Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/6.1.1:6.1.1 Verbod op ultra- of extra petita uitspraken
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/6.1.1
6.1.1 Verbod op ultra- of extra petita uitspraken
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS304579:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
206.
Artikel 23 Rv bepaalt eigenlijk slechts dat de rechter niet meer of anders mag toewijzen dan gevorderd en legt daarmee het initiatief bij partijen. Dit verbod op ultra- en extra petita uitspraken zal mijns inziens standhouden. Dat volgt uit de aan dit verbod ten grondslag liggende uitgangspunten. Het verbod bevindt zich namelijk in het eerder beschreven spanningsveld tussen het EU-recht en artikel 6 EVRM (vgl. hoofdstuk 1). Meer of anders toewijzen dan gevorderd verdraagt zich niet met het beginsel van hoor en wederhoor. Partijen worden dan gefrustreerd in hun recht om in voldoende mate over de vordering (of in dit geval, het toegewezene) te debatteren. Aangezien artikel 6 EVRM onderdeel uitmaakt van het beginsel van effectieve rechtsbescherming, gaat de aan het verbod op het meer of anders toewijzen dan gevorderd ten grondslag liggende gedachte van hoor en wederhoor voor de effectiviteit van het EU-recht voor zover zij niet te verenigen zijn. Dat is hier het geval. In paragraaf twee van dit hoofdstuk zal blijken dat de rechter wel andere bevoegdheden kan aanwenden met betrekking tot de door partijen bepaalde inzet van de procedure, waarmee hij een voorzet zou kunnen geven tot een eiswijziging.