in totaal ongeveer € 11,5 miljoen brutowinst (na afdracht) op.
De totale winst exclusief afdracht over de looptijd van 20 jaar is ongeveer 12,3 miljoen bruto.
- -
In 2003 heeft de overeenkomst Wall een brutowinst opgeleverd van ongeveer € 441.627 (na afdracht), zie bijlage 5.
- -
In 2009 hebben de overeenkomst en het addendum JCDecaux een brutowinst opgeleverd van ongeveer € 451.854 (na afdracht), zie bijlage 6.
- -
In 2015 hebben de overeenkomst en het addendum JCDecaux een brutowinst opgeleverd van ongeveer € 707.257 (na afdracht), zie bijlage 7.
Vraag 2 van de gemeente Zwolle
Wat was een marktconforme afdracht voor het contract die in resp. 2003 en 2009 (en in 2015/2016) door de exploitant en de gemeente afgesproken had moeten worden in verband met de exploitatierechten van de reclamevakken?
Antwoord
Het is in Nederland vanaf het jaar 2000 gebruikelijk dat (in ieder geval) aan gemeenten met meer dan 100.000 inwoners een vergoeding door exploitanten, zoals JCDecaux, voor de exploitatie van reclame in abri’s/stadsinfo’s/zuilen/toilet/billboards in de openbare ruimte wordt betaald.
(…)
Dat de gemeente Zwolle vanaf 2003 geen vergoeding voor de reclame-exploitatie op abri’s in de openbare ruimte ontvangt, is dan ook niet-marktconform.
De geïndexeerde vergoeding die in artikel 3 van de overeenkomst is afgesproken voor de overige reclamevoorzieningen (stadsinfo’s, zuilen, toilet en billboards) is ook niet-marktconform omdat deze te laag is.
De marktconforme afdracht voor het contract kan worden berekend aan de hand van de afdrachten aan vergelijkbare gemeenten (bijlage 4, 11) en aan de hand van schattingen van de omzet- en brutowinstcijfers van de exploitanten aan de hand van gepubliceerde data (bijlage 8, 9 en 10). (…)
Een marktconforme afdracht voor het contract, die in resp. 2003 en 2009 (en in 2015/2016) door de exploitant en de gemeente afgesproken had moeten worden in verband met de exploitatierechten van de reclamevakken, kan op grond van beide berekeningen (…) worden vastgesteld op een bedrag van:
- -
in 2003 € 202.000 (€ 199.850 + € 205.000) / 2
- -
in 2009 € 259.000 (€ 294.500 + € 223.965) / 2
- -
in 2015 € 298.000 (€ 346.000 + € 249.576) / 2
(…)
6. Bevindingen
(…)
De hoogte van de afdracht wordt naast het formaat tevens bepaald door de volgende factoren:
- -
commerciële interesse van exploitanten (…)
- -
investeringscapaciteit (…)
- -
duur van de concessie (…)
- -
Marktsituatie (…)”
3. Het geschil
3.1.
De Gemeente vordert, samengevat:
- -
te verklaren voor recht dat sprake is van een onrechtmatige steunmaatregel op het punt van de overeengekomen tarieven en/of daar waar geen betaling van een vergoeding is overeengekomen in de Overeenkomst;
- -
JCDecaux te veroordelen tot betaling van een vergoeding van (primair) € 2.570.000,00 over de periode 2003-2016, dan wel (subsidiair) € 2.418.000,00 over de periode 2007-2016, dan wel (meer subsidiair) een door de rechtbank te bepalen vergoeding vermeerderd met rente volgens EU-Verordening 794/2004;
- -
de overeenkomst uit 2003, voor zover mogelijk met terugwerkende kracht tot (primair) 1 januari 2003 dan wel (subsidiair) 1 januari 2007, partieel te vernietigen dan wel te wijzigen op grond van strijd met de wet dan wel op grond van onvoorziene omstandigheden dan wel op grond van de redelijkheid en billijkheid, door artikel 3, leden 1 tot en met 4, te vernietigen dan wel buiten werking te stellen en te vervangen, zodanig dat geen sprake meer is van strijd met het verbod op verlening van onrechtmatige staatssteun, waartoe de Overeenkomst qua tarifering moet worden aangepast, (primair en subsidiair) zodat artikel 3, leden 1 tot en met 4 komen te luiden:
- 1.
De exploitant is voor de exploitatie van een 2m2 reclamevak een jaarlijkse vergoeding van (primair) € 350,- dan wel (subsidiair) € 500,- exclusief btw, per reclamevak verschuldigd aan de gemeente. Voor de exploitatie van een 8m2 reclamevak is de exploitant een jaarlijkse vergoeding van (primair) € 3.500,- dan wel (subsidiair) € 5.000,- exclusief btw, per reclamevak verschuldigd aan de gemeente.
- 2.
Voor het vaststellen van de jaarlijkse vergoeding wordt uitgegaan van de reclamevakken die op 1 januari van enig jaar in Zwolle aanwezig zijn.
- 3.
De vergoeding per reclamevak wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de CPI-index maand juli voorafgaand aan de aanpassingsdatum, zulks voor het eerst op (primair) 1 januari 2004 dan wel (subsidiair) 1 januari 2008.
- 4.
