Hof 's-Hertogenbosch, 27-06-2019, nr. 200.244.615, 01
ECLI:NL:GHSHE:2019:2325
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
27-06-2019
- Zaaknummer
200.244.615_01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2019:2325, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 27‑06‑2019; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:5238
ECLI:NL:GHSHE:2018:5238, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 13‑12‑2018; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2325
- Wetingang
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2019-0189
Uitspraak 27‑06‑2019
Inhoudsindicatie
Reikwijdte artikel 1:266 BW; gezagsbeëindigende maatregel; beëindiging gezag van één van de gezaghebbende ouders op verzoek van de raad in situatie waarin geen sprake is van een uithuisplaatsing en de andere gezaghebbende ouder ook de mogelijkheid heeft een verzoek tot beëindiging van het gezag in te dienen op grond van artikel 1:253n BW; voldaan aan gronden voor gezagsbeëindiging.
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 27 juni 2019
Zaaknummer: 200.244.615/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/333432 / FA RK 17-3996
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te
[woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: voorheen mr. Sturrus-Burger, thans mr. N.M. Zeeman,
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Haaglanden, locatie [locatie] ,
verweerder,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- [de moeder],
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.W.A. Verhaard;
- Stichting Intervence
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: GI.
5. De beschikking d.d. 13 december 2018
Bij die beschikking heeft het hof, kort samengevat, de vader in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 10 januari 2019 via zijn advocaat en conform de regels van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, de stukken over te leggen zoals in rechtsoverweging 3.9.3 van die beschikking is omschreven. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 april 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Zeeman;
- de raad, vertegenwoordigd door de heer mr. [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de moeder, vertegenwoordigd door mr. Verhaard;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
Als toehoorder was ter zitting aanwezig de maatschappelijk werker van de vader de heer [maatschappelijk werker] .
6.2.1.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief van de vader d.d. 21 november 2019;
- het procesdossier eerste aanleg, ingekomen op 6 december 2018 en op 11 januari 2019;
- het inleidend verzoek van de raad, ingekomen op 21 januari 2019;
- het journaalbericht van de advocaat van de vader met bijlagen, ingekomen op 1 april 2019;
- de faxbrief van de advocaat van de moeder met bijlagen, ingekomen op 9 april 2019;
- de brief met bijlagen van de GI ingekomen op 9 april 2019.
6.2.2.
De advocaat van de vader heeft ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van de brief met bijlagen van de GI, ingekomen op 9 april 2019 en het journaalbericht van de advocaat van de moeder met bijlagen, ingekomen op 9 april 2019, aangezien deze stukken eerder hadden kunnen worden ingediend. Het hof heeft daarop beslist dat op de bijlagen acht wordt geslagen, ondanks dat deze zijn ingekomen binnen de tiendagentermijn. De vader wordt hiermee niet in zijn belangen geschaad en er is geen sprake van strijd met de goede procesorde, nu de (advocaat van de) vader al eerder bekend was met deze bijlagen.
6.3.
Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
7. De verdere beoordeling
7.1.
De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.
Er is geen enkele reden om het gezag van de vader over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te beëindigen. Het is een te verstrekkende maatregel. Bovendien maakt de raad oneigenlijk gebruik van de mogelijkheid om een gezagsbeëindiging te verzoeken; zie hiervoor de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:8916). De wetsgeschiedenis refereert voor toepassing van deze maatregel aan ouders die over onvoldoende opvoedingsvaardigheden beschikken en daarvan is geen sprake. Voorheen droegen de ouders samen zorg voor de opvoeding en verzorging van de kinderen en [minderjarige 1] woont nog altijd bij de vader. Wie van de ouders voor de opvoeding van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] gaat zorgdragen ligt thans nog aan hof Den Haag voor. [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] geven zelf duidelijk aan dat zij willen dat de vader belast blijft met het gezag.
