Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.7:3.7 Afscheiding van een bestanddeel in het OBW (conclusie)
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.7
3.7 Afscheiding van een bestanddeel in het OBW (conclusie)
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644805:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De vraag of dit eigendomsrecht al dan niet bezwaard is, komt aan bod in Hoofdstuk 4, §4.8.9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van de bevindingen van dit deel over het OBW dringt de conclusie zich als het ware op. Aanvankelijk werd het bestaan van bij- en hulpzaken onder het OBW verondersteld, maar deze subtiliteiten verdwenen in de loop der jaren meer en meer uit het Nederlandse recht. Waar het Duitse recht soortgelijke categorieën van zaken nog steeds kent in de vorm van unwesentliche Bestandteile en Zubehöre, was onder het OBW slechts ruimte voor zaken en bestanddelen. Een zaak werd bestanddeel als sprake was van een zaakseenheid. Uiteindelijk bepaalde de verkeersopvatting of hiervan sprake was. Leidde een (denkbeeldige) afscheiding tot een onaanvaardbaar economisch verlies, dan werd een zaakseenheid verondersteld. De mate van verbinding kon een indicatie zijn, bepalend was zij niet voor de vaststelling of een zaakseenheid was ontstaan. Was een zaak een bestanddeel geworden dan gingen de zakelijke rechten die voordien op haar rustten definitief teniet. Het eindpunt van hun bestaan leek daarmee bereikt.
Niet alleen de opvatting over het al dan niet bestaan van bij- en hulpzaken veranderde, ook die over de natrekkingsregels. Deze werden oorspronkelijk als regelend recht gezien, maar zij werden onder invloed van de rechtspraak meer en meer dwingendrechtelijk van aard. Aan de hand van de verkeersopvatting moest men vaststellen of een zaak door een andere zaak werd nagetrokken, de wil der partijen deed er niet meer toe. De verkeersopvatting werd doorgaans vastgesteld op basis van de feiten, soms op basis van wettelijke regels. In de literatuur werd gepleit voor het niet te snel aannemen van natrekking. Was het onduidelijk of hiervan sprake was, dan verdiende het de voorkeur volgens de schrijvers om niet uit te gaan van natrekking, doch een verscheidenheid van zaken aan te nemen.
Onder het OBW gold de hoofdregel dat het eigendomsrecht op een afgescheiden bestanddeel was afgeleid van het eigendomsrecht van de hoofdzaak. Het eigendomsrecht werd gecontinueerd in afgesplitste vorm op het afgescheiden deel. Hetzelfde gold voor de beperkte rechten van de hoofdzaak. Ook zij kwamen te rusten op de afgescheiden zaak, tenzij het wettelijke systeem zich hiertegen verzette. Zo kon een hypotheekrecht slechts op een onroerende zaak rusten, met als gevolg dat een afgescheiden bestanddeel (roerende zaak) niet langer onder dat hypotheekrecht viel. In dat geval werd het bestanddeel naast de fysieke verwijdering ook juridisch losgetrokken van het zakelijke recht en was ten aanzien daarvan geen sprake van continuïteit.
De uitzondering op de hoofdregel deed zich voor als een ander dan de eigenaar van de hoofdzaak het eigendomsrecht op een afgescheiden bestanddeel verkreeg. Deze werd eigenaar ofwel op grond van een overdracht ofwel op grond van een “recht van verwerving”. Kenmerkend voor laatstgenoemd recht was dat daarmee onafhankelijk van de wil van de eigenaar van de hoofdzaak een eigendomsrecht werd verkregen. Plukte een bloot-eigenaar vruchten van de boom die op zijn grond stond, dan werd niet hij, maar de vruchtgebruiker eigenaar van die vruchten. Het eigendomsrecht dat men via het “recht van verwerving” verkreeg, was niet een afgeleide van het eigendomsrecht op de hoofdzaak, maar een nieuw recht.1 Daarom leefden de beperkte rechten die op de hoofdzaak rustten niet op het afgescheiden deel voort. Dit ”echt van verwerving” was in alle afscheidingsrechten (iura tollendi) verdisconteerd.