Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/4.2.1
4.2.1 Onvoorzien/onvoorzienbaar
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS589673:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Abas 1989, p. 214 e.v. Kritisch over Abas' standpunt toont zich Van Dunné in zijn Ars Aequi noot (AA 48 (1999) 1, p. 53) bij het arrest HR 20 februari 1998, NJ 1998, 493 (Briljant Schreuders/ABP). Zie ook Zondag 2001, p. 105.
Zie echter het slot van deze subparagraaf.
Hammerstein/Vranken 2003 , nr. 19. Vgl. voorts Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nr. 455 en 442, waar in nr. 442 wordt opgemerkt dat ook het uitblijven van een door partijen verwachte wijziging een onvoorziene omstandigheid kan opleveren. Zie voorts het arrest HR 20 februari 1998, NJ 1998, 493 (Briljant Schreuders/ABP).
Zie o.m. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nrs. 439 en 441 en Grasheide 1996, p. 82 alsmede E. Baan & W.L. Valk, Losbl. Verbintenissenrecht, aant. 19.1 bij art. 6:258 BW. Zie ook HR 21 oktober 1988, NJ 1990, 439 (Mondia/Calanda): 'Een voor bepaalde tijd gesloten overeenkomst kan, zo tussentijdse opzegbaarheid niet is bedongen, in beginsel niet eenzijdig tussentijds door opzegging worden beëindigd. Weliswaar is niet geheel uitgesloten dat op dit beginsel een uitzondering wordt aangenomen, maar een dergelijke uitzondering kan slechts haar grond vinden in onvoorziene — d.w.z. niet in de overeenkomst verdisconteerde — omstandigheden, die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van zo ernstige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten'.
Het verband tussen uitleg en imprévision komt onder meer tot uitdrukking in het recente arrest Skare/Flexmen (HR 19 november 2010, NI 2010, 623). In dit arrest werd een kwestie die zich in principe leende voor behandeling op de voet van art. 6:258 BW door partijen in haar geheel in de uitlegsleutel geplaatst. Zie daarover de lezenswaardige conclusie van A-G Wissink bij dat arrest onder 3.2 en 3.3. Zie voorts voor het Duitse recht Larenz/Wolf 2004, p. 711.
HR 13 maart 1981, NI 1981, 635 (m. nt. C.J.H. Brunner). Voor zover deze verankering in genoemde norm al niet zou volgen uit het arrest zelf, is zij af te leiden uit het nadien gewezen arrest DSM/Fox (HR 20 februari 2004, NI 2005, 493 (m. nt. C.E. du Perron), waarin is overwogen dat uitleg steeds dient plaats te vinden aan de hand van 'alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.'
Aldus ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nrs. 441 en 448, Van Plateringen 2002, p. 47 e.v. en Bakker/De Groot 2009, p. 370. Zie voorts hoofdstuk 3, § 3.2 e.v.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-01* 2010, nr. 441, Kobussen 1990, p. 410, Hesselink 1999, p. 338 e.v., Groene Serie Verbintenissenrecht, artikel 258 Boek 6 BW, aant. 19.3 en Stolp/ Reurich 2000, p. 194.
Anders dan soms wordt gedacht1 is onvoorzienbaarheid geen vereiste voor een geslaagd beroep op het leerstuk van de imprévision.2 De in art. 6:258 BW gebezigde term "onvoorzien" heeft geen betrekking op de vraag wat voor partijen voorzienbaar was of wat zij hebben voorzien, maar uitsluitend op de vraag of het intreden van de relevante omstandigheden (die toekomstig dienen te zijn en dus na het sluiten van het contract dienen te zijn ingetreden)3 — uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend in het contract is verdisconteerd.4 Zijn de omstandigheden verdisconteerd, dan komt aan de imprévision geen werking toe,dof bepaalde omstandigheden (uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend) in de overeenkomst zijn verdisconteerd is een kwestie van uitleg.5 De bij die uitleg aan te leggen maatstaf is sinds jaar en dag de in redelijkheid en billijkheid verankerde Haviltexmaatstaf.6 De kernoverweging van het gelijknamige standaardarrest, die inhoudt dat:
"(d)e vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, (...) niet (kan) worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht."
maakt duidelijk dat niet de bewoordingen sec, maar de in de gegeven omstandigheden redelijke verwachtingen en in redelijkheid aan die bewoordingen gegeven betekenissen bepalend zijn voor de uitleg van het overeengekomene. Dit brengt in het kader van de imprévision met zich dat bij het zoeken naar een antwoord op de vraag of een bepaalde omstandigheid al dan niet in de overeenkomst is verdisconteerd, de letterlijke betekenis van de gekozen bewoordingen (bijv. de term inflatie) nimmer zaligmakend is: steeds zal moeten worden bezien of partijen ook redelijkerwijs moeten worden geacht de metterdaad opgetreden zijnde omstandigheid (bijv. hyperinflatie ten belope van 800%) in de overeenkomst te hebben willen verdisconteren.7 De voorzienbaarheid van de betreffende omstandigheid speelt bij dit alles in zoverre een rol, dat naarmate voor partijen een bepaalde omstandigheid ten tijde van contractssluiting redelijkerwijs meer voorzienbaar was, deze eerder kan worden geacht door partijen in de overeenkomst (stilzwijgend) te zijn verdisconteerd.8