Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/5.1.1.1
5.1.1.1 De stellingen van de aanspraak makende verzekerde (a)
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS361922:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin het Duitse recht. Zie Prölls/Martin 2004, p. 604 voor het oude VVG dat inhoudelijk overeenstemt met het thans geldende VVG 2008 (par. 83).
MvT, Kamerstukken II 1999/2000, 19 529, nr. 3, p. 29: 'de maatregelen strekken tot voorkoming of vermindering van door de verzekering gedekte schade'. De beredding raakt hiermee indirect de vraag naar de omvang van de dekking. Voor een bespreking daarvan zij verwezen naar 7.1 en 7.2.
Zie omtrent de vraag wanneer het risico zich verwezenlijkt bij de algemene aansprakelijkheidsverzekering Wansink 2006, p. 208 e.v.
HR 2 mei 1997, NJ 1998, 281 (m.nt. MMM).
NJ 2007, 641.
Betrokken was de producent, Forbo. Het ging om vloerbedekking van het merk 'Novilon', die door Forbo op de markt was gebracht en die naar het oordeel van de overheid bij onoordeelkundige verwijdering daarvan, gezondheidsrisico's met zich mee bracht. In geschil is de vraag of Forbo tegenover zijn aansprakelijkheidsverzekeraar aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten van waarschuwing van consumenten en het voeren van verweer tegen de vordering van de Stichting Konsumenten Kontakt.
Aldus J.H. Wansink, Asbesthoudende vloerbedekking, de bereddingsplicht en een onvoorspelbare oprekking van het schadebegrip in de AVB-polis, in A&V, 1997/5, p. 103 e.v., die met name kritisch is ten aanzien van het oordeel dat het hof geen rechtsregel heeft geschonden door te oordelen dat in het licht van het bepaalde in art. 6:96 BW de redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade aan personen onder de dekking voor schade aan personen vielen. Zie ook A-G Bloembergen in zijn conclusie voor bedoeld arrest, die in het oordeel van het hof een 'oprekking van de dekking' ziet, waarop 'aansprakelijkheidsverzekeraars die identieke of verwante polisvoorwaarden', niet hebben gerekend.
Hof Amsterdam 5 maart 1992, S&S 1992, 135.
De getroffen maatregelen dienen redelijk en doelmatig te zijn geweest, maar hoeven niet het beoogde resultaat te hebben gehad. Zie Asser-/Clausing &- Wansink 2007, nr. 406.
HR 10 oktober 2003, NJ 2005, 89 (m.nt. MMM). Uit de in het arrest vermelde feiten komt naar voren dat de verzekeringnemer zelfs subsidiair heeft gesteld dat de verzekeraar ongeoorloofde druk op hem heeft uitgeoefend om met de enzymenbehandeling in te stemmen. Zie ook de conclusie van de A-G Spier. Voorts is relevant dat de Hoge Raad het begrip bereddingskosten oprekt in die zin, dat onder beredding niet uitsluitend - in de zin van art. 7:957 BW - de kosten van de bereddingsmaatregelen en schade aan ingezette zaken betreft, maar ook de 'schade door getroffen maatregelen'. Daarbij geldt - aldus Mendel in zijn annotatie onder genoemd arrest - dat van een verbintenis van de verzekeraar om de kosten tot behoud te vergoeden, slechts sprake kan zijn indien de verzekerde op het tijdstip dat hij de maatregelen nam, gelet op de omstandigheden van het geval, redelijkerwijs kon menen dat die maatregelen tot redding en behoud konden leiden. Bij deze omstandigheden kan onder andere worden gedacht aan afspraken gemaakt met de verzekeraar, aan druk van de verzekeraar juist voor deze methode of voor deze uitvoerder te kiezen (zoals in 't Witte Paerdje het geval was), aan de hoeveelheid tijd die voor deze keuzes beschikbaar was en aan de eventuele noodzaak vóór het maken van deze keuzes een deskundige te raadplegen. Wat van de invulling in een concreet geval verder ook zij, relevant is dat daardoor mijns inziens verder gegaan wordt dan de vergoeding van 'redelijke kosten, ook indien de maatregelen geen succes hebben', waaraan in MvT, Kamerstukken II1985/86, 19 529, nr. 3, p. 28, gerefereerd wordt. Zie ook Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 406.
