Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/3.2
3.2 Ontwikkelingen in het Nederlandse vennootschapsrecht
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS579045:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Timmerman (2002c), p. 339. Naar Nederlands recht zijn vennootschappen 'Nederlands', indien vennootschap wordt beheerst door Nederlands (vennootschaps)recht. Daartoe dient de oprichting van de vennootschap naar Nederlands recht te hebben plaatsgevonden, hetgeen o.a. met zich brengt dat de statutaire zetel in Nederland dient te zijn gelegen. Daarover: Bellingwout (1996), p. 13-14, Vlas (2002), p. 6-7, Hijink (2006a), p. 35-36, met verdere verwijzingen en Van den Braak (2007), p. 688.
Zie J.W. Winter (2001a), p. 8. Vgl. verder art. 3 WCC en de MvT bij het voorstel voor deze wet (Kamerstukken II, 1994/1995, 24 141, nr. 3, p.19). Zie ten slotte Eisma (2000), p. 8, die met een beroep op de MvT bij de WCC afleidt welke onderwerpen door het vennootschapsrecht worden beheerst.
Op enkele plaatsen buiten Boek 2 BW zijn daarnaast voorschriften te vinden die omschreven kunnen worden als (publicatie)verplichtingen van vennootschapsrechtelijke aard. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in de WCC alsmede in de Handelsregisterwet 2007 en in het Handelsregisterbesluit 2008. Aan deze bepalingen besteed ik in deze studie geen verdere aandacht.
Wet op de Naamloze Vennootschappen. Over de ontwikkeling van het Nederlandse vennootschapsrecht, waarvan het beginpunt doorgaans wordt gelegd bij het ontstaan van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), o.a. Handboek (1992), nr. 2 e.v. en Asser/ Maeijer 2/111 (2000) nr. 2 e.v. met verdere verwijzingen en Hijink (2006a), p. 16-21. Uitvoerig over de VOC vanuit juridisch perspectief: Den Heijer (2005).
Op basis van een aanpassing van de Wet op de Naamlooze Vennootschappen, door de Wet tot wijziging van de artikelen 42c (nieuw) en 42 (nieuw) van het Wetboek van Koophandel (balans en winst- en verliesrekening). Over deze publicatieverplichting voor vennootschappen is (destijds) in de literatuur en in parlementaire geschiedenis veel discussie gevoerd. Hierover: Hijink (2006a), p. 47-49 en Beckman (2007), p. 11-12.
Vgl. Asser/Maeijer 2/111 (2000), nrs. 7-18 (in het bijzonder nr. 16) met verdere verwijzingen.
De commissie werd ingesteld bij beschikking van de Minister van Justitie van 8 april 1960 en bracht in 1965 haar rapport uit. Zie Verdam (1965).
Handboek (1992), nr. 30.
Waaronder de Wet op de jaarrekening.
Hierover Handboek (1992), nr. 31.
Zie voor een weergave van die discussie: Hijink (2006a), p. 18-21. In de kern ziet deze discussie op de tendens dat de wijzigingen van (o.m.) Boek 2 BW en het daarin opgenomen vennootschapsrecht niet aanknopen bij de rechtsvorm (naamloze) vennootschap, maar mede onder invloed van EU-richtlijnen steeds vaker werd vormgegeven als 'rechtsvorm-onafhankelijke' regelgeving. Vgl. ook Pitlo/Raaijmakers (2000), p. 33, o.m. verwijzend naar de bepalingen inzake het enquêterecht en de jaarrekeningvoorschriften.
Zoals ik in navolging van o.m. Van Schilfgaarde eerder heb betoogd. Vgl. Hijink (2006a), p. 19-21 alsmede Van Schilfgaarde (2006a), p. 7-8. De verhouding tussen vennootschap en onderneming zal, in navolging van Van Schilfgaarde (en Winter), worden uitgedrukt als het verschijnsel dat de vennootschap als deelrechtsorde geleidelijk de onderneming als deel-rechtsorde in zich opneemt.
Zie Timmerman (2001a), p. 117-118. Het vennootschapsrecht valt uiteen doordat de bestuurdersaansprakelijkheid en het doorbraakrecht het faillissementsrecht in worden getrokken, het medezeggenschapsrecht geëmancipeerd is (voornamelijk in de WOR) en het effectenrecht steeds meer een zelfstandig rechtsgebied naast het vennootschapsrecht wordt, aldus Timmerman.
Zo stelt bijvb. de High Level Group of Company Law Experts in haar rapport 'Issues related to takeover bids' dat 'concerns for the interests of employees should be addressed by specific legislation providing for information and consultation of employees and for their protection in the event of a bid leading to restructuring.' (vgl. p. 16 van het Rapport van de High Level Group of Company Law Experts (2002a)).
