RvdW 2025/183:Militaire zaak. Mishandeling, art. 300 lid 1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Noodweer, art. 41 lid 1 Sr. 1. Kon hof oordelen dat sprake was van ogenblikkelijke aanranding van aangever door vriend van verdachte? 2. Heeft verdachte gehandeld uit putatief noodweer? Ad 1 en 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: 1. Hof heeft o.g.v. stukken en eigen waarneming van camerabeelden vastgesteld dat vriend van verdachte de ‘confrontatie’ zocht met groep waarvan aangever deel uitmaakte. Hof heeft vastgesteld dat er gevecht tussen vriend van verdachte en aangever ontstond en dat naar ’s hofs oordeel hierbij sprake van was van situatie waarin het voor aangever gerechtvaardigd was om zich te verdedigen tegen aanval van vriend van verdachte. ’s Hofs in zijn overwegingen besloten liggende oordeel dat er sprake was van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van aangever door vriend van verdachte, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 2. Situatie, waarin verdachte niet alleen kon maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zijn vriend moest verdedigen op wijze als hij heeft gedaan, wordt putatief noodweer genoemd. Dergelijk verweer (dat in hoger beroep niet is gevoerd) kan niet voor het eerst in cassatie aan de orde worden gesteld, nu gegrondheid daarvan onderzoek van feitelijke aard vergt waarvoor in cassatie geen plaats is. Volgt verwerping.