Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/4.2.1.4.4
4.2.1.4.4 Nieuwe zekerheden voor vers krediet
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS406851:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 juli 2005, NJ 2005, 457 (Van Dooren q.q./ABN AMRO II).
Zie § 4.2.1.2.4.
Zie A.J. Verdaas, 'Noot bij HR 8 juli 2005, (Van Dooren q.q./ABN AMRO II)', NTBR 2006, 8, p. 30 e.v.
A.J. Verdaas, 'Reactie op de bespreking van het arrest Van Dooren q.q./ABN AMRO door F.P. van Koppen, TvI 2005, 43', TvI 2006, 6, p. 35.
De feiten zijn te kennen uit Van Dooren q.q./ABN AMRO I. Achtereenvolgens vond het volgende plaats. In augustus 1993 raakt de bank bekend met de liquiditeitsproblemen van de groep. Na overleg verhoogt de bank op 5 november 1993 de bestaande kredietlimiet van HFL 8 miljoen met HFL 1 miljoen tot HFL 9 miljoen. Op 5 november bedroeg de debetstand van Hendriks echter reeds HFL 8,7 miljoen. Ook op 5 november 1993 werd de bank aanvullende zekerheden toegezegd. Op 11 november kreeg de notaris opdracht om de betreffende aktes op te stellen en te doen verlijden. Uiteindelijk werden de aktes op 3 december verleden en op 6 december 1993 ingeschreven. Op 6 december bedroeg de debetstand nog 'maar' HFL 8,37 miljoen dus minder dan op 5 november. Op 8 december is vervolgens surseance aangevraagd waarna op 13 december omzetting in faillissement volgde. Van Koppen (TvI 2005, p. 195) laat deze omstandigheid geheel onbesproken. Hoewel deze omstandigheid voor het beantwoorden van de benadelingvraag niet of nauwelijks relevant zal zijn, is zij dat wel voor de wetenschap van benadeling. Verdaas ecarteert deze omstandigheid en stelt, m.i. op onjuiste gronden, want in strijd met HR Van Dooren q.q./ABN AMRO I sub 3.1 (TvI 2006, p. 33): 'De vraag of de zekerheidsverlening heeft geleid tot benadeling omdat tevens zekerheid wordt verleend voor 'oude schulden' speelt in het arrest niet.' Hooguit kan gezegd worden dat de omstandigheid in het arrest niet een rol speelt bij het beantwoorden van de benadelingsvraag. Dat de onduidelijkheid zich tegen de bank keert, blijkt ook uit de weigering van de Hoge Raad een principeoordeel te geven over de vraag of het bewijsvermoeden van artikel 43 Fw van toepassing is. De Hoge Raad overweegt immers (HR 22 december 2009 (Van Dooren q.q./ABN AMRO BI), r.o. 3.6): `De bank mist belang bij deze onderdelen nu het hof ervan is uitgegaan dat [A] Beheer zich verplichtte tot het stellen van nieuwe zekerheden voor zowel bestaande als toekomstige schulden. De onderdelen kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.'
Deze onduidelijkheid blijft ook na het wijzen van het slotarrest HR Van Dooren q.q./ABN AMRO BI bestaan. De Hoge Raad oordeelde als volgt ten aanzien van een middel dat betoogde dat de zekerheden enkel voor nieuw krediet waren gevestigd (IIR 22 december 2009 (Van Dooren q.q./ABN AMRO BI), r.o. 3.6): 'De onderdelen 2 en 2.1 bestrijden tevergeefs het oordeel van het hof (in rov. 15 van het tussenarrest) dat [A] Beheer zich blijkens de conditiebrief verplichtte tot het stellen van nieuwe zekerheden voor zowel bestaande als toekomstige schulden. Anders dan de bank in deze onderdelen klaagt, kan aan het hof niet worden verweten dat het met dit oordeel, ten onrechte althans zonder toereikende redengeving, is teruggekomen van een door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch in zijn arrest van 18 juni 1998 gegeven andersluidende eindbeslissing. Of het gerechtshof te 's-Hertogenbosch inderdaad een andersluidende eindbeslissing heeft gegeven kan in het midden blijven. Het bestreden oordeel van het hof strookt immers met het, destijds in cassatie niet bestreden, oordeel van het gerechtshof te Arnhem in zijn tussenarrest van 23 juli 2002 (rov. 3.2 en 3.4) dat de in de conditiebrief opgenomen verplichting van [A] Beheer strekte tot het vestigen van hypotheekrechten tot zekerheid van het gehele krediet in rekening-courant van negen miljoen gulden, derhalve met inbegrip van het oude krediet van acht miljoen gulden.'