Van Schilfgaarde (2006a), p. 24. Zie, van de vele literatuur over het onderwerp corporate govemance, onder meer Frentrop (2002) en Jaap Winter (2003).
De commissie werd op 10 maart 2003 geïnstalleerd en is ingesteld door VNO-NCW, NCD, VEUO, VEB, Euronext en SCGOP, op uitnodiging van de Ministers van Financiën en Economische Zaken.Over (de werkzaamheden van) deze commissie onder meer: (de themanummers) Ondernemingsrecht 2003 (nummer 11) en Ondernemingsrecht 2004 (nummer 4) en M. Raaijmakers (2004a) en (2004b).
De Nederlandse corporate govemance code, Beginselen van deugdelijk ondernemingsbestuur en best practice bepalingen. De code is door de Commissie corporate govemance gepubliceerd op 9 december 2003 en nadien, op 28 december 2004, in de Staatscourant opgenomen (Stc. 2004, nr. 250, p. 35).
Wet aanpassing structuurregeling.
Waarvan als belangrijkste kunnen worden genoemd: het in art. 2:107a BW opgenomen goedkeuringsrecht voor de AvA van bepaalde bestuursbesluiten; het in art. 2:114a opgenomen agenderingsrecht voor aandeelhouders en certificaathouders, alsmede het in art. 2:118a BW opgenomen recht voor houders van certificaten van aandelen om 'in vredestijd' bij volmacht het stemrecht op die aandelen uit te oefenen.
De grondslag voor deze verplichting vormt (thans) art. 2:391, lid 5, BW. Hierin is bepaald dat omtrent de naleving van een in een algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gedragscode voorschriften kunnen worden gesteld. Op basis daarvan is op 23 december 2004 het Vaststellingsbesluit nadere voorschriften inhoud jaarverslag vastgesteld. In (art. 2 van) dat besluit is de Nederlandse corporate govemance code (zoals gepubliceerd in Stc. 2004, nr. 250) aangewezen als gedragscode.
Deze zijn te vinden op de website van de Nederlandse corporate governance commissie, http://www.corpgov.nl/Marktconsultatie_enRapport2006_(downloaden). Ook door de opvolger van de Commissie Frijns — de nieuwe Monitoring Commissie Corporate Governance onder voorzitterschap van Streppel — is inmiddels een (beperkt) nalevingsrapport gepubliceerd. Dit rapport, gepubliceerd op 14 december 2009, is eveneens op die website te vinden.
Vgl. de opmerking van Minister Bos in de kabinetsreactie op de nieuwe Nederlandse corporate governance code (Kamerstukken II, 2008/2009, 31 083, nr. 29, p. 15).
Besluit van 10 december 2009, Stb. 2009 747. Het voorstel is te vinden onder Kamerstukken II, 2008/2008, 31 083, nr. 31. Over het voorstel zijn vragen gesteld door vaste commissie voor Justitie van de Eerste Kamer (vgl. Kamerstukken I, 2009-2010, 32 123 VI, C).
Art. I, onderdeel B, van het in de vorige voetnoot genoemde besluit, dat leidde tot aanpassing van art. 4 Besluit vaststelling nadere voorschriften inhoud jaarverslag. Dit moment van inwerlcingtreden komt overeen met de datum van inwerkingtreding die de nieuwe code zelf noemt (preambule, onderdeel 16). Het Besluit vaststelling nadere voorschriften inhoud jaarverslag kent overigens een, nogal rommelige, geschiedenis van aanpassingen, bijvb. wat betreft het toepassingsbereik van het besluit. Zie § 4 van hoofdstuk 13.
De eerste signalen daarvan werden zichtbaar bij de parlementaire behandeling van het voorstel voor de Ovemamewet. Werd bij de indiening van het voorstel voor deze wet door de regering (in december 2005) nog voorgesteld om beschermingsconstructies na een periode van 6 maanden automatisch te doen laten vervallen, in juni 2006 werd deze voorgestelde bepaling geschrapt door de tweede nota van wijziging (Kamerstukken II, 2005/ 2006, 30 419, nr. 9). Hetzelfde geldt voor het oorspronkelijke voorstel van de regering om aan houders van certificaten van aandelen onder alle omstandigheden bij volmacht het stemrecht op aandelen toe te kennen. Dit werd geschrapt door de derde nota van wijziging (Kamerstukken II, 2006/2007, 30 419, nr. 15) in september 2006; overigens geïnspireerd door een amendement. Voor een overzicht van het toegenomen aandeelhoudersactivisme en de ontwikkelingen in het Nederlandse vennootschapsrecht: Kroeze (2007a). Een mooi overzicht geeft ook Assink (2009), p. 17-51.