Het bepaalde in de vorige leden is ook van toepassing op addenda bij deze overeenkomst, ook indien daar geen vergoeding is afgesproken, tenzij in addenda expliciet wordt afgeweken van deze bepaling.
dan wel (meer subsidair) door daarin door de rechtbank te bepalen marktconforme tarieven op te nemen vanaf een door de rechtbank te bepalen datum;
- -
JCDecaux te veroordelen tot betaling aan de Gemeente van hetgeen JCDecaux volgens de aangepaste tarieven aan de Gemeente verschuldigd zal zijn vanaf 1 januari 2017, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
- -
JCDecaux te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
De Gemeente stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat in het kader van de Overeenkomst sprake is van onrechtmatige steunverlening door haar aan JCDecaux. JCDecaux heeft volgens de Gemeente aldus voordeel genoten dat moet worden teruggevorderd. Daarnaast dient de Overeenkomst te worden aangepast zodat wordt voorkomen dat JCDecaux in de toekomst voordeel geniet.
3.3.
JCDecaux voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring althans afwijzing van de vorderingen. Zij voert daartoe – kort samengevat – onder meer aan dat de Overeenkomst geen onrechtmatige staatssteun oplevert, dat sprake is van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht door de Gemeente, dat JCDecaux gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat volgens de Gemeente geen sprake was van staatssteun en dat de vorderingen zijn verjaard.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
Staatssteun
4.1.1.
Standpunten partijen
4.1.1.1. Volgens de Gemeente levert de Overeenkomst steunverlening aan JCDecaux op omdat de op grond daarvan geldende vergoedingen voor het exploitatierecht, zowel individueel als in samenhang bezien, veel lager zijn dan de vergoedingen die de Gemeente had kunnen en moeten verlangen als zij zich had opgesteld als een private exploitant. Dit geldt volgens de Gemeente in het bijzonder voor het exploitatierecht van de abri’s waarvoor JCDecaux geen vergoeding betaalt. Daarbij komt dat de Overeenkomst een duur heeft van 20 jaar en geen bepaling inzake tariefaanpassing bevat, hetgeen naar de mening van de Gemeente niet marktconform is. Verder stelt zij dat zij ten tijde van de overname van Wall door JCDecaux in 2007 ten onrechte heeft nagelaten over de overeenkomst uit 2003 te heronderhandelen.
4.1.1.2. De Gemeente is van mening dat zij de volgende (marktconforme) jaarlijkse totaalvergoedingen had moeten bedingen:
- -
vanaf 2003: € 202.000,00 per jaar;
- -
vanaf 2009: € 259,000,00 per jaar;
- -
vanaf 2015: € 298.000,00 per jaar.
4.1.1.3. Het voordeel dat aldus aan JCDecaux is verstrekt bedraagt volgens de Gemeente in de periode van 2003 tot en met 2016 in totaal € 2.570.000,00, althans – indien 2007, het jaar waarin JCDecaux Wall overnam, als uitgangspunt wordt genomen – € 2.418.000,00. Daarnaast heeft JCDecaux ook in 2017 voordeel verkregen en zal zij bij ongewijzigde instandhouding van de Overeenkomst nog tot 2023 voordeel verkrijgen.
4.1.1.4. Ter onderbouwing van haar stellingen verwijst de Gemeente naar het NABB-onderzoek. Hieruit volgt volgens de Gemeente dat de vergoedingen uit de Overeenkomst (veel) lager zijn dan de vergoedingen die worden betaald door JCDecaux en diens concurrenten in vergelijkbare gemeenten.
4.1.1.5. JCDecaux stelt zich op het standpunt dat zij geen voordeel in de zin van de staatssteunregels heeft verkregen. Zij voert daartoe in de eerste plaats aan dat zij voor de aandelen van Wall een marktconforme prijs heeft betaald van € 47.145.000,00, circa 15 keer de EBITDA (een maatstaf voor brutowinst). In die koopprijs was het rendement op het contract tussen de Gemeente en Wall verdisconteerd, waardoor het vermeende voordeel terecht is gekomen bij de voormalige aandeelhouders van Wall, aldus JCDecaux.
4.1.1.6. Ook wijst JCDecaux erop dat de exploitatierechten haar slechts een kans op voordeel bieden en dat haar inkomsten het resultaat zijn van haar eigen investeringen en inspanningen. Zo heeft zij een pakket opgebouwd dat haar in staat stelt adverteerders aantrekkelijke aanbiedingen te doen. De vruchten van haar investeringen en inspanningen kunnen niet worden aangemerkt als voordeel, aldus JCDecaux.
4.1.1.7. JCDecaux betwist verder dat de overeengekomen vergoedingen niet marktconform zijn. Zij meent dat NABB in het rapport ten onrechte de suggestie wekt dat enkel op basis van het aantal inwoners van een gemeente een minimale, marktconforme afdracht kan worden bepaald en dat bepaalde relevante factoren die van invloed zijn op de hoogte van marktconforme vergoedingen niet zijn meegewogen. Het is volgens JCDecaux overigens überhaupt onmogelijk om marktconforme vergoedingen vast te stellen. Verder hanteert NABB in de visie van JCDecaux onjuiste uitgangspunten (zoals dat een afdracht aan gemeenten met meer dan 100.000 inwoners vanaf 2000 gebruikelijk is), maakt NABB onjuiste berekeningen (zoals de berekening van de brutowinst van Wall en de jaarlijkse kosten) en heeft NABB geen rekening gehouden met bepaalde relevante omstandigheden (zoals de marktdip in 2003 en het pakket van JCDecaux). Ter verdere onderbouwing van haar stellingen verwijst JCDecaux naar vragen die zij heeft gesteld aan NABB en de antwoorden van NABB daarop.
