Rb. Oost-Brabant, 14-07-2025, nr. 82/101840-23
ECLI:NL:RBOBR:2025:4390
- Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
- Datum
14-07-2025
- Zaaknummer
82/101840-23
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOBR:2025:4390, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 14‑07‑2025; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBOBR:2024:4204, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 20‑08‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig)
Uitspraak 14‑07‑2025
Inhoudsindicatie
de verdachte heeft 4 vrachtwagenchauffeurs met de Turkse nationaliteit voor zijn transportbedrijf laten rijden. Zij hadden geen rechtmatig verblijf en geen tewerkstellingsvergunning in Nederland. De rechtbank heeft in deze zaak bij beslissing van 20 augustus 2024 prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld over, kort gezegd, een mogelijke specialiteitsverhouding tussen de artikelen 197a, tweede lid, en 197b Sr. De Hoge Raad heeft de vraag of art. art. 197b Sr (tewerkstelling van wederrechtelijk in Nederland verblijvende vreemdelingen) zich tot art. 197a.2 Sr (mensensmokkel uit winstbejag door behulpzaamheid bij verblijf in Nederland) verhoudt als bijzondere strafbepaling tot algemene strafbepaling a.b.i. art. 55.2 Sr. negatief beantwoord (ECLI:NL:HR:2025:228). De rechtbank heeft de verdachte nadien veroordeeld voor de eendaadse samenloop van de misdrijven, een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en hem daartoe gelegenheid en middelen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt; en een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen verrichten, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl hij hiervan een gewoonte maakt. De rechtbank heeft in haar oordeel het te beschermen rechtsbelang van de misdrijven 197a en 197b Sr betrokken. Het gaat in beide gevallen om vergrijpen die het beleid om illegaal verblijf in Nederland tegen te gaan, frustreren en die een acute gevaarzetting opleveren voor de publieke kas. Daarbij geldt dat de strafbaarheid zoals bedoeld in artikel 197a Sr in dit geval – de wederrechtelijkheid van het verblijf – (enkel) wordt gegeven door de tewerkstelling zoals bedoeld in artikel 197b Sr. Aan de verdachte is opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis. De rechtbank heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden.
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 82.101840.23
Datum uitspraak: 14 juli 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2002] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 augustus 2024, 16 januari 2025 en 30 juni 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 mei 2024.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 20 augustus 2024 is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
feit 1:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juni 2020 tot en
met 31 augustus 2020 te Hoogland, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,
vier personen, te weten [betrokkene 1] met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 2]
met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 3] met de
Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 4] met de Turkse nationaliteit, in elk
geval één of meer perso(o)n(en) met de Turkse nationaliteit,
uit winstbejag behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van verblijf
in Nederland, dan wel voornoemde perso(o)n(en) (telkens) daartoe
gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen
had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was,
immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) [betrokkene 1] en/of
[betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] arbeid
laten verrichten voor het door verdachte en/of zijn mededader(s) gedreven
bedrijf [bedrijf 1]
en hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) aldus van het plegen van dit
misdrijf zijn beroep en/of een gewoonte heeft gemaakt;
feit 2 primair:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juni 2020 tot en
met 31 augustus 2020 te Hoogland, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,
vier personen, te weten [betrokkene 1] met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 2]
met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 3] met de
Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 4] met de Turkse nationaliteit, in elk
geval één of meer perso(o)n(en) met de Turkse nationaliteit,
die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had(den)
verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen
had(den) om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was,
en hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) aldus van het plegen van dit
misdrijf een beroep en/of een gewoonte heeft gemaakt;
subsidiair:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juni 2020 tot en
met 31 augustus 2020 te Hoogland, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,
vier personen, te weten [betrokkene 1] met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 2]
met de Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 3] met de
Turkse nationaliteit en/of [betrokkene 4] met de Turkse nationaliteit, in elk
geval één of meer perso(o)n(en) met de Turkse nationaliteit,
die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had(den)
verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen
had(den) om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir aangevoerd dat de feiten 1 en 2 primair wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.De officier van justitie acht meer in het bijzonder het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen, omdat de verdachte de feiten telkens in nauwe en bewuste samenwerking met de rechtspersoon [bedrijf 1] heeft gepleegd. De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat sprake is van samenloop tussen de feiten 1 en 2. De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over de vraag of die samenloop eendaads of meerdaads is.