De vader werkt altijd mee met hulpverlening en hij geeft toestemming voor de noodzakelijke hulpverlening. Voor het aanvragen van een identiteitskaart wilde de vader toestemming geven. Aan het verlengen van de paspoorten heeft hij niet meegewerkt omdat hij bang was dat de moeder met de kinderen naar het buitenland zou gaan. De vader wil [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] graag zien. Hij is bereid mee te werken aan een contactregeling met begeleiding van de GI. Met behulp van zijn maatschappelijk werker wil hij afspraken maken met de GI.
7.2.
De raad voert, kort samengevat, het volgende aan.
De raad kan om een gezagsbeëindigende maatregel verzoeken indien sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel en een ouder niet meewerkt. De raad is van mening dat de vader geen gezag zou moeten hebben. De vader heeft het de hulpverlening zo moeilijk gemaakt dat deze niet tot stand kwam. Zodra de vader het gezag weer krijgt, is hij weer nodig voor de hulpverlening en wordt het onzeker of hulpverlening dan nog wat kan betekenen. Dat de vader met de GI in gesprek wil, maakt voor het standpunt van de raad geen verschil. Voor contact heeft de vader het gezag niet nodig.
7.3.
De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.
Het gezag van de vader is op goede gronden beëindigd. De vader maakt misbruik van zijn gezag. Het moet op zijn manier gebeuren anders werkt hij niet mee. Hij weigerde toestemming te geven voor het aanvragen van paspoorten en identiteitsbewijzen, terwijl de moeder van mening is dat het perspectief van de kinderen in Nederland ligt zodat er geen enkel gevaar bestaat. Verder heeft de vorige gecertificeerde instelling om vervangende toestemming voor behandeling van [minderjarige 2] moeten vragen omdat de vader geen toestemming gaf. De vader is nog steeds niet bereid om met hulpverlening samen te werken.
De moeder wil graag dat er weer contact komt tussen de vader en de kinderen, maar wel op een veilige manier. Het contact moet goed begeleid worden omdat de kinderen vanuit hun cultuur erg tegen de vader opkijken. De moeder is bang dat zij het contact met [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zal verliezen zodra de vader het gezag weer krijgt, aangezien zij nu ook geen contact met [minderjarige 1] heeft.
7.4.
De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.
De vader weigert afspraken met de GI te maken en hij accepteert niet dat de GI betrokken is bij het opstarten van het contact tussen hem en [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Omdat het belangrijk is dat de GI zicht heeft op het contact tussen de vader en [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , vindt er al geruime tijd geen contact plaats. Door de wijze waarop de vader zich als ouder opstelt naar kinderen en de moeder, zijn er zorgen dat zij door de vader onder druk worden gezet. De vader wil een andere gezinsmanager en zo lang dat niet gebeurt komt hij niet in beweging. De GI heeft een andere contactpersoon voorgesteld, maar de vader vindt dat niet voldoende. Het perspectief van deze kinderen ligt bij de moeder, maar de vader accepteert dit niet.
Met [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] gaat het goed, maar zij hebben wel schade opgelopen vanuit het verleden. Zodra er weer contact gaat plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , zal dit wat met de kinderen gaan doen en is er hulpverlening nodig. Als de vader het gezag dan weer heeft, zijn er zorgen over de medewerking die hij ten aanzien van de hulpverlening gaat leveren, gelet op zijn handelwijze in het verleden en de wijze waarop het opstarten van het contact verloopt.
7.5.
Het hof overweegt het volgende.
7.5.1.
Volgens artikel 1:266 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder beëindigd worden, indien:
- a.
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
- b.
de ouder het gezag misbruikt.
7.5.2.
Ingevolge artikel 1:267 BW kan beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de raad.
7.5.3.
Het hof overweegt ten aanzien van de stelling van de vader dat de raad oneigenlijk gebruik maakt van de mogelijkheid om een gezagsbeëindigende maatregel als bedoeld in artikel 1:266 lid 1 BW te verzoeken als volgt.
De voorvraag is aan de orde of de raad op grond van artikel 1:267 BW een verzoek tot gezagsbeëindiging van de niet-verzorgende ouder kan doen in een situatie waarin geen sprake is van een uithuisplaatsing en waarin ook de verzorgende ouder met een beroep op artikel 1:253n BW de rechtbank zou kunnen verzoeken het gezamenlijk gezag te beëindigen.