De minister lijkt tussen de meerbedoelde uitspraak van 10 oktober 2003 en de wettekst een brug te willen slaan, waar hij (Handelingen I Inv. 2005/06, p. 12-585) stelt: 'Art. 7.17.2.18 (7:957, NvT), tweede lid - en, naar ik aanneem, ook het laatste arrest van de Hoge Raad - nemen in zoverre afstand van het eerdere arrest dat naast kosten nu ook de schade aan de bij beredding ingezette zaken voor vergoeding in aanmerking komt. Daaronder moet ook worden begrepen de schade aan de verzekerde zaak zelf, indien de beredding daarvan een tegengesteld effect heeft.' De minister breidt hiermee 'schade aan de bij beredding ingezette zaken' uit met 'schade aan de ingezette zaak zelf, indien de beredding daarvan een tegengesteld effect heeft'. Zie over 't Witte Paerdje Wansink oratie 2006, p. 72. Zie ook - eveneens kritisch - Stadermann in Titel 7.17 Belicht 2005, p. 152.
Zie in die zin Frenk oratie 2006, p. 73, die concludeert dat bij toepassing van art. 7:957 lid 2 BW 'een dubbele redelijkheidstoets' gehanteerd dient te worden.
Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1985/1986, 19 529, nr. 3, p. 28. Zie ook HR 30 november 2007, NJ 2007, 641.
Zie HR 13 juni 1975, NJ 1975, 509, m.nt. GJS (Amercentrale) en HR 2 mei 1997, NJ 1998, 281 m.nt. MMM (Forbo: 'de omstandigheid dat het waarschuwen van de consument door Forbo te gelden heeft als 'normale voldoening aan een normale zorgvuldigheidsplicht' neemt niet weg dat de kosten hiervan ten laste van de verzekeraar kunnen komen. Of dit het geval is, hangt hiervan af of - tevens - is voldaan aan het bepaalde in art. 4.2 AVB-w (de toepasselijke polisbepaling, NvT) resp. art. 283 K.' ) en 30 november 2007, NJ 2007, 641(Asbest). Zie voorts Wansink 2006, nr. 8.2.
Rb. Rotterdam 22 maart 2001, te kennen uit Hof Den Haag 16 juli 2002, S&S 2003, 48. Tegen de door mij hier besproken overwegingen zijn geen grieven of bezwaren ingediend.
Zodra een verzekerde stelt maatregelen te hebben genomen, is het in beginsel aan hem om aan te tonen, dat aan de vereisten om voor vergoeding van gemaakte kosten in aanmerking te komen, is voldaan.1 Verzekerde dient daartoe inzichtelijk te maken en zo nodig te bewijzen: dat sprake was van een verwezenlijking danwel het ophanden zijn van een risico, dat dat risico buitengewone maatregelen - ter voorkoming of vermindering van schade - rechtvaardigde, dat die maatregelen strekten ter voorkoming van onder de polis gedekte schade en, tot slot, voor welk bedrag aan die (redelijke) maatregelen kosten waren verbonden en/of hij schade heeft geleden aan door hem bij de beredding ingezette zaken.
Beredding bij verwezenlijking/ophanden zijn van het risico en ter voorkoming of beperking van onder de polis gedekte schade
Wanneer verzekerde aanspraak maakt op vergoeding van door hem gemaakte bereddingskosten, dient hij allereerst aan te tonen dat de genomen maatregelen redelijk en noodzakelijk waren omdat er sprake was van verwezenlijking of ophanden zijn van een risico dat door verzekering gedekt was en de maatregelen ertoe strekten onder de polis gedekte schade te voorkomen dan wel te beperken. Dit vereiste is niet met zoveel woorden uit de wettekst te halen, maar volgt uit de in de wetstekst gebezigde term: verwezenlijking van het risico.2
De vraag of ten tijde van de beslissing van de verzekerde om maatregelen te treffen sprake was van verwezenlijking van het risico3 of het ophanden zijn daarvan, is veelal feitelijk van aard en afhankelijk van de inschatting door de daarbij betrokkene(n). Hun oordeel hoeft echter niet doorslaggevend te zijn, want ook als er niet naar het oordeel van een ieder gevaar dreigt, maar dit wel zo is naar het oordeel van personen en instanties die op het betrokken terrein een zekere bevoegdheid tot oordelen hebben, kunnen maatregelen voor rekening van de verzekeraar komen. In zijn conclusie voor het Forbo-arrest4 verwoordt A-G Bloembergen het onder 3.4 treffend:
'Dan is het redelijkerwijs verantwoord dat een potentiële schadeveroorzaker, zelfs als hij zelf vindt dat er geen gevaar dreigt, afgaat op het oordeel van meer bevoegden. Als ik ervan overtuigd ben dat de brand in buurmans huis niet naar het mijne zal overslaan, maar de brandweercommandant en een vriendje die in zijn vrije tijd bij de vrijwillige brandweer is, zeggen dat er een goede kans is dat dit wel gebeurt, is het redelijk verantwoord dat ik mijn have in veiligheid breng en zal mijn verzekeraar op grond van art. 283 (K (oud), het 'oude' 7:957, NvT) voor de kosten van deze maatregel op moeten komen.'