Het standpunt van de verdediging.
De verdachte heeft de ten laste gelegde feiten erkend. De verdediging heeft met betrekking tot de ten laste gelegde feiten dan ook geen algehele vrijspraak bepleit. Wel heeft de verdediging op de in de pleitnota genoemde gronden aangevoerd dat verdachte de feiten niet tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. De verdediging heeft verder bepleit dat de feiten 1 en 2 in eendaadse samenloop zijn gepleegd.
Het oordeel van de rechtbank.
A. De bewijsmiddelen.
In bijlage 1 heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, zijnde de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
B. Bijzondere overwegingen.
Nu de verdachte de feiten heeft bekend, zal de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering de in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen bewijsmiddelen niet uitwerken, maar volstaan met de vermelding ervan.
Algemeen kader
De tenlastelegging is gestoeld op artikel 197a, tweede en vierde lid, van het Wetboek van
Strafrecht (Sr). Voor een veroordeling ter zake van het misdrijf van artikel 197a, tweede lid, Sr is vereist dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte uit winstbejag een ander behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was. Als de verdachte hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt, werkt dat strafverhogend, evenals wanneer de verdachte het
voorgaande tezamen en in vereniging met één of meer anderen heeft begaan (artikel 197a,
vierde lid, Sr).
Naar vaste rechtspraak dient het bestanddeel ‘behulpzaam bij’ in artikel 197a Sr in
overeenkomstige zin te worden uitgelegd als in artikel 48 Sr, waarin medeplichtigheid in het
algemeen strafbaar is gesteld. Het gaat er onder meer om of de betrokkene het verblijf van
de vreemdeling in Nederland in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt. In lijn
met het doel en de strekking van artikel 197a Sr, te weten het tegengaan van
mensensmokkel en conform het algemeen spraakgebruik dient onder ‘het verblijven in
Nederland’ als bedoeld in dat artikel te worden verstaan: elk zich ophouden in Nederland
(HR 21 oktober 2003, LJN AL3537 en HR 2 september 2006, LJN AY8857). Het begrip
‘wederrechtelijk’ in de delictsomschrijving van artikel 197a Sr dient, gelet op de
wetsgeschiedenis, te worden uitgelegd als ‘zonder enig subjectief recht of enige
bevoegdheid’. In welke gevallen een vreemdeling het recht heeft om in Nederland te
verblijven, is bepaald in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Wederrechtelijk verblijf en wetenschap.
In artikel 8 Vw staat limitatief vermeld wanneer een vreemdeling verblijfsrecht heeft in Nederland. Artikel 12, eerste lid, onder c, van de Vw bepaalt - voor zover hier van belang - dat aan de vreemdeling die bij binnenkomst heeft voldaan aan de verplichtingen waaraan een persoon bij grensoverschrijding is onderworpen, is toegestaan in Nederland te verblijven zolang hij geen arbeid voor een werkgever verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
Op grond van artikel 2 van de Wav is een werkgever verboden een vreemdeling in
Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of zonder dat een
vreemdeling in het bezit is van een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden bij die
werkgever.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de in de tenlastelegging genoemde vreemdelingen, de heren [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , als chauffeur arbeid verrichtten voor de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode. Aan geen van hen was een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning afgegeven. Zij verrichtten in de ten laste gelegde periode dus arbeid in strijd met de Wav. De vier personen hadden de Turkse nationaliteit en waren derhalve geen EU-onderdaan, beschikten geen van allen over een verblijfsvergunning noch waren zij in het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf.
Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat twee ( [betrokkene 3] en [betrokkene 1] ) van de vier vreemdelingen die als chauffeurs arbeid verrichtten ook in een strafrechtelijk onderzoek tegen de vader en broer van de verdachte waren betrokken in verband met soortgelijke strafbare feiten. De vader en broer zijn voor dergelijke feiten onherroepelijk veroordeeld.
