Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/1.1.2.c
1.1.2.c Synthese: de toestand van rechteloosheid als discriminatoir rechtsvacuüm
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS466474:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. wettenverzamelingen zoals Eisenlohr 1856; Romberg 1859, Tome II; Pataille & Huguet 1865; Lyon-Caen & Delalain 1889; Gesetze über das Urheberrecht 1891. Zie voorts Darras 1887, p. 181 e.v.; Briggs 1906, p. 57 e.v. (vgl. ook p. 190); Ladas 1938, p. 20 e.v.
Vgl. Demangeat 1844, p. 321-322.
Renault 1878, p. 6-7 (onderstreping toegevoegd). Renault was gedelegeerde bij de totstandkomingsconferentie van de Berner Conventie in 1885, de Parijse conferentie in 1896 en de Berlijnse herzieningsconferentie in 1908. Tijdens de Berlijnse conferentie was hij bovendien ook nog voorzitter en rapporteur van de Commissie. Art. 11 van de Franse Code civil — dat tot op heden ongewijzigd is gebleven — regelt de rechtsbevoegdheid van vreemdelingen: 'Eétranger jouira en France des mêmes droits civils que ceux qui sont ou seront accordés aux Frangais par les traités de la nation á laquelle cet étranger appartiendra.'
Zie alinea 48 hiervoor.
67. Synthese. Nemen wij het bovenstaande tezamen. In nagenoeg alle negentiende-eeuwse nationale auteurswetten was een beperking tot nationale werken of nationale auteurs opgenomen. Hoe deze beperking ook was vormgegeven — als afbakening van het toepassingsbereik van de nationale wet, of als beperking van de rechtsbevoegdheid van vreemdelingen —, in beide constellaties ontstond een rechtsvacum.
68. Eerste constellatie. In de eerste constellatie — een afbakening van het toepassingsbereik van de nationale wet — was primair sprake van een conflictenrechtelijke aangelegenheid, namelijk een afbakeningskwestie waardoor een rechtsva-cum ontstond. Maar het was niet alleen een conflictenrechtelijke aangelegenheid. Het rechtsvacum trof immers alleen vreemde werken of vreemde auteurs. Er was dus óók sprake van discriminatie, een vreemdelingenrechtelijke aangelegenheid.
69. Tweede constellatie. In de tweede constellatie — een beperking van de rechtsbevoegdheid van vreemdelingen — was primair sprake van een vreemdelingen-rechtelijke aangelegenheid, namelijk een rechtsbevoegdheidskwestie. Maar deze vreemdelingenrechtelijke aangelegenheid had ook een conflictenrechtelijke kant. Omdat de vreemdeling überhaupt geen drager van auteursrecht kon zijn, was er te zijnen aanzien immers geen op de bescherming toepasselijk recht, en was er dus een rechtsvacuilm, een conflictenrechtelijke aangelegenheid.
70. Discriminatoir rechtsvacuüm. Men ziet dat de toestand van rechteloosheid in beide constellaties twee kanten heeft: een vreemdelingenrechtelijke (discriminatie) en een conflictenrechtelijke (een rechtsvacua m). De toestand van rechteloosheid was dus, in beide constellaties, een discriminatoir rechtsvacua m.
71. Gebruikelijke constellatie. Meestal ging het om de eerste constellatie, dus om een afbakening van het toepassingsbereik van de nationale auteurswet.1 De eerste hindernis, die der rechtsbevoegdheid, was in de meeste landen geslecht: een vreemdeling kon meestal wel drager van auteursrecht zijn.2 De problemen ontstonden bij de vraag die zich vervolgens aandiende, de vraag naar het toepasselijke recht. Hier wist men zich vaak geconfronteerd met de tweede hindernis — een `slimme' afbakening van het toepassingsbereik van de nationale wet — waarover men alsnog in een rechtsvacuüm struikelde. Anno 1878 bevestigde Renault, een gezaghebbend auteur die later actief bij de totstandkoming van de Berner Conventie betrokken was, dat het in nagenoeg alle landen inderdaad géén kwestie van vreemdelingenrecht c.q. rechtsbevoegdheid was:
"En résumé, dans la doctrine qui avait prévalu, la protection assurée par nos lois aux auteurs avait un caractère exclusivement territorial à un point de vue négatif comme á un point de vue positif, en ce sens que de même qu'on protégerait toutes les ceuvres publiées en France, on ne protégeait que celles-là; la loi tenait compte du lieu de la publication. On voit donc que cette théorie n'avait rien de commun avec la question de la capacité des étrangers et de l'intemrétation de Part. 11 C. civ. (...) La situation que nous venons d'exposer était, sauf des nuances de detail, celle de pres-que tour les pays."3
72. Dat ligt, zoals wij al eerder zagen, ook voor hand. Men was doorgaans immers uit op zoveel mogelijk publicaties binnen het eigen territoir — want dat is gunstig voor de eigen industrie.4 Vanuit dat perspectief is de nationaliteit van de auteur niet van belang. De achterliggende gedachte was: wij belonen iedere auteur — óók de vreemdeling — die zijn werk te onzent publiceert. Een beperking tot nationale auteurs, zoals een beperking van de rechtsbevoegdheid van vreemdelingen, ligt dan dus minder in de rede.