Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.1:11.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.1
11.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940199:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit paragraaf 7.3.6 is gebleken dat wat betreft de bewijsgaring binnen het algemeen-fiscale bewijsrecht een onderscheid moet worden gemaakt tussen de positie van de belastingplichtige en die van de inspecteur. Voor de belastingplichtige bestaan er in beginsel geen beperkingen. De vrijheid van de inspecteur wordt echter begrensd door de wettelijke regeling van de informatie- en controlebevoegdheden en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Afhankelijk van de omstandigheden kan bij overschrijding van de grenzen als sanctie intreden dat het vergaarde bewijs niet bruikbaar is (onrechtmatig verkregen bewijs).1 Deze uitgangspunten gelden evenzeer in de sfeer van de beboeting.
Daarmee is de kous echter niet af: de boetesfeer kent namelijk een aantal belangrijke, aanvullende rechtsnormen, die voornamelijk zijn gebaseerd op de waarborgen van art. 6 EVRM. In dit verband speelt vooral een belangrijke rol dat de boeteling het recht heeft om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging.2 Ook strafrechtelijke beginselen hebben – via de notie van de fair hearing van art. 6 EVRM – betekenis voor de fiscale bestuurlijke boete. Het zogenoemde nemo tenetur-beginsel is daarvan de belangrijkste exponent.3 Ten slotte bevat ook het nationale recht, in het verlengde van art. 6 EVRM, enkele bijzondere regelingen die de verzameling van bewijs ten aanzien van de bestuurlijke boete betreffen en nader reguleren. Deze waarborgen spelen geen rol bij de heffing, waardoor zij voor wat betreft de bewijsgaring verschillen kunnen veroorzaken tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de beboeting.
Ook in de sfeer van de beboeting moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de bewijsgaring door de inspecteur enerzijds en de bewijsgaring door de boeteling anderzijds. Gelet op de vigerende bewijslastverdeling zal de inspecteur ten minste bewijs moeten vergaren van de door hem ingenomen centrale stellingen.4 Voor de boeteling blijft de bewijsgaring met betrekking tot die centrale stellingen beperkt tot de vergaring van tegenbewijs. Voorts kunnen beide partijen uiteraard perifere stellingen innemen, ter zake waarvan zij bewijs bijeen moeten brengen ter staving van de eigen stelling dan wel ter bestrijding van de stelling van de wederpartij.
In paragraaf 11.2 behandel ik allereerst uitgebreid het nemo tenetur-beginsel. Dat beginsel beschermt de boeteling tegen gedwongen zelfincriminatie. De nadruk ligt daarbij op de bewijsgaring door de inspecteur. Vervolgens belicht ik in paragraaf 11.3 enkele bijzondere waarborgen en garanties die in de boetesfeer gelden voor de (tegen)bewijsgaring door de boeteling. Ten slotte ga ik in paragraaf 11.4 nog in op het leerstuk van het onrechtmatig verkregen bewijs, voor zover de toepassing daarvan voor wat betreft de boeteoplegging afwijkt van hetgeen in algemene zin in fiscalibus heeft te gelden.
Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat ook de rechter, tijdens de (hoger) beroepsprocedure, zelfstandig bewijs kan (en bij de boete soms ook: moet5) vergaren. Omdat deze vorm van bewijsgaring sterk is verweven met het proces van bewijsvoering, behandel ik deze vorm van bewijsgaring in paragraaf 12.3 en paragraaf 12.4.