7.5.4.
Naar het oordeel van het hof dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord, waarbij het hof, in aansluiting op en onder verwijzing naar de uitspraken van hof Amsterdam van 17 en 24 april 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:1469; ECLI:NL:GHAMS:2018:1325) overweegt dat een gezagsbeëindiging ook tegen de wil van een ouder mogelijk is, ook als al bij aanvang van het kinderbeschermingstraject duidelijk is dat de ouder niet in staat zal zijn de opvoedingsverantwoordelijkheid binnen een voor de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn op zich te nemen.
Hoewel uit de parlementaire geschiedenis niet zonder meer volgt dat de wetgever bij de invoering van de nieuwe kinderbeschermingsmaatregelen ook een situatie als de onderhavige voor ogen heeft gehad, is niet uitgesloten dat gezagsbeëindiging op de voet van artikel 1:266, eerste lid onder a BW, ook in een situatie als de onderhavige gerechtvaardigd kan zijn wanneer het gezamenlijk gezag, dan wel de uitvoering daarvan, zodanige belastende conflicten of problemen oplevert voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor diens ontwikkeling. Indien daarbij de handelwijze van een van de ouders dermate belastend is voor de kinderen en in strijd met hetgeen van een verantwoord opvoeder mag worden verwacht dat daardoor voor het kind een onveilige of beschadigende opvoedingssituatie ontstaat en daarin niet binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van het kind aanvaardbaar te achten termijn voldoende verbetering valt te verwachten, kan onder omstandigheden ook aan de voorwaarde van artikel 1:266, eerste lid onder b BW zijn voldaan.
Gelet op het voorgaande is het de raad toegestaan om een verzoek om een dergelijke maatregel in te dienen. Het is vervolgens aan de rechter om te beslissen of aan de gronden voor een gezagsbeëindiging is voldaan.
7.5.5.
Het hof begrijpt dat volgens de raad de ernstige ontwikkelingsdreiging inmiddels ligt in de strijd die de vader voert, niet alleen met de moeder maar ook met de hulpverlening.
Het hof overweegt dat [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht zijn gesteld vanwege de ernstige bedreiging in hun ontwikkeling. Het hof verwijst naar de gezinsrapportage van 24 juli 2017, opgenomen als bijlage bij de brief van de GI van 2 november 2018, alsook naar de rapportage van de GI van oktober 2018, opgenomen als bijlage bij de brief van de advocaat van de vrouw van 9 april 2019. Daarin is ten aanzien van alle drie de kinderen geconstateerd, hetgeen door de rechter eerder is overgenomen en vastgesteld, dat sprake is van trauma’s en een ontwikkelingsbedreiging mede als gevolg van de houding en het gedrag van de vader. In het kader van de ondertoezichtstelling heeft de GI gewerkt aan het opheffen van de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Bij de moeder heeft dit resultaat opgeleverd. Zij werkt mee met hulpverlening, heeft opvoedondersteuning aanvaard en staat open voor hulpverlening voor [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Ten aanzien van de vader ligt dit anders. Zowel de vorige gecertificeerde instelling als de (huidige) GI hebben op verschillende manieren geprobeerd de vader stappen te laten zetten. Het is echter niet mogelijk gebleken om (in voldoende mate) de samenwerking met de vader aan te gaan, waardoor er bij de vader nog onvoldoende positief resultaat is bereikt in de verbetering van de opvoedsituatie aan zijn kant..