Ambtelijk voorstel voor een wet tot wijziging van de WGE, de Wft en het BW naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Govemance Code van 30 mei 2007, gepubliceerd op 3 januari 2008. Hierover: Wiggers (2008). De regeringsvoornemens waren reeds aangekondigd in het kabinetsstandpunt waarmee werd gereageerd op het advies van de Monitoring Commissie Corporate Govemance Commissie over de verhouding tussen vennootschap en aandeelhouders en over het toepassingsbereik van de code (Kamerstukken II, 2006/2007, 31 083, nr. 1; zie p. 2).
Het Wetsvoorstel Frijns. Hierover: Nowak (2009) en Schouten (2010).
Vgl. het voorgestelde nieuwe art. 2:114a, lid 1, BW (Art. III van het Wetsvoorstel Frijns).
Vgl. de voorgestelde bepalingen in Art. I van het Wetsvoorstel Frijns.
Deze opmerkelijke verplichting volgt uit het voorgestelde art. 5:43a Wft (Art. I, onderdeel E van het Wetsvoorstel Frijns).
Vgl. de titel van De Monchy (2007), op p. 414, bij de bespreking van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Govemance van mei 2007.
Het Nederlandse vennootschapsrecht zie ik als het recht dat van Nederlandse vennootschappen "de structuur en inrichting regelt."1 Naast voorschriften omtrent de oprichting, het bestaan en de beëindiging van het bestaan van de vennootschap bepaalt het vennootschapsrecht, onder meer, wat de aan aandelen van een vennootschap verbonden rechten zijn. Het vennootschapsrecht bevat voorschriften over de taken en verantwoordelijkheden van bestuurders en commissarissen van een vennootschap. Het ziet verder op de wijze waarop bestuurders en commissarissen verantwoording aan aandeelhouders dienen af te leggen en de informatie die zij daarbij dienen te verschaffen.2 Het Nederlandse vennootschapsrecht is vooral in Boek 2 BW te vinden.3
In de ontwikkeling van het Nederlands vennootschapsrecht heeft de in 1928 aangenomen wettelijke regeling van de naamloze vennootschap een belangrijke rol gespeeld.4 Een van de onderdelen van die wet was dat het bestuur van, kort gezegd, open naamloze vennootschappen verplicht werd om acht dagen na de vaststelling van de balans en de winst- en verliesrekening door de AvA volledige afschriften van deze stukken en van de toelichting ter inzage voor eenieder ten kantore van het handelsregister neer te leggen.5
De in 1928 aangenomen wetgeving voor naamloze vennootschappen is tot 1971 (vrijwel) ongewijzigd gebleven. Sinds 1971 heeft het Nederlandse vennootschapsrecht echter ingrijpende wijzigingen ondergaan. Voor een deel als gevolg van de ontwikkelingen in Europese regelgeving. Een andere aanleiding voor deze wijzigingen is gelegen in de, met name in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw gevoerde, discussies over de verhouding tussen de (naamloze) vennootschap en de ondememing.6 Een mijlpaal in deze discussie was het rapport, in 1965, van de commissie Verdam.7 Dat bevatte onder meer een ontwerp van wet op de jaarrekening van ondernemingen. De gedachte daarbij was "dat de wet een grotere openheid in de vennootschappelijke verhoudingen tot stand dient te brengen en dat een zekere invloed en zeggenschap van werknemers, in het bijzonder bij de grote vennootschap behoort te worden verwezenlijkt."8 Op basis van de voorstellen van de commissie Verdam is een aantal wetsontwerpen ingediend; deze zijn in 1971 tot wet verheven en van kracht geworden.9 In 1976 trad Boek 2 BW in werking, waarmee werd voorzien in een systematische wettelijke regeling van het rechtspersonenrecht en waarin het vennootschapsrecht — inclusief de in 1971 tot stand gekomen veranderingen — zonder materiële wijzigingen werd opgenomen.10
Mede vanwege de wijzigingen in het vennootschapsrecht in de jaren zeventig van de vorige eeuw is in de Nederlandse literatuur uitvoerig gediscussieerd of nog kan worden gesproken van "vennootschapsrecht" of dat gesproken zou moeten worden van "ondernemingsrecht".11 Omdat naar mijn mening12 ook thans het rechtsgebied "vennootschapsrecht" nog zelfstandige betekenis heeft én de uitkomsten van die discussie maar beperkte relevantie hebben voor deze studie, zal ik in het vervolg van deze studie van "vennootschapsrecht" blijven spreken. Daar komt bij dat de zelfstandige betekenis van het vennootschapsrecht wordt versterkt door de huidige tendens van "fragmentatie van het vennootschapsrecht".13 Dit is ook zichtbaar in internationaal perspectief.14
