Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.5.2
IV.5.2 De reden voor de invoering
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS380985:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 11 en p. 24. De in het wetsvoorstel opgenomen tekst is in de wet opgenomen, met uitzondering van een summiere wijziging in de tweede zin van lid 2. Naar aanleiding van het commentaar van het NGB (19 juni 1985) schrapte de minister in een wijzigingsnota (Kamerstukken 18 905, nr. 7 (NvW), p. 1) de van toepassingsverklaring van de tweede en derde zin van art. 2:336 lid 1 BW. Dit artikellid kende in het oorspronkelijke voorstel geen derde zin. De tweede zin over de berekening van het verschafte geplaatste kapitaal en de door de vennootschap zelf gehouden aandelen sneuvelde op dezelfde dag als de inwerkingtreding, door de (gelijktijdige) invoering van de uitkoopregeling. Zie Stb. 1988, 517. Boek 2 BW kende sinds die datum een algemene regel in art. 2:24d BW.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 13 sub h en p. 24-25. Ik acht het idee juist dat de blootaandeelhouder de vordering tegen de schadetoebrengende vruchtgebruiker of pandhouder kan instellen, maar de reden van de wetgever is natuurlijk niet zuiver.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 25. De toelichting die aan de RvS was gezonden, vermeldde dat geen prijs betaald hoefde te worden, omdat het stemrecht geen vermogenswaarde had. Zie Kamerstukken 18 905, nr. A-C (Oorspr. Tekst), p. 1. De RvS nam hier geen genoegen mee (nr. A-C, p. 3) en verzocht om een nadere motivering. Het antwoord van de minister (Kamerstukken 18 905, nr. A-C (Oorspr. Tekst), p. 5-6) werd eveneens opgenomen in de aangepaste toelichting.
Het rapport van de Commissie Vennootschapsrecht uit 1975 kende slechts het bevel tot overdracht en het bevel tot overneming. De uitstoting van de stemgerechtigde pandhouder of vruchtgebruiker was niet geregeld. De adviezen die werden uitgebracht, onder meer door de RMK en het NGB, opperden evenmin de mogelijkheid de stemgerechtigde vruchtgebruiker of pandhouder zijn stemrecht te ontnemen. In het voorontwerp van wet uit 1981, gebaseerd op de voorstellen van de Commissie Vennootschapsrecht, ontbrak de vordering ook.
Pas in het wetsvoorstel uit 1985 kwam art. 2:342 BW voor het eerst op. De wetgever meende dat het rapport van de Commissie Vennootschapsrecht een leemte vertoonde. Naast een aandeelhouder kon ook de stemgerechtigde vruchtgebruik of pandhouder de besluitvorming in de vennootschap bemoeilijken en het belang van de vennootschap schaden.1 Indien het vennootschappelijk belang geschaad werd, was uitstoting gerechtvaardigd. De dagvaarding betrof alleen de stemgerechtigde vruchtgebruiker of pandhouder. De (bloot)aandeelhouder kon — indien hij voldeed aan de kapitaalsgrens van een derde — zelf de vordering instellen of zich voegen. De wetgever gaf als reden dat de aan het belang van de vennootschap toegebrachte schade ook deze aandeelhouder kon treffen.2
Een waardering van de prijs van het stemrecht kent art. 2:342 BW niet. Lid 3 behelst de regel dat de overgang plaatsvindt door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis. De minister dacht dat een waardebepaling 'buitengewoon moeilijk, zo niet onmogelijk' zou zijn.3