Commissie van Beroep Banken, 15-03-2017, nr. CvB TRB 2016/1
ECLI:NL:XX:2017:43
- Instantie
Commissie van Beroep Banken
- Datum
15-03-2017
- Magistraten
Mrs. H.F.M. Hofhuis, R.E. van Esch, dr. W.M. van den Goorbergh, W.J.J. Los, A. Smeeïng-van Hees
- Zaaknummer
CvB TRB 2016/1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:XX:2017:43, Uitspraak, Commissie van Beroep Banken, 15‑03‑2017
Uitspraak 15‑03‑2017
Mrs. H.F.M. Hofhuis, R.E. van Esch, dr. W.M. van den Goorbergh, W.J.J. Los, A. Smeeïng-van Hees
Partij(en)
BESLISSING van 15 maart 2017 in het hoger beroep van de algemeen directeur van de Stichting Tuchtrecht Banken tegen de beslissing van 30 november 2016 van de Tuchtcommissie in de zaak van
de ALGEMEEN DIRECTEUR VAN DE STICHTING TUCHTRECHT BANKEN, mr. J. Brouwer, kantoor houdende te Amsterdam,
tegen
de X, te [woonplaats],
werkzaam geweest bij [de bank] (hierna: de bank).
De partijen worden hierna aangeduid als ‘klager’ respectievelijk ‘verweerder’.
1. Het verloop van de procedure
1.1
De bank heeft op 6 januari 2016 bij klager een melding gedaan over gedragingen van verweerder. Klager heeft daarop een onderzoek ingesteld dat heeft geresulteerd in een klachtrapport van 2 juni 2016, waarmee klager een klacht over verweerder heeft voorgelegd aan de Tuchtcommissie. Het verloop van de daarop gevolgde procedure voor de Tuchtcommissie is vermeld in de beslissing van 30 november 2016 van dat college, die op deze zelfde datum aan de partijen is verzonden en aan deze beslissing van het College van Beroep is gehecht.
1.2
Klager heeft op 28 december 2016 pro forma beroep ingesteld tegen de beslissing van 30 november 2016 van de Tuchtcommissie. Met een brief van 19 januari 2017 (hierna: ‘het beroepschrift’), met vijf bijlagen, heeft klager de (nadere) gronden van zijn beroep ingediend.
1.3
Verweerder is in de gelegenheid gesteld te reageren op het beroepschrift. Hij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
1.4
De Commissie van Beroep heeft de zaak behandeld op een vergadering van 8 maart 2017. Daarbij zijn verschenen enerzijds mevrouw mr. C. Verboom-Kortlever en mr. M.A. van der Lecq namens klager en anderzijds verweerder. Mr. Verboom heeft het woord gevoerd mede aan de hand van een pleitnotitie, die aan de Commissie van Beroep is overgelegd. Verweerder heeft zijn zienswijze gegeven.
2. De feiten waarvan kan worden uitgegaan
2.1
Verweerder is vanaf 5 mei 2014 op uitzendbasis werkzaam geweest bij de bank, als medewerker kantoren. In deze functie had hij klantcontacten waarbij hij adviseerde over onder meer kwesties betreffende spaarrekeningen, betalingsverkeer en verzekeringen. Hij heeft op 2 juni 2015 de bankierseed of -belofte (hierna tezamen aangeduid als ‘de bankierseed’) afgelegd. Daarmee heeft hij zich tevens gebonden aan de Gedragsregels bancaire sector (hierna: de Gedragsregels).
2.2
Op 14 augustus 2015 is van een zakelijke rekening van een klant van de bank (een vennootschap die hierna wordt aangeduid als ‘de klant van de bank’) een geldbedrag van € 2.450 overgemaakt naar een (privé)rekening van verweerder bij een andere bank (hierna: de andere bank). De betaling was binnen het bedrijf van de klant van de bank voorbereid door een stagiaire die daar toen werkzaam was (hierna te noemen: ‘mevrouw W.’). Deze stagiaire was destijds de vriendin van verweerder. Het overgemaakte geldbedrag was niet bestemd voor verweerder, maar voor de verhuurder van een pand waarvan de klant van de bank de huurder was. De betaling had als omschrijving ‘Huur [pand in Amsterdam]’.
