Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/4.5.3
4.5.3 Conclusie grondslag nieuwe aanmerkelijkbelangregime
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452937:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Ook de Raad van State had in haar advies opgemerkt dat het nieuwe regime niet volledig is gesubjectiveerd, aangezien met betrekking tot reguliere voordelen het objectieve stelsel is gehandhaafd. De staatssecretaris van Financiën antwoordde hierop dat de heffing bij de belastingplichtige wegens winst uit aanmerkelijk belang als geheel wordt gesubjectiveerd. Een reëel regulier voordeel zal ten koste gaan van een later te behalen vervreemdingsvoordeel. Het uiteindelijke resultaat is dat het subjectieve voordeel van de aanmerkelijkbelanghouder in de heffing wordt betrokken. Advies Raad van State en nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 5.
In deze zin tevens J.E.A.M. van Dijck in zijn noot onder HR 30 oktober 1996, BNB 1996/411. Zijns inziens betekent het subjectieve regime dat in totaliteit niet meer mag worden belast dan het subjectieve voordeel van de aanmerkelijkbelanghouder, hetgeen zijns inziens dan ook met zich meebrengt dat de wettelijke bepalingen aan de hand van deze grondregel moeten worden uitgelegd.
Blijkens zijn reactie op het advies van de Raad van State is de staatssecretaris van Financiën zich van dit effect bewust, getuige zijn opmerking in het nader rapport dat de voorgestelde regeling inzake de reguliere voordelen als zodanig geen inbreuk vormt op het beoogde gesubjectiveerde regime, maar wel tot gevolg kan hebben dat de belastingheffing - vergeleken met de ondernemingssfeer - wordt vervroegd, Nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 5.
Uit het bovenstaande kan met betrekking tot de grondslag van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling het volgende worden geconcludeerd:
• de reguliere voordelen zijn een voortzetting van het oude objectieve systeem met op onderdelen een ombuiging in meer subjectieve richting. Van een volledig subjectief regime is (nog) geen sprake;
• de vervreemdingsvoordelen zijn volledig gesubjectiveerd en vormen daarmee een duidelijke breuk met het oude objectieve systeem.
Dit betekent dat het nieuwe aanmerkelijkbelangregime er aldus toe heeft geleid, dat over de gehele bezitsperiode van de aanmerkelijkbelanghouder gemeten, uiteindelijk zijn subjectieve voordeel uit de aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen wordt belast. In deze zin is de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' meer gaan lijken op de (subjectieve) bron 'winst uit onderneming'. De spreiding van deze belastingheffing over de tijd gedurende de bezitsperiode van de aanmerkelijkbelanghouder komt echter niet steeds overeen met diens subjectieve voordeel.1 Om een vergelijking te trekken met de winstsfeer, de 'totale winst' van de aanmerkelijkbelangaandelen (vervreemdingsvoordeel) wordt volledig subjectief bepaald, de 'jaarwinsten' van de aanmerkelijkbelangaandelen (regulier voordeel) bevatten oneffenheden.2 Hierbij valt op dat deze oneffenheden steeds eenzijdig ten gunste van de fiscus uitwerken. Als sprake is van een oneffenheid, hetgeen het geval is bij de belastingheffing over meegekochte dividenden, uitgereikte winstbonusaandelen en teruggaven van gestort kapitaal, is het steeds zo dat gedurende de bezitsperiode van de aanmerkelijkbelanghouder in een eerder stadium belastingheffing plaatsvindt dan overeenkomt met zijn zuiver subjectieve voordeel. Het werkt nooit omgekeerd dat gedurende de bezitsperiode van de aanmerkelijkbelanghouder eerst op een later tijdstip belasting wordt geheven dan overeenkomt met zijn zuiver subjectieve voordeel. De belastingheffing ter zake van meegekocht dividend, winstbonusaandelen en teruggaven van gestort kapitaal wordt dus steeds naar voren gehaald, hetgeen zich uiteindelijk dan wel vertaalt in een geringere belastingheffing op het moment van vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen doordat dan een kleiner vervreemdingsvoordeel wordt belast.3