Nu er geen samenwerkingsrelatie tussen de vader en hulpverlening tot stand komt en gelet op de houding van de vader in het verleden, acht het hof de kans groot dat de vader zijn gezag zal aanwenden om de moeder onder druk te zetten en voor [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] belangrijke beslissingen die moeten worden genomen te blokkeren. Mitsdien is nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsdreiging. Daarbij komt dat de minderjarigen al sinds 2014 onder toezicht staan zodat, gelet op de tijd die inmiddels is verstreken, de keuze van de GI dat het perspectief van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bij de moeder ligt, begrijpelijk wordt geacht. Nu de vader geen inzicht lijkt te hebben in zijn eigen aandeel in de problematiek en zich niet begeleidbaar opstelt, kan op dit moment niet worden vastgesteld of de vader in staat is om voor [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] een voldoende veilige opvoedomgeving te creëren en is de conclusie dat de vader niet binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding van de drie kinderen op zich kan nemen. Indien de vader het gezag behoudt betekent dit, gelet op voormelde perspectiefkeuze in samenhang met de verstandhouding tussen de ouders, dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] door moet lopen totdat zij achttien jaar zijn. Het hof acht dit niet in het belang van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en dit is ook niet de bedoeling van de wetgever geweest.
De omstandigheid dat de vader tijdens de zitting heeft verklaard dat hij het verleden achter zich wil laten en alles wil doen hetgeen in het belang van de kinderen is, maakt hetgeen hiervoor is overwogen niet anders. Het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat is voldaan aan de grond van artikel 266 lid 1 onder a BW voor een gezagsbeëindigende maatregel.
7.6.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
8. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 mei 2018;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.A.R.M. van Leuven en J.C.E. Ackermans-Wijn en is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 13‑12‑2018
Inhoudsindicatie
Reikwijdte artikel 1:266 BW; gezagsbeëindigende maatregel; beëindiging gezag van één van de gezaghebbende ouders op verzoek van de raad in situatie waarin geen sprake is van een uithuisplaatsing en de andere gezaghebbende ouder ook de mogelijkheid heeft een verzoek tot beëindiging van het gezag in te dienen op grond van artikel 1:253n BW; voldaan aan gronden voor gezagsbeëindiging.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak : 13 december 2018
Zaaknummer : 200.244.615/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/333432 / FA RK 17-3996
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Sturrus-Burger,
tegenen met
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.W.A. Verhaard;
Stichting Intervence
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 mei 2018. Bij deze beschikking heeft de rechtbank het gezag van de vader over drie jongste kinderen van de vader en de moeder beëindigd.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 augustus 2018, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 september 2018, heeft de moeder verzocht de beschikking van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2018 (het hof begrijpt: de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 mei 2018) te bekrachtigen en de vorderingen in appel van de vader alsnog af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.
2.3.
De raad heeft geen verweerschrift ingediend.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 november 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. S.A. Ray, waarnemend kantoorgenoot van mr. Sturrus-Burger;
- de moeder, bijgestaan door mr. Verhaard;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het V6-formulier met bijlagen van de zijde van de vader d.d. 30 oktober 2018;
- het V6-formulier met bijlagen van de zijde van de vader d.d. 5 november 2018;
- de brief van Stichting Intervence van 2 november 2018 met als bijlage de gezinsrapportage, ingekomen ter griffie op 5 november 2018;
- het V6-formulier met bijlage van de zijde van de vader d.d. 9 november 2018.
3. De beoordeling
3.1.
De vader en de moeder zijn op 20 februari 1999 met elkaar gehuwd te [plaats] (Republiek Guinee). Op 29 januari 2018 is de echtscheiding uitgesproken door de rechtbank Den Haag. De echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] op 13 augustus 2018.
3.2.
Uit het huwelijk van de vader en de moeder zijn geboren, allen te [geboorteplaats] :
- [minderjarige 1] , (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2001,
- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2004,
- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum] 2007, en
- [minderjarige 4] (hierna: [minderjarige 4] ) geboren op [geboortedatum] 2010.
De drie jongste kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder. Het oudste kind heeft zijn hoofdverblijf bij de vader.
3.3.
Bij de bestreden beschikking van 23 mei 2018 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het verzoek van de raad d.d. 2 januari 2017 (ingediend bij de rechtbank Den Haag en door die rechtbank bij beschikking van 9 februari 2017 verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant), tot beëindiging van het gezag van de vader over de drie jongste kinderen van de vader en de moeder, toegewezen.
