Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/1.2.1
1.2.1 Inleiding
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453083:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 januari 1990, NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem), r.o. 4.1; herhaald in HR 18 november 2005, NJ 2006/173, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/295, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2006/ 10, p. 33-37, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Unilever), r.o. 4.2; HR 26 juni 2009, NJ 2011/210, m.nt. W.J.M.van Veen, JOR 2009/192, m.nt. J.J.M. van Mierlo, Ondernemingsrecht 2009/118, p. 512-516, m.nt.P.M. Storm (KPNQwest), r.o. 3.2.
Vgl. over de preventieve werking ook HR 15 januari 1997, NJ 1997/368, m.nt. J.M.M. Maeijer (Vie d’ Or), r.o. 4.5.1.
HR 11 april 2014, NJ 2014/296, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/259, m.nt. P.D. Olden (Slotervaartziekenhuis c.s.), r.o. 5.3.2. Vgl. hierover Van Solinge 2017, p. 490-491. Vgl. over de doeleinden van het enquêterecht verder onder meer Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/728; Assink | Slagter 2013, p. 1578-1585; Storm 2014, p. 105-108; Eikelboom 2017, p. 23-33.
Vgl. Willems 2000, p. 37: “De zin van de enquête ligt buiten de enquête zelf.”
HR 4 juni 1997, NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite Holding), r.o. 4.1.1.
Zie over de mogelijkheden om het onderzoek zich ook naar derden te laten uitstrekken § 2.6.
OK 21 december 2004, JOR 2005/5, m.nt. M. Brink (Unilever).
HR 18 november 2005, NJ 2006/173, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/295, m.nt. M. Brink,Ondernemingsrecht 2006/10, p. 33-37, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Unilever), r.o. 5.2.3.
OK 28 december 2006, JOR 2007/67 (KPNQwest).
HR 26 juni 2009, NJ 2011/210, m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2009/192, m.nt. J.J.M. van Mierlo,Ondernemingsrecht 2009/118, p. 512-516, m.nt. P.M. Storm (KPNQwest), r.o. 3.2.
Vz OK 6 november 2013, JOR 2014/7, m.nt. C.D.J. Bulten (Ageas (voorheen Fortis)).
Deze uitspraak, die de voorzitter heeft herhaald in Vz OK 28 juni 2016, ARO 2016/160 (Best Green), bespreek ik in § 11.4.8.
Zie onder meer De Bie Leuveling Tjeenk 2016; Van Solinge 2017, met verdere literatuurverwijzingen.
Hermans 2006b, Jansen 2011.
De Hoge Raad heeft in de Ogem-beschikking1 overwogen dat de doeleinden van een enquête zijn: de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, alsmede de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid. Verder wees de Hoge Raad op de preventieve werking die van de mogelijke instelling van een enquête zou uitgaan.2 In de Slotervaartziekenhuis-beschikking heeft de Hoge Raad de lijst van doeleinden van het enquêterecht uitgebreid en daaraan toegevoegd: het beschermen van een minderheid van aandeelhouders of certificaathouders tegen (mogelijk) machtsmisbruik door de meerderheid.3
Bij het eerste door de Hoge Raad genoemde doel van de enquêteprocedure, kort gezegd: orde op zaken stellen, staat het belang van de rechtspersoon centraal. Dat belang van de rechtspersoon verschuift meer naar de achtergrond bij de andere door de Hoge Raad genoemde doeleinden. Die maken het voor de verzoeker mogelijk de enquêteprocedure instrumenteel te gebruiken, namelijk voor het bereiken van doeleinden die buiten het enquêterecht zelf zijn gelegen.4 De jurisprudentie van de Hoge Raad heeft zich zo ontwikkeld dat mits maar een of meer van de doeleinden van het enquêterecht verwezenlijkt kunnen worden, het is toegestaan dat een verzoeker van een enquête mede zijn eigen vermogensrechtelijke belangen dient.
Drie uitspraken van de Hoge Raad markeren deze ontwikkeling meer in het bijzonder. In de Text Lite-beschikking heeft de Hoge Raad beslist dat een enquête zich ook kan uitstrekken tot een onderzoek naar het functioneren van de personen die de rechtspersoon doen optreden.5 Dit is een sequeel van het vaststellen bij wie de verantwoordelijkheid voor mogelijk wanbeleid berust. In die zaak ging het om een onderzoek naar het functioneren van bestuurders en commissarissen van de rechtspersoon.6 Het doel dat de verzoeker met de enquête beoogde, was het gebruiken van het onderzoek om deze bestuurders en commissarissen aansprakelijk te kunnen stellen.
