Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/2.6.3.1
2.6.3.1 De totaalwinst bij beperkt belastingplichtigen
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630545:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Indien in het onbelaste deel exploitatietekorten optreden, mogen deze niet worden verrekend met de eventuele winsten uit het belaste ondernemingsdeel. Met ingang van 1 januari 2012 wordt echter aan culturele instellingen de mogelijkheid geboden te kiezen voor integrale belastingplicht. Door te opteren voor integrale belastingplicht kunnen deze gedeeltelijk belastingplichtige culturele stichtingen en verenigingen de winsten uit het ondernemingsgedeelte salderen met de exploitatietekorten uit het niet-ondernemingsdeel. Wijziging van enkele belastingwetten (Geefwet), memorie van toelichting, 15 september 2011, pagina 7.
VSO1, onderdeel 3.3.: ‘Dit onderdeel geeft duidelijkheid over de in rekening te brengen rente op de rekeningcourant verhoudingen tussen de belaste en vrijgestelde sfeer. Uitgangspunt hierbij is te zorgen voor een werkbare methodiek met een goede overgangsregeling. Bij het bepalen van de omvang van de financieringsmogelijkheid vanuit het vrijgestelde deel is rekening gehouden met de omstandigheid dat dit in voldoende mate marktconform is en met de omstandigheid dat de transactiekosten opwegen tegen een andere wijze van financieren.’
Kamerstukken I 2014/15, 34 003, D, pagina 29. Dit is geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld waarin de gemeente een vrachtwagen heeft aangeschaft waarmee hoofdzakelijk bedrijfsafval wordt opgehaald. Deze vrachtwagen wordt tot het belaste ondernemingsvermogen gerekend. Tijdens de ophaalronde wordt in één wijk binnen de gemeente tevens het huisvuil door deze vrachtwagen meegenomen. Met het ophalen van het huisvuil wordt geen onderneming in fiscaalrechtelijke zin gedreven, omdat hiermee niet wordt deelgenomen aan het economische verkeer. De daarmee verband houdende kosten dienen zonder winstopslag te worden gecorrigeerd: ‘Met het ophalen van het huisvuil wordt geen onderneming in fiscaalrechtelijke zin gedreven, omdat hiermee niet wordt deelgenomen aan het economische verkeer. Voor het gebruiken van de vrachtwagen ten behoeve van het ophalen van huisvuil dienen de daaraan verbonden kosten gecorrigeerd te worden op de ondernemingskosten. Voor de winstbepaling van het ondernemingsdeel worden derhalve deze kosten niet in aanmerking genomen, omdat zij verband houden met een niet-ondernemingsactiviteit. De berekening van deze kosten kan bijvoorbeeld plaatsvinden op basis van het aantal gereden kilometers, het aantal adressen waar afval is opgehaald of het gewicht.’
HR 7 mei 1997, nr. 30 294, BNB 1997/263, HR 8 november 1989, nr. 25 089, BNB 1990/36.
Op het moment dat er onder de zeer specifieke omstandigheden een her-etikettering plaatsvindt (een vermogensbestanddeel wordt niet meer gebruikt voor de belaste ondernemingsactiviteiten), vindt er wel een sfeerovergang plaats en dient te worden afgerekend over de in de belaste periode opgebouwde waardemutatie. Deze waardemutatie is immers ontstaan bij het belaste deel.
Beperkt belastingplichtigen – zoals stichtingen, verenigingen en publiekrechtelijke rechtspersonen – zijn alleen belastingplichtig indien en voorzover ze een onderneming drijven. Voor dergelijke belastingplichtigen dient derhalve te worden beoordeeld welke voordelen zijn toe te rekenen aan de (belaste) onderneming. Alleen deze voordelen zijn onderdeel van de totaalwinst.1 Hiervoor dient – (conform de inkomstenbelasting) vermogensetikettering plaats te vinden.