2.3
Verweerder heeft kort na de ontvangst van het genoemde bedrag gezien dat het bedrag niet voor hem bestemd was. Hij heeft op 16 augustus 2015 het postadres voor zijn rekening bij de andere bank gewijzigd van zijn werkelijke woonadres in een adres in België, waar naar zijn zeggen zijn moeder woont. Zelf is hij niet verhuisd. Verweerder heeft voorts op 17 augustus 2015 het door hem ontvangen bedrag overgemaakt naar aan een andere (privé)rekening van hem, en wel een rekening bij de bank. Op diezelfde dag heeft hij vrijwel het gehele bedrag van die rekening overgemaakt naar in totaal drie andere rekeningen van hem bij de bank. Hij heeft vervolgens op 20 augustus 2015 een gedeelte groot € 1.225 (met de vermelding ‘vakantie shoppen’) via een andere rekening van hem, verweerder, bij de bank overgemaakt op een rekening van zijn genoemde vroegere vriendin, mevrouw W.
2.4
Omstreeks 18 augustus 2015 en ook enige tijd later heeft de bank, na een melding van de klant van de bank, aan verweerder verzocht het geldbedrag van € 2.450 terug te storten. Aan deze verzoeken en aan een later gelijkluidend verzoek van de klant van de bank heeft verweerder niet meteen gevolg gegeven. Hij heeft het ten onrechte ontvangen bedrag teruggestort op 8 oktober 2015. De bank heeft een intern onderzoek ingesteld naar de gang van zaken en heeft hem in dat verband op 19 oktober 2015 doen horen.
2.5
De bank heeft, als gevolg van het gebeurde, op 20 oktober 2015 de relatie met verweerder, als uitzendkracht, beëindigd. Dit heeft de bank met een brief van 24 november 2015 aan hem bevestigd.
2.6
De bank heeft ten aanzien van het handelen van verweerder, met inbegrip van diens weigering om — zoals zij het heeft uitgedrukt — volledig opening van zaken te geven, een melding gedaan bij klager. Klager heeft vervolgens een onderzoek uitgevoerd, dat heeft geresulteerd in het klachtrapport van 2 juni 2016. Hij heeft dit rapport aan de secretaris van de Tuchtcommissie gezonden. In de kern houdt de daarin opgenomen klacht in dat het handelen van verweerder in strijd is met hetgeen hem betaamt op grond van de artikelen 1, 4 en 6 van de Gedragsregels. Klager bepleit oplegging van een boete van € 500 aan verweerder en een maatregel in de vorm van opleiding of verplicht te volgen educatie.
3. De beslissing van de Tuchtcommissie en de gronden van deze beslissing
3.1
De Tuchtcommissie heeft klager niet-ontvankelijk verklaard.
3.2
Kort samengevat heeft de Tuchtcommissie hiertoe het volgende overwogen. De aanhef van de wettelijk verplichte bankierseed vermeldt:
‘Ik zweer/beloof binnen de grenzen van mijn functie die ik op enig moment in de bancaire sector vervul (…)’.
De tekst van de bankierseed heeft louter betrekking op het handelen van de bankmedewerker in kwestie (‘de beëdigde’) binnen de grenzen van zijn functie. Het handelen van verweerder dat ten grondslag ligt aan de klacht, valt buiten het werkingsgebied van de bankierseed. Verweerder heeft immers geen handelingen verricht in de uitoefening van zijn functie bij de bank. Daarom is klager niet-ontvankelijk in zijn klacht en komt de Tuchtcommissie niet toe aan een oordeel over het onderdeel van de klacht dat betrekking heeft op het niet-geven van openheid over de gang van zaken.
4. De grieven van klager (samengevat)
4.1
De Tuchtcommissie heeft een te beperkte uitleg gegeven van de werkingssfeer van de Gedragsregels en de reikwijdte van het daarmee samenhangende tuchtrecht. Daarbij heeft primair te gelden dat de handelingen en gedragingen van verweerder vanuit zijn functie onder de bankierseed en de Gedragsregels vallen. Verweerder is niet goed met geld van een ander omgegaan en de klant van de bank heeft daardoor hinder ondervonden. Daar komt bij dat verweerder tegenover interne medewerkers van de bank, zijn toenmalige ‘werkgever’, geen openheid van zaken over zijn handelen heeft gegeven. Ook heeft hij niet gereageerd op de aanschrijving van hem, als ‘beëdigde’, door klager en is hij niet verschenen op de vergadering van de Tuchtcommissie. Ook deze aspecten van zijn gedragingen vallen onder het bereik van de door hem afgelegde bankierseed.