In de Unilever-beschikking ging het om de vraag of Unilever bij de uitgifte van de preferente aandelen in 1999 de gerechtvaardigde verwachting had gewekt dat zij na vijf jaar die aandelen weer zou inkopen tegen een prijs van EUR 6,58. Dat bedrag was gelijk aan het superdividend dat Unilever in 1999 uitkeerde. Om fiscale redenen had Unilever de aandeelhouders de keuze gelaten tussen een dividend in contanten en een dividend in de vorm van een preferent aandeel. In 2004 kondigde Unilever aan de preferente aandelen volgens een in de statuten opgenomen conversieformule te converteren in gewone aandelen. Bij de toen geldende beurskoers zou dit leiden tot een aanzienlijk lagere uitkering dan EUR 6,58. Houders van preferente aandelen stelden zich op het standpunt dat Unilever de gerechtvaardigde verwachting had gewekt dat zij de preferente aandelen niet zou converteren, maar zou inkopen tegen EUR 6,58. Op die grond vroegen zij de Ondernemingskamer een enquête te gelasten, welk verzoek de Ondernemingskamer toewees.7 Daarbij verwierp de Ondernemingskamer het verweer van Unilever dat het hier een vermogensrechtelijke geschil betrof. De Hoge Raad oordeelde, kort samengevat, dat het oordeel van de Ondernemingskamer dat het conflict tussen de preferente aandeelhouders en Unilever niet slechts een vermogensrechtelijk geschil behelsde, geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk was, omdat de mogelijkheid bestond dat dit conflict was terug te voeren op een zodanig ernstig onzorgvuldig of laakbaar handelen van Unilever dat elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap waren geschonden.8
In de KPNQwest-zaak had de VEB een enquête naar de in staat van faillissement verkerende vennootschap KPNQwest verzocht. Het doel dat de VEB daarmee beoogde, was het verkrijgen van schadevergoeding van de (voormalige) bestuurders, commissarissen en aandeelhouders van KPNQwest. De Ondernemingskamer wees het verzoek toe.9 Haar beslissing berustte op het oordeel dat (i) redelijkerwijs niet kon worden uitgesloten dat sprake was geweest van de door de VEB gestelde misleiding van de banken en van het beleggend publiek, althans van verwijtbaar tekortschieten in de informatievoorziening, en (ii) op voorhand ook niet kon worden uitgesloten dat KPNQwest misleidende cijfers over 2001 had gepubliceerd. In cassatie probeerden de (voormalige) bestuurders, commissarissen en aandeelhouders van KPNQwest de Hoge Raad te laten terugkomen op zijn vaste jurisprudentie overde doeleinden van het enquêterecht, met het betoog dat een enquête niet kan worden bevolen met het (uitsluitende) doel het verkrijgen van opening van zaken en/of de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, alsmede dat een enquêteprocedure geen betrekking kan hebben op een failliete rechtspersoon. De Hoge Raad verwierp dit betoog en bevestigde zijn eerdere jurisprudentie:
“Tot de doeleinden van het enquêterecht zoals deze de wetgever voor ogen stonden, behoort niet de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. Is sprake van een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquête niet verwezenlijkt kunnen worden, dan is een enquêteverzoek niet toewijsbaar. (…) De omstandigheid dat bij surseance van betaling of faillissement sanering of herstel van gezonde verhoudingen niet meer tot de mogelijkheden behoort, is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing.
De aan de ondernemingskamer gegeven bevoegdheid een enquête te bevelen is een discretionaire: bij de uitoefening van die bevoegdheid dient een afweging van de betrokken belangen plaats te vinden, met dien verstande dat ingevolge art. 2:350 lid 1 BW voor toewijzing van een verzoek slechts plaats is wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. De ondernemingskamer kan de bevoegdheid om een enquête te bevelen slechts uitoefenen ten aanzien van het aan haar voorgelegde concrete verzoek. Dit brengt mee dat een door haar te maken belangenafweging moet steunen op feiten en omstandigheden, zoals die zich voordoen in het haar voorgelegde geval. De ondernemingskamer zal bij deze belangenafweging, hoezeer die ook plaats heeft in een concreet geval, naast de doeleinden van het enquêterecht mede de bezwaren tegen een ruime toepassing van het middel van enquête moeten betrekken, en de aard van het tussen de verzoeker en de rechtspersoon bestaande geschil in aanmerking moeten nemen. Zij behoeft evenwel niet telkens in de motivering van haar beslissing tot uitdrukking te brengen dat zij de bedoelde bezwaren in de beoordeling heeft betrokken. Daarbij is van belang dat de afweging van de bij die bezwaren betrokken meer algemene belangen tegen de in het concrete geval bestaande belangen zich veelal niet voor een gedetailleerde motivering leent.”10
Nog verder ging de voorzitter van de Ondernemingskamer in de Ageas-beschikking, waarin hij overwoog dat rechtstreeks in het verlengde van de doeleinden van het enquêterecht (het verkrijgen van opening van zaken en het vaststellen van de verantwoordelijkheid voor mogelijk blijkend wanbeleid), de mogelijkheid ligt om de rechtspersoon en diegenen die verantwoordelijk zijn voor eventueel wanbeleid in rechte aan te spreken tot vergoeding van schade.11 Ik meen dat de voorzitter van de Ondernemingskamer in deze uitspraak miskent dat de Ondernemingskamer volgens de Hoge Raad in de door haar toe te passen belangenafweging de nadelen die aan een ruime toepassing van het middel van enquête zijn verbonden moet betrekken.12 De Ondernemingskamer kan op die grond beslissen dat een verzoeker die schadevergoeding van een (voormalige) bestuurder, commissaris of aandeelhouder van de rechtspersoon of van de rechtspersoon zelf wenst, zich direct tot de gewone rechter moet wenden en de enquêteprocedure niet voor fact finding ten behoeve van die procedure mag gebruiken.
In de literatuur is naar aanleiding van deze uitspraken een discussie ontstaan wat de betekenis is van de beperkingen die de Hoge Raad heeft gesteld aan de mogelijkheden om een in wezen vermogensrechtelijk geschil in een enquêteprocedure aan de Ondernemingskamer voor te leggen.13 Ik schaar mij aan de zijde van de schrijvers die menen dat deze beperkingen in de praktijk weinig of niets voorstellen. De Hoge Raad heeft met deze jurisprudentie de deur wijd opengezet voor partijen om de enquêteprocedure te gebruiken als middel om bewijs te verzamelen ten behoeve van een vordering tot schadevergoeding tegen de rechtspersoon of zijn (voormalige) bestuurders, commissarissen en aandeelhouders.14 Gelukkig ben ik met deze ontwikkeling niet, maar het is niet realistisch om te verwachten dat de Hoge Raad op deze jurisprudentie ooit nog terug gaat komen. Het valt buiten de scope van mijn onderzoek om hierop verder in te gaan.