Zie uitgebreider § 4.2.3.2.1.
Zie echter voor een beperkte, m.i. onjuiste, interpretatie van artikel 20 ABV, Rechtbank Rotterdam 19 juli 2006 en 1 oktober 2008, JOR 2009/115. Zie hierboven § 4.2.3.2.1.
Zie voor een kritiek op Verdaas langs deze lijn W.J.B. van Nielen en S.E. Bartels, 'Kroniek van 5 jaar Insolventierecht', NTBR 2006, p. 182 en A. van Hees, 'Reactie op de bespreking van Van Dooren q.q./ABN AMRO II door A.J. Verdaas in NTBR 2006', NTBR 2006, p. 115.
Zie N.W.M. van den Heuvel, Zekerheid en Voorrang, p. 44.
HR 22 december 2009 (Van Dooren q.q./ABN AMRO BI).
Het vierde geval dat besproken wordt betreft zekerheden voor vers krediet. Het geval vormt sterke verwantschap met het volgende geval van herstructureringen (§ 4.2.1.4.5), in welk kader ook regelmatig nieuwe zekerheden tegen nieuw krediet worden verstrekt. Het geval van herstructureringen ziet echter op de fase waarin het voor alle betrokkenen duidelijk is dat het voortbestaan van de rechtspersoon op het spel staat en er dringend gereorganiseerd moet worden en hier pogingen toe ondernomen worden. Het onderhavige geval betreft de financiering buiten een dergelijke poging tot reorganisatie en herstructurering. Erkend wordt dat de gevallen niet altijd eenduidig van elkaar te scheiden zijn.
Het arrest Van Dooren q.q./ABN AMRO II1 maakt duidelijk dat de Hoge Raad een strikte interpretatie van het criterium 'benadeling' voorstaat. Het verstrekken van zekerheden door een schuldenaar aan de bank leidt in faillissement van de schuldenaar in principe tot benadeling van de schuldeisers, tenzij de bank de zekerheden niet hoeft aan te spreken. Een gevolg hiervan is dat alle aandacht gericht is op de vraag wanneer de bank bij het verstrekken van krediet tegen het verkrijgen van zekerheden wetenschap van benadeling heeft.
Hierboven is reeds kort de kritiek van Verdaas op het arrest weergegeven.2 Hij stelt, kort gezegd, dat de benadeling in het geval berecht in Van Dooren q.q./ABN AMRO II niet door de krediet- en zekerheidverstrekking is veroorzaakt, maar door de daaropvolgende betalingen verricht door de schuldenaar. Verdaas meent daarbij dat de Hoge Raad ten onrechte en zonder motivering de zekerheidsverstrekking tegen het nieuwe krediet en de daaropvolgende aanwending door de schuldenaar als één benadelende rechtshandeling kwalificeert.3 Volgens Verdaas bestaat `onvoldoende connexiteit' tussen deze handelingen, en dient in het algemeen alleen ruimte te zijn voor vernietiging op grond van de pauliana indien de wederpartij door de gewraakte handeling bevoordeeld is of de bevoordeling van derden aan hem kan worden 'toegerekend'. In de onderbouwing van zijn betoog stelt Verdaas zich echter nog op een enigszins andersluidend standpunt. Hij stelt:
Wet ten laste van een wederpartij van een schuldenaar ongedaan maken van benadeling van diens (andere) schuldeisers is mijns inziens uitsluitend gerechtvaardigd als die wederpartij in de benadeling de hand heeft gehad.'4
Nu kan men wel 'ergens de hand in hebben', zonder dat men voordeel van een bepaalde handeling heeft. Zoals in de vorige paragraaf ten aanzien van arm's length sales reeds is gememoreerd, is het bestaan van voordeel aan de zijde van de wederpartij geen vereiste voor het inroepen van de pauliana.