In zijn arrest van 30 november 2007 heeft de Hoge Raad met zo veel woorden uitgesproken dat de verzekerde bij zijn beslissing mag afgaan op het advies van ingeschakelde deskundigen, tenzij de verzekerde wist of behoorde te begrijpen dat dit advies niet op deugdelijke gronden berustte.5Voorkomend is ook de situatie waarin er van overheidswege geadviseerd of zelfs aangedrongen wordt op het nemen van maatregelen. Ook dan is de verzekeraar gehouden tot vergoeding van de aan die maatregelen verbonden kosten, indien de maatregelen strekten ter voorkoming van de schade die door de verzekering was gedekt. In die zin ook - r.o. 3.4.3 - het meergenoemd Forbo-arrest6 van de Hoge Raad dat overigens vanwege de (door het hof gegeven en de Hoge Raad niet onbegrijpelijk geachte) uitleg van de dekkingsvraag in verzekeringskringen zeer kritisch ontvangen is.7 Niet in het belang van verzekeraar werd in een andere zaak geoordeeld de ontruiming van een gekraakt pand. Daarbij speelde een rol dat belang bij ontruiming - met het oog op het voornemen tot verkoop of verhuur van het pand - van de eigenaar zelf, groter was dan dat van verzekeraars.8
De verzekerde dient dus te stellen - en bij een gemotiveerde betwisting - te bewijzen dat het gaat om een ingrijpen zijnerzijds dat - al dan niet succes-vol9 - het belang van de verzekeraar heeft gediend. Oftewel: dat het evenement en de daaruit ontstane schade, de beredding weggedacht, onder de dekking zou hebben gevallen. Een uitspraak waarin een duidelijk onderscheid gemaakt wordt in kosten die wél als bereddingskosten en kosten die niet als zodanig voor vergoeding in aanmerking komen, is die van het Hof Den Haag van 30 januari 1990:10 door het verwijderen van cyanidehouden-de grond uit de winterbedding en het inladen daarvan in een schip was het dreigend gevaar voor verontreiniging van de rivier afgewend. De kosten van vervoer van die grond naar Duitsland - waartoe verzekerde op grond van door de overheid gestelde eisen hoe dan ook niet had kunnen ontkomen - zijn daarbij niet aangemerkt als een bereddingsverplichting in de zin van de wet.