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat het verblijf van deze personen in Nederland wederrechtelijk was. Een ieder wordt geacht de wet te kennen, zo ook de verdachte. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte de identiteit en de verblijfsrechtelijke positie van deze personen niet heeft gecontroleerd (maar wel wist dat zij van Turkse afkomst waren), geen arbeidscontracten met de chauffeurs sloot, de verplichte loonheffingen en werkgeverslasten niet afdroeg en hen zwart (contant) betaalde.
Behulpzaam
Ten aanzien van het bestanddeel ‘behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf’ geldt dat ook behulpzaamheid die gericht is op voortzetting van het verblijf in Nederland valt onder artikel 197a lid Sr (HR 31 mei 2016, NJ 2016/270).
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat de chauffeurs via via aan hem waren voorgedragen. Deze personen dienden zich dus niet zelf (per toeval) aan bij het bedrijf van de verdachte. De verdachte heeft ook verklaard waarom hij deze personen te werk stelde: om geen werk/opdrachten te verliezen. Kortom, om het bedrijf draaiende te houden.
Door de in de tenlastelegging genoemde personen, die hier geen verblijfsrecht hadden, in Nederland tegen betaling werkzaamheden te laten verrichten, heeft de verdachte het (verdere) verblijf van de vreemdelingen in Nederland bevorderd of in elk geval gemakkelijker gemaakt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest aan het illegale verblijf van deze personen in Nederland.
Winstbejag
Dat de verdachte uit winstbejag heeft gehandeld leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat de verdachte heeft verklaard dat hij hen in dienst nam om geen opdrachten en dus inkomsten mis te lopen en uit het feit dat hij de vreemdelingen niet op de loonlijst plaatste en contant uitbetaalde. Hierdoor heeft de verdachte de verplichte loonheffingen en werkgeverslasten uitgespaard voor [bedrijf 1] Hieruit blijkt dat het handelen van de verdachte gericht was op verrijking.
Medeplegen feiten 1 en 2
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een of meer andere verdachten dan wel verdachte rechtspersoon/rechtspersonen, zodat de verdachte telkens van het medeplegen zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De betrokken rechtspersonen, in het bijzonder [bedrijf 1] waarvan de verdachte de enige (indirect) bestuurder en enig aandeelhouder is, zijn door het Openbaar Ministerie niet gedagvaard. De rechtbank hoeft in onderhavige zaak dus geen oordeel te geven over de vraag of de verboden gedragingen, die feitelijk door de verdachte zijn gepleegd, kunnen worden toegerekend aan de rechtspersonen. Maar nu uit het procesdossier naar voren is gekomen dat de rechtspersoon en de verdachte telkens een en dezelfde persoon zijn en er geen personeel was, acht de rechtbank medeplegen niet aan de orde. In het algemeen heeft te gelden dat de enkele omstandigheid dat de verboden gedragingen feitelijk zijn gepleegd door een verdachte - als manager van bedrijf - en diens gedragingen vervolgens aan het bedrijf zijn toegerekend, niet kan meebrengen dat de verdachte de strafbare feiten tezamen met de rechtspersoon heeft medegepleegd.
Gewoonte, feiten 1 en 2
Gelet het feit dat de verdachte gedurende een periode van 3 maanden (bijna) dagelijks verschillende illegale personen heeft laten rijden in zijn vrachtwagen tegen betaling, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte van de bewezen verklaarde feiten een gewoonte heeft gemaakt.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
feit 1:
op tijdstippen in de periode 1 juni 2020 tot en met 31 augustus 2020 te Hoogland
vier personen, te weten [betrokkene 1] met de Turkse nationaliteit en [betrokkene 2]
met de Turkse nationaliteit en [betrokkene 3] met de
Turkse nationaliteit en [betrokkene 4] met de Turkse nationaliteit,
uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf
in Nederland,
terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was,
immers heeft hij, verdachte, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] arbeid laten verrichten voor het door verdachte gedreven bedrijf [bedrijf 1]
en hij, verdachte, aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
feit 2 primair:
op tijdstippen in de periode 1 juni 2020 tot en met 31 augustus 2020 te Hoogland,
vier personen, te weten [betrokkene 1] met de Turkse nationaliteit en [betrokkene 2] met de Turkse nationaliteit en [betrokkene 3] met de Turkse nationaliteit en [betrokkene 4] met de Turkse nationaliteit,
die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland hadden verschaft, krachtens aanstelling arbeid heeft doen verrichten,
terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was,
en hij, verdachte, aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De rechtbank heeft in onderhavige zaak prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over onder meer de mogelijke specialiteitsverhouding tussen artikel 197a, tweede lid en artikel 197b Sr.