In het besluit van de staatssecretaris van Financiën 27 januari 1998, nr. DB98/311 heeft de staatssecretaris aangegeven dat indien de activiteiten weliswaar naar hun aard verschillen, maar overigens zodanig sterk met elkaar verweven zijn, dat een gescheiden beoordeling van de belastingplichtige activiteiten niet kan plaatsvinden. Dit zal met name het geval kunnen zijn indien het lichaam bij het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer met zijn geheel aan activiteiten als eenheid optreedt. Wanneer het wel mogelijk is om een gescheiden beoordeling te maken, komt de vraag op hoe moet worden omgegaan met ‘transacties’ tussen het onbelaste deel en het belaste deel. Dit is niet wettelijk geregeld en blijkt ook niet uit de fiscale jurisprudentie. In de Vaststellingsovereenkomst die is opgesteld in het kader van de partiële belastingplicht van woningcorporaties (VSO1) is wel ingegaan op deze problematiek. De VSO gaat ervan uit dat tussen het onbelaste deel en het belaste deel zakelijke prijzen moeten worden overeengekomen. Ze gaan hierbij zelfs zover dat er rekening-courant verhoudingen tussen het onbelaste deel en het belaste deel kunnen ontstaan waarop rente in aanmerking moet worden genomen.2 De staatssecretaris is echter van mening dat bij partiële belastingplicht de kosten tussen het belaste en het onbelaste deel moeten worden doorbelast zonder winstopslag.3
Bij de beantwoording van de vraag hoe moet worden omgegaan met ‘transacties’ tussen het onbelaste en het belaste deel lijkt het in eerste instantie logisch om een parallel te trekken met de vaste inrichting. Ook in dat geval is immers sprake van één juridische entiteit en dient vermogensetikettering plaats te vinden. De winstbepaling geschiedt dan met inachtneming van de zelfstandigheidfictie en het arm’s length beginsel. Van belang is echter dat het bij vaste inrichtingen met name gaat om het verdelen van de heffingsbevoegdheid over de landen en het bij binnenlands beperkt belastingplichtigen gaat over een toerekening aan ondernemingsactiviteiten en niet-ondernemingsactiviteiten. Toepassing van het arm’s length beginsel op transacties tussen het onbelaste en het belaste deel lijkt dan niet in overeenstemming met het doel van de belastingplicht. Het doel van de belastingplicht is immers het belasten van de voordelen die voortkomen uit ondernemingsactiviteiten. De activiteiten die tussen het onbelaste en het belaste deel worden verricht, zijn geen ondernemingsactiviteiten maar interne activiteiten, waarmee niet in concurrentie wordt getreden of winst kan worden beoogd c.q. gemaakt. Mijns inziens zal daarom – conform de zienswijze van de staatssecretaris – moeten worden beoordeeld welke werkzaamheden en vermogensbestanddelen zijn toe te rekenen aan de belaste onderneming, conform de vermogensetiketteringsleer die we kennen uit de inkomstenbelasting. Hiervoor is van belang dat er sprake is van een milieuverband tussen de voordelen en de belaste onderneming. Als er vermogensbestanddelen of activiteiten zijn die nut opleveren voor zowel de onbelaste en de belaste activiteiten, dan moeten de baten en lasten die hierop betrekking hebben naar evenredigheid van het nut worden toegerekend. Hierdoor hoeft er geen winstopslag in aanmerking te worden genomen bij ‘onderlinge diensten’ en is er geen heffing bij het belaste deel voor transacties met het onbelaste deel. Mijns inziens is het in VSO1 gehanteerde uitgangspunt dat er rekening-courantverhoudingen tussen het belaste en onbelaste deel kunnen bestaan derhalve onjuist. Bij de allocatie van schulden aan vaste inrichtingen heeft de Hoge Raad zich altijd heel terughoudend opgesteld en overwogen dat slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn van een rekening-courantverhouding tussen hoofdhuis en vaste inrichting.4 Gezien de terughoudendheid van de Hoge Raad op dit punt en het ontbreken van een zelfstandigheidsfictie bij beperkt belastingplichtigen, kan mijns inziens geen sprake zijn van een rekening-courantverhouding tussen het belaste en onbelaste deel. 5