Zekerheid voor de vastgoedfinancier
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/2.1:2.1 Inleiding
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS624509:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Verhypothekeren in de Nederlandse betekenis: art. 3:227 BW bepaalt dat op registergoederen (i.e. onroerend goed) een recht van hypotheek kan worden gevestigd. Hoe onroerend goed naar Engels recht in zekerheid kan worden gegeven volgt hierna in par. 2.2.
Art. 3:227 en 3:260 e.v. BW.
De bevoegdheden van de Engelse hypotheekhouder zijn uitgewerkt in hfdst. 3-5, de Nederlandse in hfdst. 6-8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de financiering van commercieel vastgoed zijn grote bedragen gemoeid. Om het risico van terugbetaling van deze vastgoedleningen te verminderen, verlangen financiers dat hun kredietnemers zekerheden verschaffen. Dat kan op allerlei manieren. Het kunnen persoonlijke zekerheden zijn, zoals (bank- of concern)garanties, maar ook goederenrechtelijke zekerheden, waarbij de goederen van de kredietnemer als onderpand worden gebruikt voor de terugbetaling van de lening. Bij commercieel vastgoed is het vastgoed zelf een van de belangrijkste goederen die de kredietnemer in zekerheid kan geven. Hij kan dit vastgoed verhypothekeren.1
Dit onderzoek draait om een dergelijk hypotheekrecht op vastgoed. Om helder te krijgen over wat voor recht het dan precies gaat, wordt in dit hoofdstuk van zowel het Engelse als het Nederlandse hypotheekrecht een beknopte introductie gegeven. In par. 2.2 wordt eerst toegelicht wat in dit proefschrift wordt bedoeld met het Engelse hypotheekrecht. Daarna, in par. 2.3, wordt de aard van dit Engelse hypotheekrecht afgezet tegen het hypotheekrecht zoals we dat naar Nederlands recht kennen.2 Tot slot komen de hypothecaire bevoegdheden onder de beide rechtsstelsels aan bod (par. 2.4). In deze laatste twee paragrafen wordt gesignaleerd welke verschillen tussen de beide hypotheekrechten van invloed zijn op de bevoegdheden die de hypotheekhouder aan zijn recht ontleent. De uitwerking daarvan volgt in latere hoofdstukken.3