Een aanhoudende onduidelijkheid in de arresten Van Dooren q.q./ABN AMRO I, II en III is in hoeverre daadwerkelijk een verhoging van het krediet had plaatsgevonden. Verdaas spreekt van 'vers krediet'5 terwijl onduidelijk is in hoeverre daar in het geval van Van Dooren q.q./ABN AMRO sprake van was en voor welke vorderingen nu precies de zekerheden waren gevestigd.6 Indien een bank voor oude schulden zekerheid wenst en tegelijkertijd tevens (daadwerkelijk) nieuw krediet wenst te verstrekken, dan doet de bank er goed aan de te verkrijgen zekerheden in tweeën te knippen. Met een beroep op artikel 26 (voormalig artikel 20) Algemene Bankvoorwaarden7 zal zij voor het oude verstrekte krediet zekerheden kunnen bedingen, welke dan nog slechts op grond van artikel 47 Fw aantastbaar zijn.8 Voor het nieuwe krediet zal zij dan een tweede zekerheidsrecht vestigen. De beoordeling van de vestiging van het tweede zekerheidsrecht wordt dan ook niet vertroebeld door de vraag in hoeverre het zekerheidsrecht ook tot zekerheid voor oud krediet strekt. Als men nu de casus neemt waarbij een bank zonder openstaande ongedekte vorderingen nieuw krediet verschaft tegen nieuwe zekerheden, blijft de vraag hoe de wetenschap van benadeling ingevuld moet worden wil deze voldoende zijn voor het inroepen van de pauliana.
Een succesvolle pauliana-actie heeft hier zeer ingrijpende gevolgen voor de bank. Men dient hier de situatie van de bank zonder de paulianeuze transactie te vergelijken met de situatie zoals deze is na het inroepen van de pauliana. De bank verstrekt geld tegen zekerheid. Zij stopt dus iets in de onderneming van de schuldenaar waartegenover zij zekerheidsrechten verkrijgt. Indien men de situatie van de bank voor en na de paulianeuze transactie vergelijkt, pakt deze zeer negatief uit voor de bank. Zij zal in de regel haar volledige prestatie kwijt zijn.
Ik meen dat de kritiek van Verdaas wel een pijnpunt blootlegt, maar onjuist is ingepast in het Nederlandse recht. De oplossing dient niet gevonden te worden in de benadeling, en het benadelingsvereiste. De oplossing dient gevonden te worden in de invulling van de wetenschap van benadeling.9 Een aantal omstandigheden rechtvaardigt dat hier zware eisen aan de wetenschap van benadeling worden gesteld, welke dan voornamelijk betrekking hebben op de voorzienbaarheid van een faillissement van de schuldenaar.
In de eerste plaats kan genoemd worden de omstandigheid dat sprake is van een arm's length transactie die op zich niet meteen voordeel voor de bank oplevert buiten de gebruikelijke marktvergoeding van rente. Anders dan het geval is bij rechtshandelingen met een discrepantie tussen de waarde van de prestaties over en weer en de rechtshandelingen die een incongruente voldoening vormen, is er op zich niets verdachts of ongewoons aan het verstrekken van krediet tegen het verkrijgen van zekerheden. Ten tweede kan de omstandigheid genoemd worden dat de benadeling middellijk plaatsvindt. Na het enkel verstrekken van het krediet en het vestigen van het zekerheidsrecht, is van benadeling nog geen sprake. Eerst moet het krediet nog aangewend worden om bepaalde schuldeisers te voldoen. In de derde plaats geldt dat het toepassen van de pauliana in deze gevallen tot zeer ingrijpende gevolgen voor de bank leidt. Deze verliest zijn zekerheidsrecht en behoudt slechts een concurrente vordering voor het bedrag dat hij aan de schuldenaar als krediet heeft verstrekt; veelal een waardeloze vordering dus.