De Hoge Raad heeft de eerste vraag van de rechtbank of artikel 197b Sr zich tot artikel 197a lid 2 Sr verhoudt als een bijzondere strafbepaling tot een algemene strafbepaling in de zin van artikel 55 lid 2 Sr op 18 februari 2025 negatief beoordeeld.
Artikel 55 lid 2 Sr luidt: “Indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.”
Nu tussen feit 1, mensensmokkel, en feit 2, het (stelselmatig) te werk stellen van vreemdelingen geen specialiteitsverhouding bestaat, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de feiten in eendaadse samenloop dan wel meerdaadse samenloop zijn gepleegd.
Artikel 55 lid 1 Sr bepaalt: “Valt een feit in meer dan één strafbepaling, dan wordt slechts één van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.”
Hiervan is sprake wanneer hetzelfde feit door de omstandigheden waaronder het wordt gepleegd of waarvan het vergezeld gaat tevens een ander strafbaar feit oplevert. De gedragingen van de verdachte in de onderhavige zaak ten aanzien van de vier werknemers vervullen telkens meer dan één delictsomschrijving.
De rechtbank heeft in haar oordeel ook het te beschermen rechtsbelang van de misdrijven 197a en 197b Sr betrokken. Het gaat in beide gevallen om vergrijpen die het beleid om illegaal verblijf in Nederland tegen te gaan, frustreren en die een acute gevaarzetting opleveren voor de publieke kas. Daarbij geldt dat de strafbaarheid zoals bedoeld in artikel 197a Sr in dit geval – de wederrechtelijkheid van het verblijf – (enkel) wordt gegeven door de tewerkstelling zoals bedoeld in artikel 197b Sr.
De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat de feiten 1 en 2 primair in eendaadse samenloop zijn begaan. De rechtbank volgt hier het standpunt van de verdediging.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een taakstraf voor de duur van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht (bijlage 2).
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de overschreden redelijke termijn, met de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, de korte periode waarin de feiten zijn gepleegd en de eendaadse samenloop die tussen de feiten bestaat.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het uit winstbejag behulpzaam zijn van vier vreemdelingen bij hun verblijf in Nederland, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was. De verdachte heeft daarvan een gewoonte gemaakt. De illegale vreemdelingen bevonden zich in een afhankelijke positie van de verdachte. Zij hadden geen arbeidscontract, kregen zwart betaald en konden geen aanspraak maken op de (sociale) voorzieningen in Nederland. Dat heeft onwenselijke gevolgen voor de rechtspositie en veiligheid van deze vreemdelingen. Persoonlijk leed en uitbuiting liggen in een dergelijk kwetsbare situatie immers op de loer. Bovendien heeft het tewerkstellen van illegale vreemdelingen schadelijke (financieel-) economische gevolgen. De verdachte heeft door de vreemdelingen zwart uit te betalen immers de verplichte loonheffingen en werkgeverslasten uitgespaard. Dit leidt tot oneerlijke concurrentie en tot verstoring van de reguliere arbeidsmarkt. De verdachte heeft door zijn handelen het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in Nederland ondermijnd. Hij heeft geen rekening gehouden met de bovengenoemde schadelijke gevolgen van zijn handelen en was slechts gericht op eigen financieel gewin. Dit alles neemt de rechtbank de verdachte kwalijk.