3.4.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5
Het ingediende beroepschrift vermeldt weliswaar als bijlagen bij dat beroepschrift de producties a t/m m, maar alleen productie m, de bestreden beschikking, is als bijlage bij het
beroepschrift ingediend. De advocaat van de vader heeft het hof
verzocht om uitstel voor het indienen van het procesdossier in eerste aanleg. Bij brief van 29 augustus 2018 is dat uitstel verleend tot en met 10 september 2018.
Op 10 september 2018 heeft de advocaat van de vader nogmaals om uitstel verzocht voor het overleggen van het procesdossier in eerste aanleg en het proces-verbaal. Bij schrijven van 17 september 2018 is dat uitstel verleend tot en met 1 oktober 2018.
Ondanks de verleende termijnen heeft het hof het procesdossier in eerste aanleg niet ontvangen.
De vader heeft wel meerdere stukken zonder tussenkomst van zijn advocaat naar het hof gestuurd, ter griffie ingekomen op 24 oktober en 1 november 2018. Op 1 en 2 november 2018 zijn de door de vader toegezonden stukken naar zijn advocaat gestuurd, telkens met de mededeling dat deze stukken niet worden geaccepteerd omdat deze niet volgens het procesreglement zijn ingediend. Tevens is zowel in de brief van 1 november als in de brief van 2 november 2018 aan de advocaat bericht dat tijdens de mondelinge behandeling, waarvoor de oproep aan partijen was verzonden op 6 september 2018, de ontvankelijkheid aan de orde zal komen, nu het hof niet beschikt over de processtukken van de eerste aanleg behoudens de bestreden beschikking.
Bij V6-formulier d.d. 5 november 2018 worden vervolgens nadere stukken ingediend door de advocaat van de vader met de mededeling dat het gaat om het procesdossier in eerste aanleg. De bijgevoegde producties zijn echter niet alle in het beroepschrift genoemde producties a t/m m. Feitelijk worden alleen de producties e, j, k en m overgelegd. De producties a, b, c, d, f, g, h, i en l ontbreken nog altijd. De overgelegde productie 4 betreft een brief van de voormalige advocaat van de vader aan de rechtbank Middelburg die niet genoemd was onder producties a t/m m in het beroepschrift.
3.6.
Ter zitting van het hof is door het hof aan de advocaat van de vader voorgehouden dat het hof nog altijd over onvoldoende stukken beschikt.
3.7.
De advocaat van de vader heeft het hof verzocht om nogmaals in de gelegenheid te worden gesteld het complete procesdossier in eerste aanleg over te leggen. De advocaat van de moeder heeft bezwaar gemaakt tegen een aanhouding. De raad heeft gesteld dat het belangrijk is dat het hof over alle stukken beschikt. De GI heeft het standpunt ingenomen dat de vader genoeg kansen heeft gehad om stukken in te dienen.
3.8.
Het hof heeft na een korte schorsing besloten de zaak niet inhoudelijk te behandelen en zich nader te gaan beraden, en medegedeeld een beschikking te zullen geven op 13 december 2018 of zoveel eerder als mogelijk is. Daarbij heeft het hof aangegeven dat er twee mogelijkheden zijn: ofwel het hof verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep ofwel er wordt nog een nadere termijn vergund om de door het hof gewenste stukken alsnog over te leggen, en indien de stukken dan wel compleet zijn volgt een (tweede) mondelinge behandeling. Alleen als dat laatste het geval is, zal de minderjarige [minderjarige 2] alsnog worden gehoord.
3.9.
Het hof oordeelt als volgt.
Artikel 34 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) luidt als volgt.
Lid 1. Wanneer een procedure na verwijzing of na toepassing van een rechtsmiddel voor een andere rechter wordt voortgezet, is de aanlegger verplicht aan de rechter over te leggen:
o a. een afschrift als bedoeld in artikel 231 onderscheidenlijk artikel 290 van het vonnis, het arrest of de beschikking waarbij de procedure is verwezen of waartegen het rechtsmiddel is aangewend;
o b. afschriften van de overige op de procedure betrekking hebbende stukken.