De fragmentatie van het vennootschapsrecht — in strikte zin overigens van het (ruimere) ondernemingsrecht — heeft tot gevolg dat hernieuwde aandacht is ontstaan voor het "eigenlijke" vennootschapsrecht. Een goed voorbeeld daarvan is de toegenomen belangstelling voor het onderwerp "corporate governance". Dit onderwerp behoort van oudsher tot de kernonderwerpen van het vennootschapsrecht en wordt doorgaans omschreven als het geheel van regels en praktijken dat binnen een vennootschap de zeggenschapsverhouding bepaalt tussen het bestuur, aandeelhouders en commissarissen en de wijze waarop over zeggenschapsuitoefening verantwoording wordt afgelegd.15 De toegenomen aandacht in Nederland voor de corporate governance van beursvennootschappen resulteerde in 2003 in de instelling van de Nederlandse corporate governance commissie16 en de opstelling door deze commissie van de Nederlandse corporate governance code.17 Kort daarna, op 1 oktober 2004, trad de wet tot aanpassing van de structuurregeling in werking.18 Deze wijziging van Boek 2 BW omvatte niet alleen een versterking van de positie van de kapitaalverschaffer op een aantal onderdelen19, maar voorzag ook in een wettelijke grondslag op basis waarvan Nederlandse "beursvennootschappen" verplicht werden in hun jaarverslag mededelingen te doen omtrent de naleving van (onderdelen van de) Nederlandse corporate governance code.20
Over de mate waarin de Nederlandse corporate governance code werd nageleefd, heeft de Monitoring Commissie Corporate Governance Code de Commissie Frijns — tussen 2005 en 2008 vier nalevingsrapporten gepubliceerd.21 Mede naar aanleiding van de bevindingen over de mate van naleving van de (eerste) Nederlandse corporate govemance code en enige ontwikkelingen op het terrein van corporate govemance, is op 10 december 2008 een nieuwe Nederlandse gorporate govemance code vastgesteld. Het kabinet heeft in mei 2009 aangekondigd de nieuwe code, te vervanging van de code uit 2003, aan te wijzen als gedragscode (als bedoeld in art. 2:391 lid 5 BW).22Een daartoe strekkend voorstel tot aanpassing van het Vaststellingsbesluit nadere voorschriften inhoud jaarverslag is op 13 juli 2009 voorgelegd aan de Eerste en Tweede Kamer en op 10 december 2009 vastgesteld.23 Als gevolg hiervan de nieuwe corporate govemance code toepasslijk op boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2009.24
Na een periode waarin in wet- en regelgeving de postitie en rechten van aandeelhouders en de aandeelhoudersvergadering werden versterkt, lijkt inmiddels de wind weer uit een andere hoek te waaien. Mede als gevolg van het zogenoemde "aandeelhoudersactivisme" is een trend zichtbaar dat de rechten van kapitaalverschaffers niet meer worden uitgebreid.25 Zo werden in januari 2008 de eerste regeringsvoornemens om enkele recent toegekende rechten aan kapitaalverschaffers (deels) weer in te perken gepubliceerd.26 Deze voornemens zijn uitgewerkt in het in juni 2009 ingediende wetsvoorstel om de transparantie over de identiteit en belangen van kapitaalverschaffers te vergroten.27 In dit voorstel wordt de in art. 2:114a BW opgenomen grens voor het kunnen uitoefenen van het agenderingsrecht verhoogd van 1% van het vertegenwoordigen van het geplaatste kapitaal naar 3%. Tevens vervalt de mogelijkheid voor kapitaalverschaffers van "beursvennootschappen" die een (kleiner) belang vertegenwoordigen waarvan de waarde volgens de prijscourant ten minste 50 miljoen euro bedraagt om onderwerpen te agenderen.28 Verder bevat het voorstel een verlaging van enkele Wft drempels voor melding van zeggenschap, van 5% naar 3%.29 Ook dient in bepaalde omstandigheden degene die een zeggenschapsbelang van 3% moet melden, deze melding te laten vergezellen van een melding aan de AFM of bezwaar bestaat tegen de, op de website gepubliceerde, strategie van de uitgevende instelling waarin het belang wordt verworven.30 "Op weg naar een nieuw evenwicht' lijkt het veelgebruikte (en veelzeggende) credo.31