4.2
Subsidiair betoogt klager dat verweerder door diens dubieuze en onzorgvuldige handelen de kern van zijn beroepsnormen heeft geraakt en daarmee het maatschappelijke vertrouwen in de banksector heeft geschonden. De Tuchtcommissie heeft in elk geval in dit opzicht een te beperkte uitleg gegeven aan het doel en de strekking van de bankierseed. Ook handelen in de privésfeer kan, afhankelijk van de verdere omstandigheden, tot tuchtrechtelijke verwijtbaarheid leiden. Dit laatste is hier het geval.
4.3
Meer subsidiair stelt klager dat de Tuchtcommissie ook in meer algemene zin een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht. Privéhandelingen van een beëdigde die — zoals de handelingen van verweerder — verweven zijn met de functie van de betrokkene bij een bank, dienen onder de gelding van het tuchtrecht te vallen. Anders zou volledig voorbijgegaan worden aan de strekking en het doel van het bancaire tuchtrecht en zou dit aan kracht inboeten.
5. Het standpunt van verweerder
5.1
Verweerder heeft tijdens de vergadering op 8 maart 2017 verklaard dat de hem verweten gedragingen louter gedragingen van hem privé zijn en daardoor niet onder het bereik van de bankierseed en het daarmee verbonden tuchtrecht vallen. Hij bepleit op deze grond verwerping van de grieven.
5.2
Verweerder heeft geen antwoord gegeven op vragen van de Commissie van Beroep over datgene wat hij met zijn (toenmalige) vriendin heeft besproken. Hij beschouwt dat als privégegevens, waarover hij geen verantwoording behoeft af te leggen.
6. De tekst van de bankierseed en van de hier mogelijk relevante Gedragsregels
6.1
Voor bankmedewerkers zoals verweerder bepaalt de — op de Wet op het financieel toezicht berustende — Regeling eed of belofte bancaire sector 2015 (hierna: de Regeling) in artikel 2 lid 3 het volgende:
‘Voor de door een natuurlijk persoon als bedoeld in […] af te leggen eed of belofte wordt gebruik gemaakt van een door de onderneming vast te stellen formulier dat ten minste de volgende elementen bevat:
- a.
het integer en zorgvuldig uitoefenen van de functie;
- b.
het maken van een zorgvuldige afweging tussen de belangen van de partijen die bij de onderneming betrokken zijn, in het bijzonder die van klanten en de maatschappij;
- c.
het centraal stellen van het belang van de klant;
- d.
het naleven van wetten, reglementen en gedragscodes; en
- e.
het behouden en bevorderen van het vertrouwen in de financiële sector.’
6.2
De Gedragsregels houden voor zover thans van belang het volgende in:
‘1. U werkt integer en zorgvuldig
Dit betekent onder andere dat u in uw werk
- •
eerlijk en betrouwbaar bent;
- •
verstrengeling van uw eigen belangen met de belangen van anderen voorkomt;
- •
de schijn van belangenverstrengeling voorkomt.
(…)
4. U houdt zich aan de wet en andere regels die voor uw werk bij de bank gelden
Dit betekent onder andere dat u zich in uw werk houdt aan de wet, reglementen, gedragsregels en instructies die voor uw werk bij de bank gelden.
(…)
6. U bent open en eerlijk over uw gedrag en kent uw verantwoordelijkheid naar de samenleving’.
Dit betekent dat u uw gedrag in uw werk laat toetsen aan deze gedragsregels.’
7. De beoordeling van het hoger beroep
7.1
In het dossier van deze zaak bevindt zich niet (een kopie van) het formulier met de tekst van de door verweerder op 2 juni 2015 afgelegde bankierseed. De in 3.2 aangehaalde tekst van de aanhef van de bankierseed komt niet voor in de wet of in de Regeling. Beide partijen hebben met zoveel woorden verklaard dat deze aanhef wel deel uitmaakt van de tekst van de bankierseed die verweerder heeft afgelegd. De Commissie van Beroep neemt dit daarom als vaststaand aan en gaat ervan uit dat de tekst van de bankierseed in dit geval gelijk is geweest aan die welke is gepubliceerd op www.tuchtrechtbanken.nl. Deze tekst bevat, naast de aanhef en de passages die corresponderen met de onderdelen a-e van artikel 2 lid 3 van de Regeling, onder meer de volgende tekst:
‘Tevens bevestigt [naam betrokkene] zich te houden aan de gedragsregels en de handhaving van de gedragsregels en de uitoefening van de bevoegdheden op grond van het Tuchtreglement bancaire sector te erkennen’.
7.2
De kern van deze tuchtzaak kan worden samengevat in de vraag of het handelen van verweerder binnen het bereik van de door hem afgelegde bankierseed (met inbegrip van de daarin opgenomen verwijzing naar de Gedragsregels) valt. De Tuchtcommissie heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Verweerder heeft zich bij dit oordeel van de Tuchtcommissie aangesloten. Klager bepleit het tegendeel.
7.3
Alvorens deze vraag te beantwoorden stelt de Commissie van Beroep vast dat het in deze zaak gaat om gedragingen van verweerder die zich in elk geval hierdoor kenmerken dat hij
- (i)
welbewust een niet voor hem bestemd geldbedrag dat kenbaar afkomstig was van een klant van de bank, vrijwel direct na de ontvangst heeft overgemaakt op andere rekeningen van hemzelf (in dit geval bij de bank, waar hij toen ook werkzaam was);
- (ii)
ook volgens zijn eigen verklaring wist dat het bedoelde geldbedrag afkomstig was van een vennootschap waar zijn toenmalige vriendin werkzaam was en dat deze vriendin een rol had gespeeld bij de foutieve (dat wil zeggen: door die vennootschap niet beoogde) overboeking naar een rekening van hem, verweerder;
- (iii)
precies de helft van het ten onrechte ontvangen bedrag vrijwel direct heeft doorbetaald aan die toenmalige vriendin.
7.4
De Commissie van Beroep acht deze handelwijze van verweerder niet integer en niet zorgvuldig. Het feit dat hij het niet voor hem bestemde geldbedrag heeft doorgeleid naar andere rekeningen van hem en uiteindelijk voor de helft naar een rekening van zijn toenmalige vriendin, wettigt het vermoeden dat hij heeft geprobeerd dat geldbedrag in twee gelijke delen ten goede te laten komen aan hem en zijn toenmalige vriendin. Voor dit vermoeden bestaat temeer reden nu hij precies in de periode van deze overmakingen het postadres van de rekening bij de andere bank waarop het geldbedrag ten onrechte was binnengekomen, heeft gewijzigd in een adres in België. Voor deze adreswijziging, die volgens zijn eigen mededeling enige tijd later ongedaan is gemaakt, heeft hij geen verklaring willen geven. Ook overigens komt in het dossier geen enkele acceptabele verklaring voor deze mutatie naar voren.
7.5
Hierbij kan het volgende worden aangetekend. Het staat een ieder — en dus ook verweerder in deze zaak — vrij om het antwoord op bepaalde vragen wel te kennen maar niet te geven. In zo'n geval kan de Commissie van Beroep daaraan de conclusies verbinden die zij gepast oordeelt. Dit heeft de Commissie van Beroep tijdens haar vergadering ook aan verweerder meegedeeld. In dit geval trekt de Commissie van Beroep uit de vaststaande feiten en verweerders weigering om enkele wezenlijke nadere vragen daarover te beantwoorden de conclusie dat hij en zijn toenmalige vriendin hebben samengespannen om geld dat niet voor hen bestemd was, door een samenstel van overmakingen — deels via de bank — voor zichzelf te behouden. Daarbij kan in het midden blijven of verweerder wist dat zijn toenmalige vriendin het geld zou gaan overmaken naar een rekening van hem of dat hij pas nadat dit was gebeurd bekend is geworden met deze onjuiste overmaking.
7.6
De Commissie van Beroep zal de in 7.2 vermelde kernvraag beantwoorden op basis van deze, in 7.3–5 vermelde, gegevens. Zij zal geen algemeen geldende criteria geven voor de grens tussen zuiver privé handelen (dat mogelijk en in beginsel buiten het bereik van het bancaire tuchtrecht ligt) en handelen dat zich volledig binnen de uitoefening van de functie van de bankmedewerker in kwestie afspeelt. Het gaat in deze zaak om gedragingen die zich in hoofdzaak buiten de eigenlijke uitoefening van verweerders functie bij de bank hebben afgespeeld, maar wel enkele raakvlakken hebben gehad met de bank. De mogelijke benadeling betrof immers een klant van de bank, en verweerder heeft voor het betalingsverkeer na de onjuiste ontvangst van het bedrag van € 2.450 gebruikgemaakt mede van rekeningen van hem bij de bank. Bovendien heeft hij — ook in het interne onderzoek van de bank naar zijn handelen — geweigerd antwoord te geven op bepaalde vragen over de achtergrond van de foutieve overschrijving naar zijn rekening.
7.7
De Commissie van Beroep acht de hier beschreven handelwijze van verweerder in strijd met de bankierseed, en in het bijzonder (en in elk geval) met de Gedragsregels 1 en 6 en met de in 7.1, slot, aangehaalde passage van de door verweerder afgelegde bankierseed. Bankmedewerkers — zeker ook degenen onder hen met frequente klantcontacten, zoals bij verweerder het geval was — dienen ook in hun persoonlijke betalingsverkeer, in hun ‘omgang met geld van een ander’, integer en zorgvuldig te zijn. Als klanten van de bank zouden weten dat degene die hen namens de bank adviseert, niet aan deze eis voldoet, zullen zij contacten met de betrokkene in de uitoefening van diens functie bij de bank willen vermijden. Daarenboven is van belang dat verweerder de bank niet volledig heeft geïnformeerd over datgene wat zij, bij haar interne onderzoek naar het handelen van hem, wilde weten over de achtergronden van dat handelen.
7.8
Dit leidt tot gegrondbevinding van de klacht ten aanzien van de in 7.7 vermelde elementen. Datgene wat partijen nader hebben aangevoerd, voert de Commissie van Beroep niet tot een andere beslissing. Voor zover klager andere aspecten van het handelen van verweerder aan zijn klacht ten grondslag heeft gelegd, is de klacht ongegrond.
7.9
De Commissie van Beroep acht in dit geval geen reden aanwezig voor het opleggen van enige sanctie op grond van het ook in dit hoger beroep toepasselijke artikel 3.9.2 van het Tuchtreglement bancaire sector. In de eerste plaats kon er onduidelijkheid bestaan (niet over de onzorgvuldigheid van verweerders gedrag in deze kwestie, maar) over de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht ten aanzien van handelingen die zich ten minste voor een groot deel in de privésfeer hebben afgespeeld. In de tweede plaats heeft verweerder al aanzienlijk nadeel van zijn gedrag ondervonden. Zoals vermeld, is zijn arbeidsrelatie bij de bank als gevolg van het gebeurde geëindigd, en wel op een tijdstip waarop — naar hij zelf heeft verklaard — zijn werkzaamheid op uitzendbasis zou worden omgezet in een vast dienstverband.
7.10
Dit alles leidt tot de hierna vermelde beslissing.
8. De beslissing in het hoger beroep
De Commissie van Beroep:
8.1
vernietigt de beslissing van 30 november 2016 van de Tuchtcommissie;
8.2
verklaart de klacht gegrond ten aanzien van de in deze beslissing beschreven aspecten en verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
8.3
bepaalt dat aan verweerder geen maatregel wordt opgelegd.
Deze beslissing is gegeven op 15 maart 2017 door mr. H.F.M. Hofhuis, voorzitter, mr. R.E. van Esch, dr. W.M. van den Goorbergh, mr. W.J.J. Los en mr. A. Smeeïng-van Hees, leden.
(voorzitter)
(secretaris)
Deze beslissing is aan partijen verzonden op 17 maart 2017