De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat de verdachte de feiten heeft gepleegd korte tijd nadat de vader en broer van de verdachte soortgelijke feiten hebben gepleegd. Bij die strafbare feiten waren deels dezelfde buitenlandse werknemers betrokken, die ook toen wederrechtelijk in Nederland verbleven en geen vergunning hadden om te mogen werken. De vader en de broer van de verdachte zijn inmiddels onherroepelijk veroordeeld voor deze soortgelijke feiten die zij hebben gepleegd in de periode maart 2019 tot en met december 2019. Kort nadat de verdachte 18 jaar werd, zijn de verschillende betrokken bedrijven ( [bedrijf 2] en [bedrijf 1] ) opgericht – althans op zijn naam (over)gezet - en heeft hij twee maanden na de oprichting de strafbare feiten gepleegd. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting kan de rechtbank niet uitsluiten dat de verdachte de strafbare feiten – mede gelet op zijn nog relatief jonge leeftijd - onder druk van zijn familie heeft gepleegd. Hier houdt de rechtbank rekening mee.
De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte ook zijn jeugdige leeftijd mee die hij had ten tijde van het plegen van de feiten en de relatief beperkte duur waarbinnen zich de feiten hebben afgespeeld en de open proceshouding ter terechtzitting.
Overschrijding redelijke termijn.
De rechtbank stelt vast dat de feiten dateren van bijna vijf jaren geleden.
Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moet leven.
Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.
De rechtbank bepaalt het startpunt van de redelijke termijn op 14 maart 2023, zijnde het tijdstip waarop de verdachte strafrechtelijk is verhoord.
Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door de rechtbank op 14 juli 2025 de redelijke termijn met vier maanden is overschreden. Voor deze overschrijding zal de rechtbank de verdachte compenseren. In plaats van een taakstraf voor de duur van 200 uren zal de rechtbank een taakstraf van 180 uren opleggen. Daarnaast acht de rechtbank de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf passend. Dit om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal in verband met het tijdsverloop een kortere proeftijd opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde proeftijd.
De rechtbank zal een kortere taakstraf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straffen die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 63, 197a, 197b, 197c Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert:
de eendaadse samenloop van de misdrijven,
een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en hem daartoe gelegenheid en middelen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt;
en
een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen verrichten, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl hij hiervan een gewoonte maakt.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt ten aanzien van de feiten 1 en 2 primair op de volgende straffen:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.H. van de Kant, voorzitter,
mr. H. Slaar en mr. A.A. Bloemberg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 14 juli 2025.
De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Uitspraak 20‑08‑2024
Inhoudsindicatie
Stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de verhouding tussen de artikelen 197a, tweede, en 197b van het Wetboek van Strafrecht.
proces-verbaal
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 82.101840.23
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van bovengenoemde rechtbank, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, op 20 augustus 2024.
De samenstelling van de rechtbank is als volgt:
mr. R. van den Munckhof, voorzitter,
mr. S.J.H. van de Kant en mr. L.J. Verborg, leden,
bijgestaan door H.A. van Neerven, griffier.
Als officier van justitie fungeert mr. E.D.I. Martens.
De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen. De voorzitter stelt de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de rechtbank te zijn genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2002] ,
wonende te [adres] .
De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt verdachte mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
Voor zover op deze terechtzitting verklaringen zijn afgelegd, zijn deze zakelijk weergegeven.
Verdachte
De uitnodiging voor deze zitting heb ik laat gelezen. Op 17 mei 2024 heb ik ingelogd op MijnOverheid.nl. Toen heb ik gezien dat er een brief voor mij was. Ik dacht aanvankelijk dat die brief over een andere rechtszaak ging. Deze week heb ik contact opgenomen met mijn raadsman mr. Verbeek uit Ede. De tijd is te kort geweest om deze zaak met hem te bespreken. Daarom verzoek ik behandeling van deze zaak aan te houden. Ik zal contact met mr. Verbeek opnemen en hem vragen zich formeel als mijn raadsman te stellen.