Lid 2. De rechter kan nadere aanwijzingen geven over het tijdstip van overlegging
Lid 3. Wanneer een procedure na verwijzing of toepassing van een rechtsmiddel voor een andere rechter wordt voortgezet, zendt de griffier van het gerecht waar de procedure aanhangig was afschriften van de op de procedure betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van het gerecht waar de procedure wordt voortgezet. Desverzocht zendt de griffier de stukken in origineel.
In beginsel is het niet overleggen van het complete procesdossier in eerste aanleg in strijd
met artikel 34 lid 1 sub b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De wet stelt evenwel geen sanctie op een dergelijk verzuim en op basis van de jurisprudentie (HR 14 januari 2005, NJ 2005, 481 m.nt. W.D.H. Asser) dient de rechter terughoudend te zijn met het toepassen van de sanctie van niet-ontvankelijkheid.
3.9.1.
Artikel 1.2.6. van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven bepaalt dat verzoeker in hoger beroep de processtukken van de procedure in eerste aanleg dient over te leggen.
Artikel 1.2.7. van voornoemd Procesreglement bepaalt onder meer dat, indien het hof het beroepschrift niet in het vereiste aantal of niet compleet heeft ontvangen, aan verzoeker(s) in hoger beroep wordt medegedeeld dat de gelegenheid wordt geboden de stukken alsnog binnen een door het hof te bepalen termijn te completeren dan wel in voldoende aantallen aan het hof te doen toekomen. Indien completering of aanlevering in het vereiste aantal dan nog steeds achterwege blijft, wordt de zaak geplaatst op een zitting ter beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep.
Artikel 2.4.4 van het Procesreglement bepaalt dat het bepaalde in artikel 1.2.7 niet van toepassing is in zaken betreffende een maatregel van kinderbescherming.
3.9.2.
Het gaat in deze zaak om een kinderbeschermingsmaatregel te weten de beëindiging van het gezag van de vader over de drie jongste kinderen. Gezagsbeëindiging is een zeer ingrijpende maatregel.
Artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), houdt in dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen.
Hoewel de gang van zaken omtrent de complementering van de processtukken van de eerste aanleg in de visie van het hof geen schoonheidsprijs verdient en zelfs laakbaar genoemd kan
worden, zal het hof gelet op het feit dat het hier om een gezagsbeëindigende maatregel gaat waarbij de belangen van het kind de eerste overweging vormen, de vader alsnog in de
gelegenheid stellen om de hierna door het hof te noemen stukken over te leggen.
3.9.3.
Het hof zal dan ook het verzoek van de vader tot aanhouding toewijzen en de vader alsnog toelaten tot het overleggen van het complete procesdossier in eerste aanleg.
Teneinde misverstanden te voorkomen bepaalt het hof dat door de vader dienen te worden overgelegd:
- alle stukken genoemd onder 1.1. van de bestreden beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 mei 2018, inclusief bijlagen;
- het proces-verbaal van het behandelde ter zitting van de rechtbank op 19 april 2018.
Het hof gaat ervan uit dat aan het inleidend verzoekschrift een raadsrapport ten grondslag ligt. Zekerheidshalve wijst het hof er nog op dat naast de rapportage van de raad die ten grondslag ligt aan het verzoek tot beëindiging van het gezag dat de raad in eerste aanleg heeft ingediend, tevens de aanvullende rapportage van de raad zoals blijkt uit de brief van de raad aan de rechtbank van 15 september 2017 en de brief van de raad aan de rechtbank van 27 februari 2018 overgelegd dienen te worden.
4. De beslissing
Het hof:
stelt de vader in de gelegenheid om uiterlijk 10 januari 2019 middels zijn advocaat en conform de regels van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, de stukken over te leggen zoals hierboven onder 3.9.3. aangeduid;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en M.I. Peereboom-Van Drunick, en is op 13 december 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier