Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 22-01-2026, nr. C-633/24
ECLI:EU:C:2026:36
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
22-01-2026
- Magistraten
I. Ziemele, A. Kumin, S. Gervasoni
- Zaaknummer
C-633/24
- Roepnaam
Sovisso
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:36, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 22‑01‑2026
Uitspraak 22‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Sociale zekerheid — Migrerende werknemers — Verordening (EG) nr. 883/2004 — Gelijke behandeling — Samentelling van tijdvakken — Artikel 58 — Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen — Invaliditeitsuitkeringen — Aanvulling om het wettelijke minimumbedrag van de invaliditeitsuitkering te garanderen — Strengere voorwaarden inzake de duur van de premie- of bijdragebetaling voor werknemers die hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend
I. Ziemele, A. Kumin, S. Gervasoni
Partij(en)
In zaak C-633/24 [Sovisso] i.,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij beslissing van 17 september 2024, ingekomen bij het Hof op 27 september 2024, in de procedure
F.F.
tegen
Istituto nazionale della previdenza sociale (INPS),
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: I. Ziemele, kamerpresident, A. Kumin en S. Gervasoni (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
F.F., vertegenwoordigd door A. Andreoni en A. Serreti, avvocati,
- —
Istituto nazionale della previdenza sociale (INPS), vertegenwoordigd door A. Patteri en S. Preden, avvocati,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door J. Benešová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.-R. Killmann en D. Recchia als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 58 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB L 200, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen F.F. en het Istituto nazionale della previdenza sociale (nationaal instituut voor sociale zekerheid, Italië) (hierna: ‘INPS’) over de betaling van een aanvulling om het in het nationale recht vastgelegde wettelijke minimumbedrag van de invaliditeitsuitkering te garanderen.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
Op 21 juni 1999 hebben de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat zeven overeenkomsten gesloten, waaronder de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (PB 2002, L 114, blz. 6), die met name is gewijzigd bij besluit nr. 1/2012 van 31 maart 2012 van het Gemengd Comité ingesteld krachtens de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (PB 2012, L 103, blz. 51; hierna: ‘OVVP’).
4
Artikel 8 OVVP heeft als opschrift ‘Coördinatie van de stelsels voor sociale zekerheid’ en luidt:
‘De overeenkomstsluitende partijen coördineren overeenkomstig bijlage II hun stelsels voor sociale zekerheid, met name met het oog op:
[…]
- b)
vaststelling van de toepasselijke wetgeving;
[…]’
5
Bijlage II (‘Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels’) bij de OVVP bepaalt in artikel 1:
- ‘1.
De overeenkomstsluitende partijen komen overeen ten aanzien van de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels onderling de rechtshandelingen van de Europese Unie toe te passen zoals vermeld in en gewijzigd bij deel A van deze bijlage, of daarmee gelijkwaardige regels.
- 2.
In de in deel A van deze bijlage genoemde rechtshandelingen omvat de uitdrukking ‘lidstaat/lidstaten’ niet alleen de staten die vallen onder de desbetreffende rechtshandelingen van de Europese Unie, maar tevens Zwitserland.’
6
Deel A (‘Rechtshandelingen waarnaar wordt verwezen’) van bijlage II bij de OVVP omvat onder meer verordening nr. 883/2004, die in de plaats is gekomen van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2).
Unierecht
7
Artikel 1 van verordening nr. 883/2004 heeft als opschrift ‘Definities’ en bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze verordening:
[…]
- t)
worden onder ‘tijdvakken van verzekering’ verstaan de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van werkzaamheden in loondienst of van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden, die als tijdvakken van verzekering worden omschreven of aangemerkt op grond van de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, of geacht worden te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij door die wetgeving als gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering zijn erkend;
[…] ’
8
Artikel 2 van deze verordening heeft als opschrift ‘Personele werkingssfeer’ en bepaalt in lid 1:
‘Deze verordening is van toepassing op onderdanen van een lidstaat, staatlozen en vluchtelingen, die in een van de lidstaten wonen, en op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, alsmede op hun gezinsleden en hun nabestaanden.’
9
Artikel 3 van die verordening heeft als opschrift ‘Materiële werkingssfeer’ en luidt:
- ‘1.
Deze verordening is van toepassing op alle wetgeving betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
[…]
- c)
uitkeringen bij invaliditeit;
[…]’
10
Artikel 4 van verordening nr. 883/2004 heeft als opschrift ‘Gelijke behandeling’ en luidt als volgt:
‘Tenzij in deze verordening anders bepaald, hebben personen op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.’
11
Artikel 6 van deze verordening heeft als opschrift ‘Samentelling van tijdvakken’ en luidt:
‘Tenzij in deze verordening anders [is] bepaald, houdt het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wetgeving:
- —
het verkrijgen[] […] van het recht op prestaties,
[…]
afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, voor zover nodig, rekening met de overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, alsof die tijdvakken overeenkomstig de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld.’
12
Artikel 52 van die verordening heeft als opschrift ‘Toekenning van uitkeringen’ en bepaalt:
- ‘1.
Het bevoegde orgaan berekent het bedrag van de verschuldigde uitkering:
- a)
krachtens de door het orgaan toegepaste wetgeving alleen als uitsluitend op grond van de nationale wetgeving is voldaan aan de voorwaarden die recht geven op een uitkering (autonoom pensioen);
- b)
door eerst een theoretisch bedrag en vervolgens het werkelijke bedrag (uitkering pro rata) als volgt te berekenen:
- i)
het theoretische bedrag van de uitkering is gelijk aan de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en/of wonen, welke krachtens de wetgevingen van de andere lidstaten vervuld zijn, zouden zijn vervuld overeenkomstig de wetgeving die het orgaan op de datum van vaststelling van de uitkering toepast. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wetgeving onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt dit bedrag beschouwd als het theoretische bedrag;
- ii)
vervolgens stelt het bevoegde orgaan het werkelijke bedrag van de pro-rata-uitkering vast door op het theoretische bedrag het verhoudingsgetal van de duur van de tijdvakken van verzekering en/of van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door het orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, en van de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgevingen van alle betrokken lidstaten zijn vervuld.
[…]
- 3.
De betrokkene is gerechtigd om van het bevoegde orgaan van elke lidstaat het hoogste uitkeringsbedrag te ontvangen dat overeenkomstig het bepaalde in lid 1, onder a) en b), berekend is.
[…]’
13
Artikel 58 van die verordening heeft als opschrift ‘Toekenning van een aanvulling’ en luidt als volgt:
- ‘1.
Degene die uitkeringen geniet waarop dit hoofdstuk van toepassing is, mag in de lidstaat waar hij woont en krachtens welke wetgeving hem een uitkering verschuldigd is, geen lagere uitkering ontvangen dan de minimumuitkering welke door de betrokken wetgeving is vastgesteld voor een tijdvak van verzekering of wonen dat gelijk is aan de gezamenlijke tijdvakken welke overeenkomstig dit hoofdstuk in aanmerking zijn genomen.
- 2.
Het bevoegde orgaan van de lidstaat betaalt de betrokkene, gedurende de tijd dat hij op het grondgebied van deze staat woont, een aanvullend bedrag uit dat gelijk is aan het verschil tussen de som van de krachtens dit hoofdstuk verschuldigde uitkeringen en het bedrag van de minimumuitkering.’
Italiaans recht
Wet nr. 153/69
14
Artikel 8 van legge n. 153 — Revisione degli ordinamenti pensionistici e norma in materia di sicurezza sociale (wet nr. 153 betreffende de herziening van de pensioenstelsels en regels inzake sociale zekerheid) van 30 april 1969 (GURI nr. 111 van 30 april 1969; hierna: ‘wet nr. 153/69’), met als opschrift ‘Verbetering van de pensioenvoorwaarden’, bepaalt in lid 2 dat in geval van samentelling van tijdvakken van verzekering en bijdragebetaling overeenkomstig internationale overeenkomsten of verdragen op het gebied van sociale zekerheid, Italiaanse onderdanen recht hebben op aanvulling van hun invaliditeitspensioen tot een minimumbedrag per maand, mits zij aantonen dat zij gedurende ten minste tien jaar bijdragen hebben betaald in het kader van een arbeidsovereenkomst in Italië.
Wet nr. 222/84
15
Artikel 1, lid 3, van legge n. 222 — Revisione della disciplina della disciplina della invalidità pensionabile (wet nr. 222 betreffende de herziening van de regeling inzake invaliditeitspensioenen) van 12 juni 1984 (GURI nr. 165 van 16 juni 1984; hierna: ‘wet nr. 222/84’) bepaalt:
‘De in dit artikel bedoelde invaliditeitsuitkering wordt berekend volgens de regels die gelden in het algemene voor werknemers in loondienst verplichte invaliditeits-, ouderdoms- en nabestaandenverzekeringsstelsel of bij de bijzondere beheersorganisaties voor zelfstandigen. Indien de uitkering lager is dan de minimumuitkering van de respectieve beheersorganisaties, wordt deze ten laste van het sociale fonds aangevuld, maximaal tot het bedrag van de minimumuitkering, met een bedrag dat gelijk is aan het sociale pensioen bedoeld in artikel 26 van [wet nr. 153/69], zoals nadien gewijzigd en aangevuld.’
16
Artikel 4, lid 1, van wet nr. 222/84 bepaalt dat de betrokkene voor het verkrijgen van het in de artikelen 1 en 2 van deze wet bedoelde recht op de invaliditeitsuitkering en het invaliditeitspensioen moet aantonen dat hij in totaal vijf jaar verzekeringsbijdragen heeft betaald, waarvan drie jaar bijdragen in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan de administratieve aanvraag.
Wet nr. 335/1995
17
Artikel 1, lid 16, van legge n. 335 — Riforma del sistema pensionistico obbligatorio e complementare (wet nr. 335 betreffende de hervorming van het stelsel van verplichte en aanvullende pensioenen) van 8 augustus 1995 (GURI nr. 190 van 16 augustus 1995, gewoon supplement nr. 101; hierna: ‘wet nr. 335/1995’) luidt als volgt:
‘De bepalingen inzake de aanvulling tot het wettelijke minimumbedrag zijn niet van toepassing op de pensioenen die uitsluitend op bijdragebetaling berusten [dat wil zeggen pensioenen die overeenkomen met de tijdvakken van bijdragebetaling sinds 1 januari 1996].’
Besluit nr. 577/1992
18
Artikel 3, lid 1, van ministerieel besluit nr. 577 — Regolamento recante norme sui trattamenti pensionistici per attività svolte all'estero e per i residenti all'estero (ministerieel besluit nr. 577 houdende bepalingen inzake pensioenuitkeringen voor werknemers in het buitenland en onderdanen in het buitenland) van 30 december 1992 (GURI nr. 116 van 20 mei 1993; hierna: ‘besluit nr. 577/1992’) bepaalt:
‘Wanneer de in Italië wonende pensioengerechtigde het recht heeft verworven op grond van de samentelling van de tijdvakken van verzekering en van premie- of bijdragebetaling zoals voorzien in de verordeningen van de Europese Economische Gemeenschap of in de internationale overeenkomsten op het gebied van sociale zekerheid die de instelling van het land van verblijf de verplichting opleggen om het bij nationale wet vastgestelde minimumbedrag te garanderen, wordt dit bedrag toegekend, mits aan de andere voorwaarden is voldaan, ook al is niet voldaan aan de eis [betreffende een minimale bijdrageperiode van ten minste één jaar in Italië].’
Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
19
Verzoeker in het hoofdgeding, die in Italië woont, heeft in de periode 1991–1994 in Zwitserland socialezekerheidsbijdragen betaald en vervolgens, tussen 1 april 2002 en 31 maart 2012, in Italië. In laatstgenoemde lidstaat zijn ook socialezekerheidsbijdragen te zijnen gunste bijgeschreven voor een periode van werkloosheid in 2012 en 2013.
20
Verzoeker in het hoofdgeding heeft bij het INPS verschillende aanvragen ingediend teneinde een invaliditeitsuitkering te ontvangen naar rato van de in Italië betaalde socialezekerheidsbijdragen, alsmede een aanvulling op deze uitkering om het in het nationale recht vastgelegde wettelijke minimumbedrag te garanderen. Zijn verzoeken zijn afgewezen, in wezen op grond dat hij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 4 van wet nr. 222/84. Het INPS heeft verzoeker in het hoofdgeding namelijk aangemerkt als een verzekerde die vanaf 1996 socialezekerheidsbijdragen heeft betaald en die onder artikel 1, lid 16, van wet nr. 335/1995 viel, en dus enkel aanspraak kon maken op de invaliditeitsuitkering krachtens de zogenoemde ‘op bijdragebetaling berustende’ regeling, in het kader waarvan de betaling van een aanvulling om het wettelijke minimumbedrag te garanderen krachtens diezelfde bepaling was uitgesloten. In de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt vermeld dat het INPS pas laat kennis heeft genomen van de door verzoeker in het hoofdgeding in Zwitserland vóór 1996 vervulde tijdvakken van bijdragebetaling, waardoor hij aan deze uitsluiting zou zijn ontsnapt.
