Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/4.8.7
4.8.7 De temporele reikwijdte; de verschillende tijdvakken
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS649072:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Anders Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2016, die betogen dat er wel een minimale gedingsduur moet zijn: “Zoals een 403-verklaring een zekere terugwerkende kracht moet hebben tot, in elk geval, het begin van het boekjaar waarvoor vrijstelling wordt verlangd, moet zij ook een minimale geldingsduur hebben, namelijk tot en met de laatste dag van dat boekjaar.” In de regel zal de 403-verklaring worden gedeponeerd wanneer de verplichting bestaat tot het deponeren van de jaarrekening. In dat geval is de laatste dag van het boekjaar reeds verstreken en wordt (uiterlijk) de laatste dag van dat boekjaar sowieso door een daarna afgegeven 403-verklaring bestreken.
Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2016, vgl. Van Schilfgaarde & Winter 2001, p. 337.
Zie paragraaf 4.8.4.
Voor wat betreft de aansprakelijkheid die voortvloeit uit een 403-verklaring dienen verschillende tijdvakken te worden onderscheiden:
het tijdvak waarin de consoliderende rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld; en
het tijdvak waarin de rechtshandelingen zijn gelegen waar schulden uit kunnen voortvloeien waarvoor de consoliderende rechtspersoon aansprakelijk is.
Wanneer een consoliderende rechtspersoon op 1 januari 2014 een 403-verklaring heeft gedeponeerd en deze op 1 januari 2020 intrekt, zien voornoemde tijdvakken er op een tijdbalk als volgt uit:
Figuur 1
De consoliderende rechtspersoon kan door schuldeisers aansprakelijk worden gesteld vanaf het moment dat de verklaring is afgegeven. Zie voor het moment waarop de 403-verklaring uiterlijk gedeponeerd dient te zijn paragraaf 4.10.
Nadat de 403-verklaring is gedeponeerd, begint het tijdvak te lopen waarin de consoliderende rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld voor schulden van de vrijgestelde rechtspersoon. Een minimale looptijd om de 403-verklaring toe te mogen passen, is niet vereist.1 Het tijdvak waarin de consoliderende rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld voor schulden van de vrijgestelde rechtspersoon kent geen eindtijd. De overblijvende aansprakelijkheid blijft bestaan. Het intrekken van de 403-verklaring voorkomt niet dat schuldeisers met vorderingen die voortvloeien uit rechtshandelingen die voor de intrekking zijn verricht de consoliderende rechtspersoon nog aansprakelijk stellen na de intrekking van de 403-verklaring. De consoliderende rechtspersoon kan hier slechts op één manier aan ontkomen, en dat is door de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.
Het tweede moment in tijd heeft betrekking op het moment vanaf wanneer rechtshandelingen die door de vrijgestelde rechtspersoon zijn verricht onder de reikwijdte van de 403-verklaring vallen. Is de 403-verklaring opgesteld conform artikel 2:403 lid 1 sub f BW, dan bestaat er onduidelijkheid over de reikwijdte van dit tijdvak. Wordt de ruime temporele reikwijdte aangehouden, dan loopt dit tijdvak oneindig ver terug in de tijd, er is geen beperking. Gezien dit gebrek aan duidelijkheid en het ontbreken van een duidelijke wettelijke regeling wordt de ruime temporele reikwijdte aangegrepen als praktische en pragmatische oplossing.2 Hiervoor is reeds betoogd waarom er goede gronden zijn om ook bestaande schuldeisers de mogelijkheid te bieden om een beroep te kunnen doen op de 403-verklaring.3 Tevens is betoogd dat in de recente jurisprudentie de ruime temporele reikwijdte het vaakst wordt aangenomen.
Wanneer om welke reden dan ook wordt besloten om de groepsvrijstelling niet meer toe te passen, kan de consoliderende rechtspersoon de 403-verklaring intrekken.4 Daarmee wordt een tijdvak afgesloten. Een intrekkingsverklaring bewerkstelligt dat de consoliderende rechtspersoon niet meer aansprakelijk kan worden gesteld voor nieuwe schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die door de vrijgestelde rechtspersoon zijn verricht na de deponering van de intrekkingsverklaring. De consoliderende rechtspersoon voorkomt hiermee niet volledig dat nieuwe aansprakelijkheid ontstaat, omdat de overblijvende aansprakelijkheid met zich brengt dat de consoliderende rechtspersoon, ook na het deponeren van een intrekkingsverklaring, aansprakelijk kan worden gesteld voor nieuwe schulden die voortvloeien uit reeds vóór de intrekking verrichte rechtshandelingen. De wet bepaalt dit nadrukkelijk. Een intrekkingsverklaring waarin de consoliderende rechtspersoon bepaalt dat zij niet meer aansprakelijk is voor nieuwe schulden is daarmee in strijd.