Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/5.6:5.6 Conclusie
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/5.6
5.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS457687:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk stond het onderscheid tussen een formele en een materiële interpretatie van het budgetrecht centraal. Ik ben ingegaan op de manier waarop dit onderscheid sinds de eurocrisis is gebruikt, om tot bruikbare definities voor dit onderzoek te komen. Het formele budgetrecht is gericht op het bij wet mede vaststellen van begrotingen door het parlement, terwijl het materiële budgetrecht draait om de zeggenschap van het parlement bij de besteding van rijksuitgaven. Het parlement moet in het kader van het materiële budgetrecht daarom niet slechts geïnformeerd worden over begrotingen, maar moet uitdrukkelijk of stilzwijgend instemmen met voorgenomen, concrete uitgaven.
Vervolgens is de eerste subvraag van dit proefschrift onderzocht: moet artikel 105 Gw als een formele of als een materiële norm worden geïnterpreteerd? De in dit hoofdstuk gegeven schets van de omvang en betekenis van het budgetrecht biedt aanknopingspunten voor een materiële lezing van het budgetrecht. De ontwikkeling van het budgetrecht laat immers zien dat het parlement steeds meer zeggenschap heeft gekregen bij de besteding van overheidsgelden. Hedendaagse discussies over het budgetrecht zijn met name gericht op de feitelijke mate van zeggenschap van het parlement bij de uitoefening van het budgetrecht. Dat het parlement die zeggenschap toekomt, is in de staatsrechtelijke literatuur weinig omstreden. Een materiële interpretatie van het budgetrecht ligt daarom het meest voor de hand.