De voorzitter
De rechtbank overweegt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen over de verhouding tussen de artikelen 197a, tweede lid, en 197b van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie en verdachte zullen in de gelegenheid worden gesteld zich hierover uit te laten.
De officier van justitie draagt de zaak voor en vordert wijziging van de tenlastelegging.
De rechtbank hoort verdachte over deze vordering. De rechtbank wijst de vordering toe en beveelt dat de tenlastelegging zal worden gewijzigd zoals in die vordering staat omschreven. Een kopie van die vordering, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, is aan dit proces-verbaal gehecht.
De rechtbank beslist dat kan worden volstaan met de uitreiking van een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen. De griffier overhandigt een door hem gewaarmerkt afschrift van de wijziging aan verdachte. Met toestemming van verdachte wordt het onderzoek aanstonds voortgezet.
De officier van justitie
Tegen het verzoek tot aanhouding van verdachte om hem in de gelegenheid te stellen zijn advocaat te kunnen consulteren, verzet ik mij niet. Dat verzoek kan worden toegewezen, mede tegen de achtergrond dat de rechtbank overweegt in deze strafzaak prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.
De voorzitter
In het dossier wordt de zaak als volgt geschetst. Verdachte is indirect (feitelijk) bestuurder van [bedrijf] Verdachte – dan wel het door hem bestuurde bedrijf – heeft in de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 augustus 2020 in Nederland vier chauffeurs met de Turkse nationaliteit tewerkgesteld als vrachtwagenchauffeur. Verdachte kende deze chauffeurs naar eigen zeggen via zijn vader. De vier chauffeurs waren niet in het bezit van een Tewerkstelling Vergunning (TWV) of Gecombineerde Vergunning Verblijf en Arbeid (GVVA). De chauffeurs werden voor hun werkzaamheden zwart en contant betaald.
Voorts acht ik van belang het volgende te benoemen. Het ‘verblijf’ van de Turkse chauffeurs in Nederland is kennelijk wederrechtelijk geworden door het verrichten van arbeid in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen (artikel 12, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet). Uit het dossier volgt niet waar de vreemdelingen in Nederland verbleven als zij niet in de vrachtwagen reden in het kader van hun werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur. Aan [bedrijf] is een bestuurlijke boete opgelegd in verband met overtredingen van artikel 2, eerste lid van de Wet arbeid vreemdelingen.
De rechtbank heeft geconstateerd dat in uitspraken van feitenrechters verschillende opvattingen naar voren komen over de verhouding tussen artikel 197a, tweede lid, Sr en 197b Sr. De rechtbank heeft de uiteenlopende uitspraken in een overzicht vervat, dat aan het proces-verbaal van de zitting zal worden gehecht. De rechtbank ziet een zaaksoverstijgend belang om helderheid te verkrijgen over de verhouding tussen artikel 197a, tweede lid, Sr en 197b Sr. Gelet hierop wenst de rechtbank volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.
1. Is sprake van (een vorm van) een specialiteitsverhouding tussen art. 197a, tweede lid, en art. 197b Sr?
a. a) Zo ja, wat voor specialiteitsverhouding bestaat er tussen art. 197a, tweede lid, en 197b Sr?
b) Zo nee, hoe moet de toelichting van de wetgever in de MvT (Kamerstukken II 1994-1995, 24 269, nr. 3, blz. 3) met betrekking tot het ‘geprivilegieerd delict’ worden opgevat?
2. In hoeverre kunnen casusgerelateerde elementen bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of in een concreet geval al dan niet sprake is van een (specialiteits)verhouding? Zonder uitputtend te zijn, noemt de rechtbank de volgende elementen:
- de mate van voordeel voor de verdachte;
- het moment waarop en de grond op basis waarvan het verblijf (van een vreemdeling die arbeid verricht) in Nederland wederrechtelijk is (geworden);
- de aard van het verblijf en het verband tussen het verblijf en de te verrichten arbeid;
- de aard en inhoud van de overeenkomst op basis waarvan arbeid wordt verricht;
3. Welke rechtsgevolgen heeft de verhouding tussen 197a, tweede lid, en 197b Sr als beide feiten, alternatief dan wel cumulatief, ten laste zijn gelegd? Heeft die verhouding in het bijzonder gevolgen voor:
- de bewezenverklaring,
- de strafbaarheid van het feit (kwalificatie)
- de strafbaarheid van verdachte
- de strafoplegging (incl. eventuele samenloopperikelen)?