4.1.2.
Beoordeling
4.1.2.1. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 108 lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verplicht de lidstaten van de EU om voorgenomen steunmaatregelen vóór de uitvoering daarvan aan de Europese Commissie (EC) te melden. Totdat de steunmaatregel is gemeld en de EC haar eindoordeel heeft vastgesteld, mag de lidstaat in kwestie de voorgenomen maatregel niet ten uitvoer leggen (opschortingsverplichting). Het staat vast dat de Overeenkomst niet is gemeld bij de EC. Voorts is gesteld noch gebleken dat een (vrijstellings)grond van toepassing is op basis waarvan de Overeenkomst niet behoefde te worden aangemeld. Indien en voor zover de Overeenkomst staatssteun behelst, dan is deze dus onrechtmatig verleend.
4.1.2.2. Ingevolge artikel 107 lid 1 VWEU kwalificeert een maatregel als staatssteun indien deze:
- -
(i) door de staat is toegekend of met staatsmiddelen is bekostigd,
- -
(ii) een voordeel verschaft,
- -
(iii) aan één of meerdere ondernemingen,
- -
(iv) alleen voor (een) bepaalde onderneming(en) geldt (selectiviteitseis), en
- -
(v) het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig beïnvloedt en de mededinging op de interne markt vervalst of dreigt te vervalsen.
Alleen indien aan alle criteria is voldaan, is sprake van een staatssteunmaatregel.
4.1.2.3. Aan criteria (i), (iii) en (iv) is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Daartoe acht de rechtbank van belang het volgende:
- -
(i) staatsmiddelen omvatten alle overheidsmiddelen waaronder middelen van decentrale overheden zoals de Gemeente;
- -
(iii) JCDecaux, althans haar rechtsvoorganger Wall, exploiteert reclameobjecten/ straatmeubilair in de openbare ruimte, verricht zodoende een economische activiteit en kwalificeert aldus naar vaste rechtspraak als onderneming (HvJEU 23 april 1991, zaak C-41/90, ECLI:EU:C:1991:161, Höfner, r.o. 21);
- -
(iv) de Overeenkomst geldt enkel tussen partijen en betreft mitsdien geen algemene economische maatregel die openstaat voor alle marktspelers.
4.1.2.4. Ook aan criteria (v) is voldaan. JCDecaux heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de markt voor exploitatie van reclameobjecten/straatmeubilair in de openbare ruimte (van de Gemeente) open staat en reeds ten tijde van de totstandkoming van de Overeenkomst open stond voor concurrentie door ondernemingen in andere lidstaten van de EU en dat een aan JCDecaux/Wall verstrekt voordeel marktpenetratie door die ondernemingen (heeft) bemoeilijkt.
4.1.2.5. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op criterium (ii), namelijk de vraag of een voordeel aan JCDecaux is verschaft dat zij niet via de normale commerciële weg (de markt) zou hebben verkregen. Daarbij zij bedacht dat voordeel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU niet enkel positieve prestaties bestrijkt, zoals het verstrekken van een subsidie, maar ook maatregelen die de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor van gelijke aard zijn en tot identieke gevolgen leiden (HvJEU 15 maart 1994, zaak C-387/92, ECLI:EU:C:1994:100, Banco Exterior de España SA v Ayuntamiento de Valencia, r.o. 13). De tegenprestatie voor het verkrijgen van een exploitatierecht moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een dergelijke last. Vervolgens moet worden beoordeeld of de Gemeente marktconform, als ware zij een ‘private investeerder’, heeft gehandeld bij het verstrekken van de exploitatierechten aan JCDecaux. Bepalend daarvoor is of een private investeerder die qua omvang vergelijkbaar is met de Gemeente in soortgelijke omstandigheden bereid zou zijn geweest de Overeenkomst te sluiten.
4.1.2.6. Vooropgesteld wordt dat de Overeenkomst tot stand is gekomen op basis van bilaterale onderhandelingen tussen partijen en dus niet op basis van een (concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke) inschrijvingsprocedure in de zin van nr. 84 (ii) van de Mededeling van de EC betreffende het begrip „staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (2016/C 262/01). Evenmin kan worden gesproken van totstandkoming ‘pari passu’ (op voet van gelijkheid) in de zin van nr. 84 (i) van voornoemde Mededeling, zoals JCDecaux ten onrechte stelt. Er is immers geen sprake van een transactie op dezelfde voorwaarden (en dus met dezelfde risico- en beloningsgraad) voor overheidsinstanties en particuliere marktdeelnemers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, alleen al aangezien de Gemeente beschikt over de openbare ruimte, hetgeen niet geldt voor particuliere marktdeelnemers. Gelet op dit één en ander kan op voorhand niet worden uitgesloten dat de overeengekomen vergoedingen niet-marktconform zijn.