21
Nadat zijn bezwaren bij het INPS waren afgewezen, heeft verzoeker in het hoofdgeding zich tot de Tribunale di Torino (rechter in eerste aanleg Turijn, Italië) gewend, die heeft geoordeeld dat zijn situatie onder artikel 8, lid 2, van wet nr. 153/69 viel en dat hij niet voldeed aan de in die bepaling gestelde voorwaarden om voor de gevraagde aanvulling in aanmerking te komen. Volgens deze bepaling moet de betrokkene ingeval tijdvakken van bijdragebetaling in Italië en in het buitenland worden samengeteld namelijk aantonen dat hij ten minste tien jaar bijdragen heeft betaald op grond van een arbeidsovereenkomst in Italië. Aangezien verzoeker in het hoofdgeding in Italië slechts 260 weken bijdragen had betaald, hetgeen overeenkomt met vijf jaar bijdragebetaling, heeft de Tribunale di Torino geoordeeld dat niet aan deze voorwaarde was voldaan en dat verzoeker in het hoofdgeding geen aanspraak kon maken op de betaling van een aanvulling om het in het nationale recht voorziene wettelijke minimumbedrag te garanderen, zelfs niet wanneer rekening werd gehouden met de bijdragen die hij vóór 1996 in Zwitserland had betaald.
22
Verzoeker in het hoofdgeding heeft tegen de uitspraak van de Tribunale di Torino beroep ingesteld bij de Corte d'appello di Torino (rechter in tweede aanleg Turijn, Italië), die deze uitspraak heeft bevestigd. Deze rechter heeft geoordeeld dat verzoeker in het hoofdgeding geen aanspraak kon maken op de aanvulling op de invaliditeitsuitkering om het wettelijke minimumbedrag te bereiken, aangezien hij al zijn bijdragen in Italië na 31 december 1995 had betaald, dat wil zeggen onder de op bijdragebetaling berustende regeling, in het kader waarvan het recht op de aanvulling om dat wettelijke minimumbedrag te bereiken is uitgesloten bij artikel 1, lid 16, van wet nr. 335/1995. Volgens de Corte d'appello di Torino kon verzoeker in het hoofdgeding evenmin aanspraak maken op deze aanvulling op grond van artikel 8, lid 2, van wet nr. 153/69, dat voorziet in een bijdrageplicht van tien jaar in Italië, omdat hij slechts vijf jaar bijdragebetaling in die lidstaat kon aantonen. Ten slotte was deze rechter van oordeel dat de betrokkene op grond van artikel 52, lid 3, van verordening nr. 883/2004 niet in aanmerking kwam voor een uitkering naar rato van de bijdragen die hij in Zwitserland en Italië had betaald.
23
Verzoeker in het hoofdgeding heeft tegen het arrest van de Corte d'appello di Torino cassatieberoep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), de verwijzende rechter. Deze rechter vraagt zich af of de Italiaanse regeling in overeenstemming is met artikel 58 van verordening nr. 883/2004 en met het beginsel van het vrije verkeer van werknemers, voor zover dit recht voor personen die niet alle tijdvakken van bijdragebetaling in Italië hebben vervuld, de betaling van de aanvulling ter waarborging van het in het nationale recht voorziene wettelijke minimum afhankelijk stelt van de voorwaarde van bijdragebetaling van tien jaar in Italië, terwijl personen die al hun tijdvakken van bijdragebetaling in Italië hebben vervuld, op grond van de artikelen 1 en 4 van wet nr. 222/84 in aanmerking kunnen komen voor deze aanvulling na slechts vijf jaar bijdragebetaling, waarvan drie in de laatste vijf jaar.
24
In die omstandigheden heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Staat de regeling van de […] Unie, met name artikel 58 van verordening [nr. 883/2004], in de weg aan een nationale regeling zoals die van artikel 8, lid 2, van wet nr. 153/69, die in geval van een verzoek om samentelling van tijdvakken van bijdragebetaling die in verschillende lidstaten van de […] Unie zijn vervuld, de toekenning van de aanvulling op de […] invaliditeitsuitkering om het wettelijke minimumbedrag te bereiken, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat gedurende tien jaar bijdragen in Italië zijn betaald, terwijl personen die alle tijdvakken van bijdragebetaling in Italië hebben vervuld, overeenkomstig de artikelen 1 en 4 van wet nr. 222/84 recht hebben op die aanvulling bij slechts vijf jaar bijdragebetaling ([waarvan] drie in de loop van de laatste vijf jaar)?’
25
Op 24 juni 2025 heeft het Hof de verwijzende rechter op grond van artikel 101, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering om verduidelijking verzocht teneinde vast te stellen of het hoofdgeding, gelet op de door het INPS in zijn opmerkingen gegeven uitlegging van het nationale recht, zijn voorwerp behield en, zo ja, wat de precieze draagwijdte van het nationale recht is, met inbegrip van de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione. In antwoord op dit verzoek heeft de verwijzende rechter bij brief, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 juli 2025, gepreciseerd dat het hoofdgeding zijn voorwerp behield en dat het INPS zich vergiste omtrent de draagwijdte van het Italiaanse recht en die van zijn rechtspraak.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
26
Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, voert het INPS in zijn opmerkingen aan dat de gestelde vraag zonder voorwerp is, aangezien volgens dit orgaan op grond van artikel 3 van decreet nr. 577/1992 en de uit de rechtspraak van de verwijzende rechter zelf voortvloeiende uitlegging van het nationale recht een in Italië wonende verzekerde die zowel in Italië als in een andere lidstaat tijdvakken van bijdragebetaling heeft vervuld, ten opzichte van verzekerden die uitsluitend in Italië bijdragen hebben betaald, niet aan bijkomende voorwaarden moet voldoen om de aanvulling op de invaliditeitsuitkering te ontvangen om het wettelijke minimumbedrag te bereiken.
27
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU en gezien de bevoegdheidsverdeling tussen de rechterlijke instanties van de Unie en die van de lidstaten acht moet slaan op de door de verwijzende rechter onder diens eigen verantwoordelijkheid omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst (arrest van 27 november 2025, Santander Renta Variable España Pensiones, Fondo de Pensiones, C-525/24, EU:C:2025:922, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
Voorts staat het uitsluitend aan de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen, waarbij voor deze vragen een vermoeden van relevantie geldt. Wanneer de gestelde vraag betrekking heeft op de uitlegging of de geldigheid van een regel van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden, tenzij de gevraagde uitlegging kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vraag (arrest van 24 juni 2025, GR REAL, C-351/23, EU:C:2025:474, punt 45).
29
In casu merkt de verwijzende rechter in antwoord op het aan hem gerichte verzoek van het Hof om verduidelijking op dat de uitlegging van het nationale recht die het INPS in zijn opmerkingen bij het Hof heeft gegeven, niet overeenstemt met de uitlegging die dit orgaan tot dan toe had verdedigd. Hij wijst erop dat het hoofdgeding zijn voorwerp behoudt, aangezien het verzoek van F.F. niet is toegewezen. Hij is van mening dat de uitlegging van de nationale bepalingen, in het bijzonder van artikel 3 van decreet nr. 577/1992, en van de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione, die het INPS in zijn opmerkingen bij het Hof heeft aangevoerd, onjuist is.
30
In het licht van de aldus door de verwijzende rechter verstrekte verduidelijkingen blijkt niet duidelijk dat de gestelde vraag zonder voorwerp is en dus hypothetisch van aard is in de zin van de in punt 28 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.
31
Hieruit volgt dat de prejudiciële vraag ontvankelijk is.
Ten gronde
32
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de OVVP, en meer in het bijzonder artikel 8 ervan en bijlage II erbij, bepaalt dat verordening nr. 883/2004 van toepassing is in situaties waarbij de lidstaten van de Unie en de Zwitserse Bondsstaat betrokken zijn, waarbij laatstgenoemde voor de toepassing van deze verordening moet worden gelijkgesteld met een lidstaat (zie in die zin arrest van 15 maart 2018, Blanco Marqués, C-431/16, EU:C:2018:189, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de verwijzende rechter zich afvraagt of de door de Italiaanse regeling gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor een aanvulling die bedoeld is om het minimumbedrag van een invaliditeitsuitkering te garanderen, in strijd zijn met het Unierecht, aangezien zij uitsluiten dat in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van bijdragebetaling in aanmerking worden genomen alsof zij in Italië waren vervuld. Hieruit volgt dat de prejudiciële vraag aldus moet worden opgevat dat zij niet alleen betrekking heeft op het in die vraag genoemde artikel 58 van verordening nr. 883/2004, maar ook op de artikelen 4 en 6 van deze verordening, die respectievelijk betrekking hebben op de beginselen van gelijke behandeling en samentelling van tijdvakken.
34
Geoordeeld dient dus te worden dat de verwijzende rechter met zijn vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 58 van verordening nr. 883/2004, gelezen in samenhang met de artikelen 4 en 6 van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die de toekenning van een aanvulling om het minimumbedrag van een invaliditeitsuitkering te garanderen voor verzekerden die in andere lidstaten bijdragen hebben betaald, afhankelijk stelt van een tijdvak van bijdragebetaling van tien jaar in die lidstaat, terwijl die regeling de toekenning van deze aanvulling voor degenen die uitsluitend in die lidstaat bijdragen hebben betaald, afhankelijk stelt van een tijdvak van bijdragebetaling van vijf jaar in die lidstaat, waarvan drie in de loop van de laatste vijf jaar.
35
Teneinde de verwijzende rechter een zinvol antwoord te geven, dient er allereerst aan te worden herinnerd dat verordening nr. 883/2004, die de afzonderlijke nationale stelsels beoogt te coördineren, die stelsels laat voortbestaan en geen gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid invoert. Volgens vaste rechtspraak blijven de lidstaten derhalve bevoegd om hun stelsels van sociale zekerheid in te richten (arrest van 14 maart 2019, Vester, C-134/18, EU:C:2019:212, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie staat het elke lidstaat dan ook vrij om met name de voorwaarden vast te stellen waaronder recht bestaat op uitkeringen (arrest van 14 maart 2019, Vester, C-134/18, EU:C:2019:212, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Bij de uitoefening van die bevoegdheid dienen de lidstaten niettemin het Unierecht in acht te nemen, en in het bijzonder de bepalingen van het VWEU betreffende de vrijheid van elke burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (arrest van 14 maart 2019, Vester, C-134/18, EU:C:2019:212, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Dienaangaande zij beklemtoond dat het VWEU een werknemer niet waarborgt dat de uitbreiding van zijn werkzaamheden naar meer dan één lidstaat of de verlegging daarvan naar een andere lidstaat, voor de sociale zekerheid neutraal is. Gelet op de verschillen tussen de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten, kan een dergelijke uitbreiding of verlegging naargelang het geval voor de betrokkene meer of minder voordelig of nadelig uitvallen voor zijn sociale bescherming. Hieruit volgt met name dat dergelijke wetgeving, ook wanneer de toepassing ervan minder gunstig uitvalt, in overeenstemming is met de artikelen 45 en 48 VWEU indien zij de betrokken werknemer niet benadeelt ten opzichte van degenen die al hun werkzaamheden uitoefenen in de lidstaat waar zij van toepassing is (zie in die zin arrest van 14 maart 2019, Vester, C-134/18, EU:C:2019:212, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Zo heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat het doel van artikel 45 VWEU niet zou worden bereikt indien migrerende werknemers, ten gevolge van de uitoefening van hun recht van vrij verkeer, voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen die hun door de wettelijke regeling van een lidstaat zijn gewaarborgd. Een dergelijk gevolg zou een werknemer van de Unie er immers van kunnen weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen en daarmee een belemmering van dit vrije verkeer kunnen opleveren (arrest van 14 maart 2019, Vester, C-134/18, EU:C:2019:212, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
De vereisten die voortvloeien uit de eerbiediging van het beginsel van het vrije verkeer van werknemers zijn op het gebied van de sociale zekerheid geconcretiseerd in verordening nr. 883/2004, waarvan artikel 4, betreffende het beginsel van gelijke behandeling, bepaalt dat personen die binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen, wat de wetgeving van een lidstaat betreft, op dezelfde wijze moeten worden behandeld als de onderdanen van die lidstaat.
41
Dit beginsel van gelijke behandeling verbiedt niet alleen openlijke discriminatie op grond van de nationaliteit van onder de socialezekerheidsregelingen vallende personen, doch ook iedere verkapte vorm van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leidt (arrest van 5 december 2019, Bocero Torrico en Bode, C-398/18 en C-428/18, EU:C:2019:1050, punt 40).
42
Zo moeten als indirect discriminerend worden beschouwd de voorwaarden van nationaal recht die, hoewel zonder onderscheid naar nationaliteit van toepassing, hoofdzakelijk of in de meeste gevallen migrerende werknemers treffen, alsook de zonder onderscheid van toepassing zijnde voorwaarden waaraan nationale werknemers gemakkelijker kunnen voldoen dan migrerende werknemers, of die in het bijzonder voor laatstgenoemden nadelig kunnen uitvallen (arrest van 5 december 2019, Bocero Torrico en Bode, C-398/18 en C-428/18, EU:C:2019:1050, punt 41).
43
Artikel 6 van verordening nr. 883/2004, betreffende het beginsel van samentelling van tijdvakken, bepaalt dat, tenzij in deze verordening anders is bepaald, het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wetgeving ‘het verkrijgen[] […] van het recht op prestaties[] […] afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, voor zover nodig, rekening [houdt] met de overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, alsof die tijdvakken overeenkomstig de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld’.
44
Ten slotte bepaalt artikel 58 van verordening nr. 883/2004 dat degene die een invaliditeitsuitkering geniet geen lagere uitkering mag ontvangen dan de minimumuitkering welke door de lidstaat waar hij woont is vastgesteld. Deze laatste lidstaat moet hem in voorkomend geval een aanvullend bedrag betalen dat gelijk is aan het verschil tussen de som van de verschuldigde uitkeringen en het bedrag van deze minimumuitkering.
45
Uit de punten 40 tot en met 44 van het onderhavige arrest volgt dat artikel 58 van verordening nr. 883/2004, gelezen in samenhang met de artikelen 4 en 6 van deze verordening, zich ertegen verzet dat een dergelijke aanvulling is geregeld op een wijze die ertoe leidt dat werknemers die hun recht van vrij verkeer op het grondgebied van de Unie hebben uitgeoefend, minder gunstig worden behandeld dan werknemers die geen gebruik hebben gemaakt van die vrijheid, omdat de tijdvakken waarin bijdragen zijn betaald krachtens de wetgeving van andere lidstaten niet op dezelfde wijze in aanmerking worden genomen als wanneer zij krachtens de wetgeving van de lidstaat van het bevoegde orgaan zouden zijn vervuld.
46
In casu blijkt uit de gegevens waarover het Hof beschikt dat verzoeker in het hoofdgeding, die de aanvulling op de invaliditeitsuitkering heeft aangevraagd om het wettelijke minimumbedrag in Italië te bereiken, bijdragen heeft betaald in de periode 1991–1994 op het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat en vervolgens, tussen 2002 en 2012, gedurende 260 weken in Italië, waarbij deze laatste periode overeenkomt met vijf jaar bijdragebetaling. Voor de jaren 2012 en 2013 zijn ook bijdragen te zijnen gunste bijgeschreven voor tijdvakken van werkloosheid in Italië.
47
Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regelgeving personen die niet uitsluitend vallen onder de op bijdragebetaling berustende regeling — die van toepassing is op de tijdvakken van bijdragebetaling die zijn vervuld vanaf 1 januari 1996 — en die in aanmerking komen voor een invaliditeitsuitkering die lager is dan het in die regelgeving vastgestelde wettelijke minimumbedrag, recht hebben op betaling van een aanvulling op die uitkering om dat minimumbedrag te bereiken. De toekenning van deze aanvulling op de invaliditeitsuitkering is onderworpen aan de voorwaarde van bijdragebetaling van vijf jaar, waarvan drie in de loop van de laatste vijf jaar. De verwijzende rechter wijst er evenwel op dat de verzekerde krachtens artikel 8, lid 2, van wet nr. 153/69 in geval van samentelling van tijdvakken van verzekering en bijdragebetaling overeenkomstig internationale overeenkomsten of verdragen op het gebied van sociale zekerheid, moet aantonen dat hij gedurende tien jaar bijdragen heeft betaald in het kader van een arbeidsovereenkomst in Italië.
48
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt het Italiaanse recht werknemers die hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend dan ook te onderwerpen aan strengere voorwaarden inzake de duur van bijdragebetaling in Italië dan werknemers die geen gebruik hebben gemaakt van deze vrijheid. Deze regeling lijkt niet toe te staan dat, voor het recht op de aanvulling op de invaliditeitsuitkering om het wettelijke minimumbedrag te bereiken, de in een andere lidstaat dan Italië vervulde tijdvakken van bijdragebetaling op dezelfde wijze in aanmerking worden genomen als wanneer zij in Italië waren vervuld, in strijd met hetgeen is vereist op grond van artikel 58 van verordening nr. 883/2004, gelezen in samenhang met de artikelen 4 en 6 van deze verordening.
49
Wat de gevolgen betreft die uit de voorgaande analyse moeten worden getrokken, zij er nog aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof wanneer het nationale recht, in strijd met het Unierecht, voorziet in een verschillende behandeling van verscheidene groepen personen, de leden van de benadeelde groep op dezelfde wijze moeten worden behandeld en op hen dezelfde regeling moet worden toegepast als op de andere belanghebbenden. De regeling die geldt voor de leden van de bevoordeelde groep blijft, zolang het Unierecht niet naar behoren wordt toegepast, het enige bruikbare referentiekader (arrest van 14 maart 2019, Vester, C-134/18, EU:C:2019:212, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, hebben werknemers die geen gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer en die hun volledige verzekeringstijdvakken in Italië hebben vervuld, recht op de aanvulling op de invaliditeitsuitkering om het wettelijke minimumbedrag te bereiken, indien zij aantonen dat zij vijf jaar bijdragen hebben betaald in Italië, waarvan drie in de loop van de laatste vijf jaar. Dit is dus de regelgeving die het bruikbare referentiekader in de zin van de in het vorige punt genoemde rechtspraak vormt (zie naar analogie arrest van 14 maart 2019, Vester, C-134/18, EU:C:2019:212, punt 47).
51
Het staat inderdaad aan de bevoegde nationale autoriteiten van de betrokken lidstaten om te bepalen welke middelen van nationaal recht het meest geschikt zijn om de gelijke behandeling van migrerende en niet-migrerende werknemers te bewerkstelligen. Beklemtoond zij echter dat dit doel a priori kan worden bereikt door migrerende werknemers die zich in een situatie als die van het hoofdgeding bevinden, onder dezelfde voorwaarden als niet-migrerende werknemers, een aanvulling op de invaliditeitsuitkering toe te kennen om het wettelijke minimumbedrag te bereiken (zie naar analogie arrest van 14 maart 2019, Vester, C-134/18, EU:C:2019:212, punt 48).
52
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 58 van verordening nr. 883/2004, gelezen in samenhang met de artikelen 4 en 6 van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die de toekenning van een aanvulling om het minimumbedrag van een invaliditeitsuitkering te garanderen voor verzekerden die in andere lidstaten bijdragen hebben betaald, afhankelijk stelt van een tijdvak van bijdragebetaling van tien jaar in die lidstaat, terwijl die regeling de toekenning van deze aanvulling voor degenen die uitsluitend in die lidstaat bijdragen hebben betaald, afhankelijk stelt van een tijdvak van bijdragebetaling van vijf jaar in die lidstaat, waarvan drie in de loop van de laatste vijf jaar.
Kosten
53
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 58 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, gelezen in samenhang met de artikelen 4 en 6 van deze verordening,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die de toekenning van een aanvulling om het minimumbedrag van een invaliditeitsuitkering te garanderen voor verzekerden die in andere lidstaten bijdragen hebben betaald, afhankelijk stelt van een tijdvak van bijdragebetaling van tien jaar in die lidstaat, terwijl die regeling de toekenning van deze aanvulling voor degenen die uitsluitend in die lidstaat bijdragen hebben betaald, afhankelijk stelt van een tijdvak van bijdragebetaling van vijf jaar in die lidstaat, waarvan drie in de loop van de laatste vijf jaar.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑01‑2026
Procestaal: Italiaans.