Verzekerde dient de maatregelen te nemen
Aan het vereiste dat verzekerde degene is die de bereddingsmaatregelen dient uit te voeren, worden blijkens de hieraan in de jurisprudentie gegeven invulling geen al te hoge eisen gesteld. In het hiervoor genoemde arrest van 30 januari 1990 (schoonmaken winterbedding) achtte het hof voldoende dat de maatregelen 'op kosten van appellante' zijn uitgevoerd en dit naar niet of onvoldoende is betwist, ook met haar instemming en medewerking is geschied. 'Niet relevant' achtte het hof daarbij 'dat de verwijdering van de grond in feite geschiedde op bevel van de overheid, want het belang van geïntimeerde (verzekeraar, NvT) werd daarvoor niet in mindere mate gediend'. Wel achtte het hof het kostenaspect van belang. Het oordeelt dat de kosten binnen de vergoedingsplicht van de verzekeraar vallen, 'voorzover deze niet hoger zijn dan wanneer appellante (verzekerde, NvT), zelf de opdracht tot het verrichten van de betreffende werkzaamheden had gegeven.'11 Zie in dit verband ook het Witte Paerdje-arrest van de Hoge Raad, waarin maatregelen ter bestrijding van rooklucht op instigatie en op kosten van de verzekeraar en - uiteindelijk - met instemming van de verzekerde werden genomen, aangemerkt worden als maatregelen in de zin van 283 K (oud).1213
Er moet sprake zijn van binnen redelijke grenzen genomen (buitengewone) maatregelen
In het kader van de bereddingsplicht worden slechts vergoed die kosten die voortvloeien uit maatregelen, die tot voorkoming of vermindering van de schade kunnen leiden en waarvan het maken in dat kader - ook wat betreft de hoogte daarvan - als redelijk moet worden beschouwd.14 Verzekerde dient daarbij aan te tonen dat het ging om het beperken van schade door een reeds ingetreden (gedekt) evenement, danwel om buitengewone maatregelen die - beoordeeld naar het moment van het treffen van die maatregelen - in redelijkheid tot afweer van onmiddellijk dreigend gevaar of tot bestrijding van een acute schade-oorzaak, bijvoorbeeld brand, moesten worden genomen en dat de kosten daarvan - ook qua omvang - redelijk zijn.15
Het onderscheid dat de memorie van toelichting probeert aan te brengen met de op verzekerde rustende algemene verplichting om tegen het ontstaan van schade te waken (de 'normale voorzorgen', die door de verzekeraar niet worden vergoed), laat onverlet dat juist bij de aansprakelijkheidsverzekering de bijzondere maatregelen waartoe art. 7:957 BW de verzekerde verplicht, veelal zullen samenvallen met de maatregelen waartoe de normale in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid reeds tegenover derden verplicht. De jurisprudentie van de Hoge Raad leert dat dit samenvallen niet aan de vergoeding van de bereddingskosten in de weg hoeft te staan.16
Beantwoording van de vraag wat 'binnen redelijke grenzen genomen buitengewone maatregelen zijn' zal steeds plaats hebben te vinden aan de hand van de omstandigheden van het geval en bij gemotiveerde betwisting van de zijde van verzekeraar zal het aan de verzekerde zijn om daarvan bewijs te leveren. Zo ook in een procedure die in eerste aanleg voor de Rotterdamse rechtbank speelde: in deze zaak werden door de eigenares van (verhuurde) trailers, tevens medeverzekerde onder de polis (RTR), aan Poolse en Russische vervoerders bedragen betaald ter zake van door hen gestelde retentierechten. Deze retentierechten waren erop gebaseerd dat zij - naar die vervoerders stelden - van de uitvoerder van de vervoersover-eenkomst nog geld tegoed hadden. In de door RTR aangespannen procedure vordert zij als bereddingskosten vergoeding van wat zij als 'losgeld' aanduidt en wordt RTR met recht belast met het bewijs van de vraag of het betalen van 'losgeld' in de omstandigheden van dit geval als redelijke maatregelen ter beperking van de schade kan worden gezien:
(De vraag of de aan de vervoerders betaalde bedragen als bereddingskosten gezien moet worden) 'moet in het licht van de door de clausule gehanteerde ruime omschrijving van het begrip 'bereddingskosten' (vergoed worden 'de onkosten bedoeld in art. 283 K (oud)', NvT) bevestigend beantwoord worden, indien gezegd kan worden dat het betalen van 'losgeld' in de omstandigheden van dit geval als een redelijke maatregel ter beperking van de schade gezien kan worden.
In dat kader dient bezien te worden de mate waarin een reële dreiging bestond dat het gedekte evenement (verlies en/of schade) zich voor zou doen (...). Gelet op de gemotiveerde betwisting door de verzekeraars van de stellingen van RTR terzake, zal de rechtbank RTR toelaten tot het bewijs dat er ten tijde van de betaling door RTR aan de Russische en Poolse vervoerders een reële dreiging bestond dat zonder deze betalingen de 14 achtergehouden trailers niet dan wel beschadigd aan haar teruggeven zouden worden.' 17