4.1.2.7. De rechtbank overweegt voorts dat de overname van Wall door JCDecaux in 2007 niet de conclusie met zich brengt dat JCDecaux niet kan worden aangemerkt als begunstigde. Al aangenomen dat JCDecaux het (eventuele) voordeel ten tijde van de overname heeft ‘doorgegeven’ aan Wall via de koopprijs van de aandelen en dat zij dat voordeel daarna nog zelf terug moest verdienen en er per saldo dus niet zelf van profiteert, dan is dat niet relevant voor de beoordeling of een voordeel (direct) is verschaft aan JCDecaux. Ook het (eventuele) voordeel verschaft aan Wall voorafgaand aan de overname moet worden geacht te zijn verschaft aan JCDecaux als de rechtsopvolger van Wall.
4.1.2.8. Daarnaast kan voorshands niet worden gezegd dat de omstandigheden dat de exploitant zelf inspanningen moet verrichten om daaruit omzet (en winst) te genereren en dat de hoogte van de omzet (en winst) afhangt van die inspanningen – hetgeen inherent is aan een exploitatierecht – maken dat geen sprake kan zijn van (niet-marktconform) voordeel. Wel is juist dat gunstige ontwikkelingen tijdens de uitvoering van de Overeenkomst niet bepalend zijn voor het oordeel of deze marktconform is. Zulks moet immers worden beoordeeld naar het moment van de totstandkoming. Voor wat betreft de overeenkomst uit 2003 ligt derhalve het ijkpunt op (of omstreeks) 20 augustus 2003 en voor wat betreft het Addendum op (of omstreeks) 1 april 2009.
4.1.2.9. Ook wordt verworpen de stelling van JCDecaux dat het achteraf niet mogelijk is om marktconforme vergoedingen vast te stellen omdat deze te subjectief zouden zijn en afhankelijk van teveel variabelen. Gesteld noch gebleken is dat niet alle relevante factoren, ongeacht de hoeveelheid en de complexiteit daarvan, kunnen worden bepaald en meegewogen. Dat er voorts een bepaalde mate van subjectiviteit gemoeid is met het bepalen van de waarde van exploitatierechten is inherent aan ondernemen en geldt voor (vrijwel) alle branches. Dit maakt niet dat geen marktconforme tarieven (al dan niet in de vorm van gemiddelden) kunnen worden vastgesteld. Dat de hoogte van een marktconforme vergoeding (sterk) fluctueert, brengt dat evenmin met zich. Uit geen van de door JCDecaux gestelde omstandigheden blijkt dat er (redelijkerwijs) geen marktconformiteitstoets mogelijk is. Zo is bijvoorbeeld gesteld noch gebleken dat concurrentie ontbrak op de betrokken markt voor exploitatie van reclameobjecten/straatmeubilair in de openbare ruimte ten tijde van het sluiten van de Overeenkomst.
4.1.2.10. Voor de in de overeenkomst uit 2003 opgenomen billboards, stadsinfo’s en litfasszuilen is JCDecaux een jaarlijkse vergoeding verschuldigd. Voor de abri’s en de in het Addendum uit 2009 opgenomen reclameobjecten is geen afdracht bepaald. De Gemeente heeft gemotiveerd gesteld, onder verwijzing naar het NABB-rapport, dat JCDecaux op basis van deze afspraken minder afdraagt dan zij op basis van marktconforme afspraken zou moeten afdragen. JCDecaux heeft de uitgangspunten van het NABB-rapport en daarmee de daarop gebaseerde stellingen van de Gemeente gemotiveerd weersproken.
4.1.2.11. De aangevoerde feiten en omstandigheden bieden gezien de uiteenlopende stellingen van partijen hierover onvoldoende aanknopingspunten om op dit moment vast te stellen of sprake is van een door de Gemeente aan JCDecaux verschaft voordeel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU en, zo ja, wat de omvang daarvan is. De rechtbank wenst daarom op dit onderdeel voorgelicht te worden door een onafhankelijke deskundige.
4.1.2.12. De rechtbank acht het dan ook nodig een deskundigenbericht te gelasten. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.
4.1.2.13. De rechtbank is voorlopig van oordeel, waarbij partijen worden aangespoord om hun zienswijze hierover kenbaar te maken;
- -
dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van markteconomie, in het bijzonder ter zake exploitatie van reclameobjecten/straatmeubilair in de openbare ruimte,
- -
dat de deskundige kennis moet nemen van het dossier en in het bijzonder de hierna te noemen stukken, kritisch moet beoordelen welke informatie daaruit hij bruikbaar acht voor zijn onderzoek en dat hij indien nodig partijen moet verzoeken om aanvullende informatie:
* de Overeenkomst, bestaande uit de overeenkomst uit 2003 (productie 1) en het Addendum uit 2009 (productie 2);
* het NABB-rapport (productie 3);
* de vragen van JCDecaux aan NABB (productie 23) en de antwoorden van NABB daarop (productie 24);
- en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:
1. Wat zijn marktconforme vergoedingen voor de in de Overeenkomst bepaalde exploitatierechten, berekend naar het moment van de totstandkoming van de Overeenkomst, dat wil zeggen voor wat betreft de exploitatierechten onder de overeenkomst uit 2003 op (of omstreeks) 20 augustus 2003 en voor wat betreft de exploitatierechten onder het Addendum op (of omstreeks) 1 april 2009? U wordt verzocht daarbij aan te geven:
- welke relevante factoren (voor de marktafbakening) u daarbij betrekt, waaronder in ieder geval (doch niet per definitie uitsluitend) de duur van de Overeenkomst en de omstandigheid dat deze geen prijsaanpassingsmogelijkheid bevat;
- welke berekeningsmethoden u hanteert;
- welke berekeningen u maakt.
2. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
4.1.2.14. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de Gemeente, die een beroep doet op de (rechts)gevolgen van haar stellingen in dit verband, moet worden gedeponeerd. Het nog nader te bepalen voorschot zal daarom door de Gemeente moeten worden betaald.
4.2.
Misbruik van bevoegdheid, misbruik van recht en gerechtvaardigd vertrouwen
4.2.1.
Hoewel op dit moment nog niet kan worden vastgesteld of sprake is van (onrechtmatige) staatssteun, ziet de rechtbank om proceseconomische redenen aanleiding om reeds nu in te gaan op de verweren van JCDecaux inzake misbruik van bevoegdheid, misbruik van recht, gerechtvaardigd vertrouwen en vervolgens (onder 4.3) op haar verweer inzake verjaring.
4.2.2.
JCDecaux stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de Gemeente de EC had moeten benaderen in plaats van op diens stoel te gaan zitten en dat zij de staatssteunregels misbruikt als grondslag voor haar vorderingen omdat deze regels niet bedoeld zijn om haar te beschermen. JCDecaux voert tevens aan dat zij erop mocht vertrouwen dat er volgens de Gemeente geen sprake was van (verboden) staatssteun. JCDecaux acht bij dit één en ander van belang dat de Gemeente jarenlang heeft stilgezeten. De Gemeente heeft deze stellingen gemotiveerd betwist.
4.2.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals de Gemeente terecht stelt, staat het haar in beginsel vrij en is zij ingevolge het Europese recht zelfs verplicht om passende maatregelen te treffen om de gevolgen van onrechtmatige steun op te heffen, ongeacht haar (eigenlijke) redenen daarvoor. Zij is in dat kader niet verplicht om (eerst) de EC te benaderen met het verzoekt tot het doen van onderzoek. Gelet hierop en bij gebreke van gestelde of gebleken bijzondere omstandigheden valt niet in te zien dat de Gemeente in redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid kan worden toegelaten dan wel dat zij daardoor onrechtmatig handelt. De enkele omstandigheid dat zij hiertoe eerder had kunnen overgaan is daarvoor onvoldoende.
4.2.4.
Voorts mocht JCDecaux er niet op vertrouwen dat de afspraken rechtmatig waren. Volgens vaste rechtspraak kan een ontvanger van onrechtmatige staatssteun in beginsel niet te goeder trouw zijn, daar een behoedzaam ondernemer wordt geacht zich ervan te vergewissen of de steunverlening in overeenstemming is met het toepasselijke Europese recht (bijv. HvJEU 20 maart 1997, zaak C-24/95, ECLI:EU:C:1997:163, Alcan, r.o. 25). Niet valt in te zien dat JCDecaux zich kan beroepen op een uitzonderlijke omstandigheid die haar vertrouwen in de rechtmatigheid van de (eventuele) steun kon wettigen. Zo is bijvoorbeeld gesteld noch gebleken dat de Gemeente op enig moment een toezegging of uitlating anderszins heeft gedaan aan JCDecaux die dat vertrouwen rechtvaardigt.
4.2.5.
Gelet op het voorgaande worden de verweren van JCDecaux inzake misbruik van bevoegdheid, misbruik van recht en gerechtvaardigd vertrouwen - voor zover zou komen vast te staan dat sprake is van onrechtmatige staatssteun - verworpen.
4.3.
Verjaring
4.3.1.
Standpunten partijen
4.3.1.1. JCDecaux beroept zich voorts op verjaring van de vordering van de Gemeente tot terugbetaling van de vermeend verleende staatssteun (inclusief rente). JCDecaux voert daartoe aan dat de door de Gemeente gevorderde partiële vernietiging van de Overeenkomst de grondslag tot verlening van de steun doet vervallen en resulteert in een ongedaanmakingsverplichting in de zin van artikel 6:203 BW. Deze vordering is volgens JCDecaux verjaard op grond van artikel 3:309 BW, althans artikel 3:310 BW indien de vordering zou zijn gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. De Gemeente was van meet af aan bekend met de feiten en omstandigheden waarvan zij op enig moment de juridische beoordeling heeft gemaakt die haar heeft geleid tot de conclusie dat sprake is van onrechtmatige staatssteun, aldus JCDecaux.
4.3.1.2. De Gemeente betwist dat sprake is van verjaring. Zij voert daartoe aan dat zij eerst in 2016 (via een adviseur) op de hoogte raakte van het bestaan van de steun en dat zij dus vóór dat moment niet bekend was met de vordering. Ook dienen de nationale verjaringsregels volgens de Gemeente gelet op de Europese staatssteunregels zo te worden uitgelegd dat de verjaringstermijn pas aanvangt op het moment dat het de Gemeente bekend werd dat sprake was van steun, en dat was in dit geval dus pas in 2016. De Gemeente stelt zich op het standpunt dat de door JCDecaux betoogde uitleg – namelijk dat de termijn is aangevangen in 2003 omdat de Gemeente toen had kunnen weten dat sprake was van steun – zich niet verhoudt met de effectieve werking van het Europese recht en wijst daarbij op het doeltreffendheidsbeginsel. Het voorgaande zou volgens de Gemeente enkel anders liggen als zij de Overeenkomst zou hebben gesloten, terwijl zij zich op dat moment ervan bewust was dat sprake was van staatssteun.