De rechtbank is ook geïnteresseerd in de vraag of er onder geen enkele omstandigheid sprake kan zijn van een vervolgingsbeletsel, indien in het bestuursrecht reeds een boete is opgelegd wegens overtreding van artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen. In deze casus is de bestuursrechtelijke boete echter opgelegd aan de rechtspersoon, terwijl in de strafzaak de natuurlijke persoon terechtstaat, zodat deze casus zich niet leent voor die vraag.
De voorzitter deelt mede dat volgens het procesreglement van de Hoge Raad de officier van justitie en de verdediging een termijn krijgen voor het indienen van schriftelijke opmerkingen, indien de Hoge Raad de vraag in behandeling neemt.
De rechtbank geeft de officier van justitie en de verdachte te gelegenheid te reageren op de door de rechtbank geformuleerde vragen.
Vervolgens deelt de officier van justitie haar visie mede over het stellen van prejudiciële vragen, overeenkomstig haar op schrift gestelde standpunt verwoord in haar e-mailbericht van 19 augustus 2024. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Een kopie van het schriftelijk standpunt van de officier van justitie maakt als bijlage deel van dit proces-verbaal uit. Zij voegt daar het volgende aan toe:
Ik kan mij vinden in de geformuleerde vragen. Er is overigens gekozen voor de strafrechtelijke route naast een bestuursrechtelijke route omdat toepassing van het bestuursrecht mogelijk geen gevolgen voor het bedrijf heeft. De ervaring is dat bestuurlijke boetes vaak niet kunnen worden geïnd omdat de verdachte bedrijven worden beëindigd en een nieuw bedrijf wordt opgestart waarop de bestuurlijke boete niet kan worden verhaald. Bij een strafrechtelijke veroordeling krijgt het verdachte bedrijf een strafblad dat ook de eventuele rechtsopvolger van het verdachte bedrijf raakt. Bovendien kan in het strafrecht ook de natuurlijk persoon als feitelijk leidinggever worden vervolgd, zoals in dit geval. In vaste jurisprudentie wordt ook onderkend dat de bestuursrechtelijke route en de strafrechtelijke route naast elkaar kunnen bestaan, omdat de doelen anders zijn.
Verdachte
Ik begrijp dat de rechtbank vragen wil stellen aan de hoogste rechter. Ik begrijp ook dat het van belang is dat mijn advocaat zich stelt in de strafzaak, zodat hij op de juridische inhoud kan ingaan in die procedure bij de hoogste rechter.
De rechtbank onderbreekt het onderzoek om zich in raadkamer te beraden. Na de hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter het volgende mede.
De rechtbank zal de behandeling van deze zaak aanhouden om verdachte in de gelegenheid te stellen contact met zijn raadsman op te nemen, mede met het oog op de prejudiciële procedure.
De rechtbank zal het proces-verbaal van deze zitting, waarin de aan de Hoge Raad te stellen prejudiciële vragen zijn verwoord, naar de Hoge Raad zenden.
Na afloop van de prejudiciële procedure, zal de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsvinden. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte zal – onder voorbehoud – plaatsvinden op 16 januari 2025 op een nog nader te bepalen tijdstip.
De rechtbank:
schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, in afwachting van de reactie van de Hoge Raad op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen en om verdachte in de gelegenheid te stellen zijn raadsman te consulteren.
beveelt de oproeping van verdachte tegen het tijdstip van de nadere terechtzitting met kennisgeving van dat tijdstip aan de raadsman van verdachte. Dit zal mr. P.J. Verbeek, advocaat te Ede zijn, aldus verdachte.
Stelt de stukken met dat doel in handen van de officier van justitie.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.