Deze drie omstandigheden brengen m.i. met zich dat er zeer duidelijke tekenen van een naderend faillissement dienen te zijn. M.i. is er slechts ruimte voor vernietiging indien de bank vrijwel zeker wist of behoorde te weten dat een faillissement zou volgen. Slechts onder deze omstandigheid kan men oordelen dat het gerechtvaardigd is om de pauliana toe te passen. Ik meen dan ook dat het criterium zoals voorgestaan door Van den Heuvel te ruim is. Ten aanzien van het vernietigen van de verstrekking van zekerheden, schrijft Van den Heuvel dat van wetenschap van benadeling slechts sprake kan zijn indien de zekerheidsrechten worden gevestigd in de periode wanneer het faillissement of de betalingsonmacht van de schuldenaar is 'te verwachten'.10
Nog los van de precieze invulling van de mate waarin het faillissement van de schuldenaar voor de bank (en de schuldenaar) te voorzien moet zijn geweest, rust er volgens de Hoge Raad in HR Van Dooren q.q./ABN AMRO III een onderzoeksplicht op de bank naar de financiële toestand van de schuldenaar. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
`3.10. Voorts klaagt onderdeel 3.2 dat het hof in de rov. 17 en 23 van zijn tussenarrest en in de rov. 10, 12 en 13 van zijn eindarrest te zware eisen heeft gesteld aan de in dit verband op de bank rustende onderzoeksplicht, en ten onrechte heeft geoordeeld dat, als in de gegeven omstandigheden een onderzoek niet mogelijk is, de maatstaf voor wetenschap van benadeling inhoudt dat de financierende bank en de schuldenaar er niet aan behoefden te twijfelen dat een faillissement zou uitblijven.
Het hof heeft in rov. 17 van zijn tussenarrest overwogen dat banken voorafgaande aan aanvullende kredietverlening aan noodlijdende bedrijven tegen het stellen van nieuwe zekerheden, een naar gelang van de omstandigheden toereikend onderzoek moeten doen teneinde vast te stellen of die kredietverlening verantwoord is. Dit uitgangspunt getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof hiermee slechts tot uitdrukking heeft gebracht dat een bank die op verzoek van een in financiële problemen verkerende onderneming overweegt (aanvullend) krediet tegen zekerheid te verschaffen, de beschikbare financiële gegevens dient te analyseren met het oog op de vraag of een faillissement en een tekort daarin, en derhalve benadeling van de schuldeisers, met een redelijke mate van waarschijnlijkheid zijn te voorzien. De hiertegen gerichte klacht faalt derhalve.' 11
De bank kan dus niet het hoofd in het zand steken en er dan van uitgaan dat zij tegen een latere curator zal kunnen volstaan te stellen dat zij niet wist dat de situatie van de schuldenaar dermate slecht was dat het faillissement met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te voorzien was.
De voorgestelde invulling van de vereiste 'redelijke mate van waarschijnlijkheid dat het faillissement was te voorzien', namelijk dat er ruimte is voor vernietiging indien de bank vrijwel zeker wist of behoorde te weten dat een faillissement zou volgen, gaat minder ver dan de eis die Verdaas kennelijk wil stellen; dat er voor vernietiging slechts ruimte is indien de wederpartij door de handeling bevoordeeld is of de bevoordeling van derden aan hem kan worden toegerekend. Wel doet dit m.i. voldoende recht aan het eerdere argument van Verdaas dat vernietiging in deze gevallen slechts gerechtvaardigd is als die wederpartij de hand heeft gehad in de benadeling. Een bank die vrijwel zeker weet of behoort te weten dat een faillissement zal volgen en onder die omstandigheden nieuw krediet verschaft tegenover het verkrijgen van zekerheden, kan gezegd 'de hand in de benadeling hebben gehad'.