4.3.2.
Opzet beoordeling
4.3.2.1. Om te kunnen beoordelen of de vordering van de Gemeente is verjaard, zal er veronderstellenderwijs vanuit worden gegaan dat sprake is van onrechtmatige staatssteun die moet worden teruggevorderd, zulks uitsluitend ten behoeve van de beoordeling van het verjaringsverweer en zonder dat sprake is van een beslissing op dit punt gelet op het daarvoor noodzakelijk geachte deskundigenbericht. Vervolgens moet – met inachtneming van het hierna te beschrijven juridische kader inzake toezicht en handhaving van staatssteun – worden beoordeeld op welke wijze deze terugvordering zou moeten plaatsvinden. Immers, eerst dan kan worden bepaald op basis van welke grondslag de steun ongedaan moet worden gemaakt en of ter zake enige verjaringstermijn is verlopen.
4.3.3.
Juridisch kader – herstel mededingingssituatie
4.3.3.1. Elk voornemen tot steunverlening dient zoals gezegd op grond van artikel 108 lid 3 VWEU vooraf bij de EC te worden aangemeld. Wanneer steun wordt verleend zonder dat deze vooraf is gemeld bij de EC dan wel zonder dat de opschortingsverplichting in acht is genomen, is sprake van onrechtmatige staatssteun. De nationale rechter is (ook) bevoegd te beoordelen of sprake is van een schending van artikel 108 lid 3, laatste volzin VWEU en daarmee of sprake is van onrechtmatige staatssteun. Hij moet daarvoor artikel 107, eerste lid, VWEU uitleggen. Daarbij is onder meer relevant de rechtspraak van het HvJ EU.
4.3.3.2. Het hoofddoel van de terugvordering van onrechtmatig verleende staatssteun is erin gelegen de verstoring van de mededinging, die voortkomt uit het concurrentievoordeel dat door de onrechtmatige steun wordt verschaft, op te heffen. Door de terugbetaling van de steun verliest de begunstigde immers het voordeel dat hij op de markt ten opzichte van zijn concurrenten genoot en wordt de toestand van vóór de steunverlening hersteld (HvJEU 8 december 2011, zaak C-275/10, ECLI:EU:C:2011:814, Residex, r.o. 34).
4.3.3.3. De nationale rechter dient aldus te bewerkstelligen dat de mededingingssituatie van vóór de steunverlening wordt hersteld, zo mogelijk op de minst bezwarende wijze en aan de hand van zijn nationale recht. Hij is in dat kader bevoegd – en derhalve niet verplicht – om een overeenkomst die onrechtmatige staatssteun bevat integraal nietig te verklaren, indien de gehele nietigverklaring doeltreffender kan blijken te zijn dan andere maatregelen met het oog op dit herstel, met name wanneer bij gebreke van minder dwingende maatregelen, deze nietigverklaring ertoe kan leiden of ertoe kan bijdragen dat de mededingingssituatie van vóór de overeenkomst wordt hersteld (HvJ EU Residex voornoemd, r.o. 46-48).
4.3.4.
Wijze van terugvordering
4.3.4.1. Teneinde de eventueel verstoorde mededingingssituatie te herstellen, dient het door JCDecaux genoten voordeel ongedaan te worden gemaakt. Dit kan worden bereikt ofwel door (a) het deel van de door de Gemeente geleverde prestatie dat JCDecaux teveel heeft genoten terug te draaien, ofwel (b) doordat JCDecaux de Gemeente alsnog compenseert voor dat deel. Beide opties komen voor wat betreft het reeds uitgevoerde deel van de Overeenkomst in praktische zin op hetzelfde neer, aangezien reeds genoten exploitatierechten naar hun aard niet kunnen worden teruggedraaid, zodat ten aanzien van optie (a) slechts de mogelijkheid van een waardevergoeding voor de genoten rechten resteert. Om de mededingingssituatie te herstellen zal echter ook de toekomstige uitvoering van de Overeenkomst moeten worden gewijzigd. Bezien in dat verband, verschilt de uitwerking van enerzijds optie (a) en anderzijds optie (b) wél. Immers, voor (a) geldt dat de exploitatierechten (qua aard en/of omvang) worden ingeperkt, terwijl voor (b) geldt dat de vergoedingen voor de rechten worden opgeschroefd. De rechtbank acht in dit verband van belang dat, zoals tussen partijen vast staat, JCDecaux ten behoeve van de exploitatie van de rechten investeringen heeft gedaan zoals het aanschaffen, plaatsen en onderhouden van reclameobjecten. Mede gelet hierop ligt het niet voor de hand om de exploitatierechten van JCDecaux in te perken (optie a), aangezien de reële kans bestaat dat zij daarmee in haar investeringsbelangen wordt getroffen. Dit terwijl bij de vaststelling van de verhoging van de tarieven naar marktconform niveau (optie b) juist rekening kan worden gehouden met gedane investeringen. Gelet hierop vormt optie (b) de meer passende wijze van herstel van de eventueel verstoorde mededingingssituatie.
4.3.4.2. Een wijziging van de Overeenkomst met terugwerkende kracht kan eerst aan de orde zijn indien daarvoor naar nationaal recht een grondslag bestaat. Deze grondslag volgt namelijk niet reeds uit de overtreding van artikel 108 lid 3 laatste volzin VWEU.
4.3.4.3. De grondslag voor wijziging kan worden gevonden in de nietigheid (in de zin van artikel 3:40 lid 2 BW) van de Overeenkomst, voor zover het betreft de (onderdelen van de) bepalingen inzake vergoedingen en conversie (in de zin van artikel 3:42 BW) daarvan naar marktconforme vergoedingen. De rechtbank overweegt daarbij dat de Europese staatssteunregels strekken ter bescherming van de interne markt, en dus niet (uitsluitend) ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling. Ingevolge artikel 3:40 lid 2 BW leidt een met artikel 108 lid 3 laatste volzin VWEU strijdige steunmaatregel derhalve in beginsel tot nietigheid van de rechtshandeling, en niet tot vernietigbaarheid. De rechter kan de nietigheid van een rechtshandeling overigens ambtshalve vaststellen.
4.3.4.4. Algehele ongedaanmaking van de prestaties voortvloeiende uit de Overeenkomst door middel van integrale nietigverklaring ex artikel 3:40 lid 2 BW daarvan, waarmee de mededingingssituatie ook zou kunnen worden hersteld, is naar het oordeel van de rechtbank bezwarender dan partiële nietigheid. Algehele nietigheid zou immers betekenen dat de Overeenkomst, die een looptijd heeft tot 1 april 2023, per direct ophoudt te bestaan. Bovendien valt niet in te zien dat integrale nietigheid doeltreffender is dan partiële nietigheid om de steunverlening ongedaan te maken. Gelet hierop ligt integrale nietigheid niet in de rede.
4.3.4.5. Partiële nietigheid van de Overeenkomst kan echter uitsluitend aan de orde zijn voor zover de Overeenkomst voor het overige niet in onverbrekelijk verband staat met het nietige deel (artikel 3:41 BW). De Gemeente is van mening dat geen sprake is van zodanig verband, JCDecaux bepleit het tegendeel.
4.3.4.6. De vraag of van onverbrekelijk verband sprake is, is een vraag van uitleg van de rechtshandeling. Daarbij kunnen van belang zijn de aard, inhoud en strekking van de rechtshandeling, de mate waarin de onderscheiden onderdelen met elkaar verband houden en hetgeen partijen met de rechtshandeling hebben beoogd. In het licht daarvan dient de rechter te beoordelen of, mede gelet op de overige omstandigheden van het geval en de belangen van alle betrokken partijen, voor gedeeltelijke instandhouding van de rechtshandeling al dan niet voldoende rechtvaardiging bestaat (HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2123, BP/Benschop, r.o. 3.7.3). Of partijen bij kennis van de nietigheid de Overeenkomst ook zouden hebben gesloten is niet zonder meer doorslaggevend.
4.3.4.7. Aan JCDecaux kan worden toegegeven dat de bepalingen van de Overeenkomst over de vergoedingen een essentieel onderdeel van de Overeenkomst vormen. Haar stelling dat zij de Overeenkomst tegen de door de Gemeente gevorderde hogere vergoedingen niet zou zijn aangegaan – wat daarvan ook zij – brengt echter nog niet met zich dat voor gedeeltelijke instandhouding van de Overeenkomst onvoldoende rechtvaardiging bestaat. De Gemeente heeft er ter zitting op gewezen dat partijen hebben afgesproken dat in geval van leemtes zal worden bekeken hoe die kunnen worden opgelost. Dit volgt ook uit de overeenkomst uit 2003, waarin is bepaald dat in geval van niet-rechtsgeldige bepalingen de overige bepalingen niet worden aangetast (artikel 12 lid 2) en zo nodig een passende regeling wordt getroffen (artikel 12 lid 3). Daarbij komt dat een eventuele wijziging van de Overeenkomst uitsluitend zal inhouden dat daarin marktconforme vergoedingen worden opgenomen (conform de stand van de markt ten tijde van het sluiten van de Overeenkomst). Gesteld noch gebleken is dat JCDecaux destijds niet bereid was om (toentertijd) marktconforme tarieven – wat die ook mogen zijn en ongeacht of de door de Gemeente gevorderde bedragen daarmee corresponderen – te betalen voor exploitatierechten en dat zij dat met betrekking tot andere vergelijkbare contracten niet ook deed. Zoals hiervoor reeds is overwogen, gaat de stelling van JCDecaux dat het niet mogelijk is om marktconforme vergoedingen vast te stellen, niet op.
4.3.4.8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voor overige instandhouding van de Overeenkomst voldoende rechtvaardiging bestaat en dat dus geen sprake is van onverbrekelijk verband. Dat betekent dat bedoelde partiële nietigheid kan dienen als grondslag voor wijziging van de Overeenkomst.
4.3.4.9. Deze grondslag kan niet, zoals de Gemeente ten onrechte aanvoert, (ook) worden gevonden in artikel 6:258 BW reeds omdat geen sprake is van omstandigheden die op het moment van de totstandkoming van de Overeenkomst nog in de toekomst lagen (HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2587, Briljant Schreuders/ABP, r.o. 4.3.2). De staatssteunregels waren op het moment van het sluiten van de Overeenkomst immers reeds van kracht.
4.3.4.10. De Gemeente heeft voorts aangevoerd dat de voortzetting van de huidige Overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, nu dit leidt tot een niet beoogde, niet voorziene, disproportionele bevoordeling van JCDecaux ten laste van de Gemeente. Al aangenomen dat een beroep hierop zou slagen – hetgeen gelet op de slechts summiere onderbouwing hiervan door de Gemeente en de door de rechter te betrachten terughoudendheid in dit kader naar het oordeel van de rechtbank niet in de rede ligt – dan brengt dit niet een minder bezwarende wijze van herstel met zich. Het zou immers dezelfde gevolgen in het leven roepen als de hiervoor beschreven partiële nietigheid gecombineerd met conversie. De rechtbank gaat dan ook aan dit beroep voorbij.
4.3.4.11. De rechtbank is dan ook – veronderstellenderwijs dat sprake blijkt te zijn van onrechtmatige staatssteun – van oordeel dat partiële nietigverklaring van de Overeenkomst en conversie naar marktconforme tarieven leidt tot herstel van de eventueel verstoorde mededingingssituatie zonder dat een andere minder bezwarende wijze om dat herstel te bewerkstelligen voorhanden is. In het bijzonder zal de Overeenkomst – in het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat sprake is van onrechtmatige staatssteun – zodanig moeten worden gewijzigd dat de reeds opgenomen tarieven worden vervangen door marktconforme tarieven en dat ten aanzien van (de onderdelen van) de exploitatierechten waar in de huidige versie geen vergoeding voor is bepaald een marktconform tarief wordt opgenomen.
4.3.5.
Grondslag van de terugvordering
4.3.5.1. De vraag die in het kader van het door JCDecaux gevoerde verjaringsverweer vervolgens moet worden beantwoord is welke vordering(en) uit de wijziging van de Overeenkomst voortvloeit/voortvloeien voor de Gemeente jegens JCDecaux. Als gevolg van de gewijzigde Overeenkomst is JCDecaux een geldsom verschuldigd aan de Gemeente. Voorshands sluit de rechtbank niet uit dat de Gemeente alsdan een vordering tot nakoming op JCDecaux verkrijgt. Het debat van partijen op dit punt is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende gevoerd. De rechtbank zal partijen dan ook toelaten tot het nemen van een akte waarin zij, er veronderstellenderwijs vanuit gaande dat sprake is van onrechtmatige staatssteun die moet worden teruggevorderd en met inachtneming van de daaruit voortvloeiende gevolgen zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, hun stellingen omtrent de vordering(en) van de Gemeente jegens JCDecaux en de grondslag(en) daarvoor naar voren moeten brengen. Daarnaast zullen zij zich tevens moeten uitlaten over de eventuele toepasselijkheid van een verjaringstermijn en, zo ja, welke, alsmede de gevolgen daarvan voor de vorderingen van de Gemeente.
4.3.6.
Verhouding tot Europees recht
4.3.6.1. De rechtbank overweegt voorts dat, indien de toepassing van een bepaling inzake een verjaringstermijn ertoe zou leiden dat de vordering(en) van de Gemeente naar nationaal recht is/zijn verjaard, de vraag opkomt of die bepaling in de weg staat aan de volle werking waaronder het nuttig effect van het Europese recht, te weten in dit geval de verplichting tot terugvordering van onrechtmatige staatssteun. In voorkomend geval moet een met het Europese recht strijdige nationale bepaling buiten toepassing worden gelaten. Ook op dit punt is het debat tussen partijen onvoldoende gevoerd, zodat de rechtbank partijen zal opdragen zich hierover eveneens bij akte uit te laten. De rechtbank wijst erop dat, indien aan één en ander wordt toegekomen, de rechtbank hieromtrent op de voet van artikel 267 VWEU prejudiciële vragen kan stellen aan het HvJ EU over de uitleg van artikel 107 en 108 VWEU.
4.4.
Vervolg procedure
4.4.1.
De zaak zal worden verwezen naar de rol voor:
- -
het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de onder 4.1.2.12 en 4.1.2.13 aangekondigde deskundigenrapportage, en
- -
het nemen van een akte door JCDecaux, met (uitsluitend) tot doel om JCDecaux in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de onder 4.3.5.1 en 4.3.6.1 genoemde onderwerpen, rekening houdende met de overwegingen van de rechtbank in dit vonnis. De Gemeente zal in de gelegenheid worden gesteld daarop bij antwoordakte te reageren.
4.4.2.
De inhoud van de akten dienen tot genoemde onderwerpen beperkt te zijn.
4.4.3.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 april 2018 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de onder 4.1.2.12 en 4.1.2.13 aangekondigde deskundigenrapportage,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 april 2018 voor het nemen van een akte door JCDecaux over de onderwerpen vermeld onder 4.3.5.1 en 4.3.6.1, waarna de Gemeente in de gelegenheid zal worden gesteld om een antwoordakte te nemen,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Willemse, mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek en mr. M. van Berlo en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2018.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑03‑2018
type:coll: