Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/6.3.1.1:6.3.1.1 Eenvoudige gemeenschap welke wordt gevormd door een goed
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/6.3.1.1
6.3.1.1 Eenvoudige gemeenschap welke wordt gevormd door een goed
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS482380:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ieder der deelgenoten is bevoegd om te allen tijde verdeling te vragen. Dit is anders, voor zover hier van belang, in de navolgende twee gevallen:
a. indien zulks uit de aard der gemeenschap voortvloeit.
De uitzondering zoals in het eerste lid opgenomen luidende – ‘tenzij uit de aard van de gemeenschap (…) anders voortvloeit’ – was in het Ontwerp-Meijers niet opgenomen.
In het Ontwerp-Meijers werd evenwel in art. 3.7.1.9 lid 5, als vierde uitzondering op de hoofdregel, het navolgende bepaald:
‘Bovendien is een vordering tot verdeling uitgesloten, wanneer dit goed gemeen is tussen eigenaren van erven, gebouwen of gedeelten van gebouwen, tot welker gemeenschappelijk nut het goed is bestemd.’1
De motivering is voor ons onderwerp van belang:
‘De vierde uitzondering is in ons tegenwoordige recht meer verondersteld dan uitgesproken. Men kan slechts als de bedoeling van de wet vermoeden, dat een gemene muur, een gemene afsluiting, een gemene vaart, enz. tussen de rechthebbenden niet deelbaar zijn.’
En vervolgens:
‘Het zijn goederen, die bestemd zijn tot gemeenschappelijk nut van erven, gebouwen of gedeelten van gebouwen en die aan de eigenaren van deze zaken gemeenschappelijk toebehoren.’
Hierbij valt te denken aan:
‘putten of waterleidingen die aan verschillende erven gemeen zijn, ook aan een trapen de lopers, die tussen de eigenaren van afzonderlijke etages gemeen kunnen zijn, verder een speelterrein, dat gemeen is aan de eigenaren van de daarom heen gebouwde huizen enz. Door hun bestemming is het aandeel van iedere eigenaar in deze zaken een afhankelijk recht, dat niet los van de eigendom vervreemd kan worden. Voor zover het onroerende zaken zijn, zijn deze gemeenschappelijke goederen nader geregeld in de titel Mandeligheid in boek 5. Voor zover het roerende zaken zijn (b.v. landbouwmachines tussen eigenaars van landerijen of lopers of vloermatten tussen eigenaars van appartementen gemeen) kan met de regel van dit artikel worden volstaan.’2
Dit vijfde lid is komen te vervallen. In verband daarmee is het eerste lid van dit artikel aangevuld met de reeds hiervoor aangehaalde woorden:
‘tenzij uit de aard van de gemeenschap (…) anders voortvloeit.’3
Een wijziging van de inhoud werd niet beoogd. Van belang – voor het vervolg – is om reeds nu te constateren dat de wetgever een onverdeeld aandeel in een gemeenschap als hiervoor omschreven, uit hoofde van de daar aangegeven bestemming, aanmerkt als een afhankelijk recht. Voorts is van belang de opmerking dat voor wat betreft de onroerende zaken een nadere regeling wordt gegeven in titel 5.5. De bestemmingsovereenkomst (ten aanzien van roerende of onroerende zaken (dit laatste is dan mandeligheid ex titel 5.5) zoals hiervoor vermeld, bepaalt derhalve de aard van de gemeenschap en heeft voorts tot gevolg dat het onverdeelde aandeel in die gemeenschap als een afhankelijk recht moet worden aangemerkt.
b. Uitsluiting van verdeling voor 5 jaren.
De deelgenoten kunnen bij overeenkomst, telkens voor ten hoogste vijf jaren, het vorderen van verdeling uitsluiten.
Uit de laatste zin van art. 3:178 lid 5 vloeit, krachtens de verwijzing naar art. 3:168 lid 4, voort dat alle rechtverkrijgenden van de deelgenoten zijn gebonden, dat wil zeggen zowel de rechtsopvolgers onder algemene als onder bijzondere titel.
Wat is het karakter van deze overeenkomst? Is er sprake van een overeenkomst met goederenrechtelijke gevolgen, of spreken we hier van een obligatoire overeenkomst. Uit de behandeling van de overeenkomst in het Burgerlijk Wetboek en de parlementaire geschiedenis, moet welhaast volgen dat er sprake is van een obligatoire overeenkomst, immers, zou er sprake zijn van een overeenkomst met goederenrechtelijke gevolgen, dan zou de bepaling dat alle rechtsopvolgers van de deelgenoten daaraan gebonden zijn, niet nodig zijn. Ook zou geen twijfel kunnen bestaan over de gebondenheid aan de overeenkomst van beperkt gerechtigden wier recht na de totstandkoming van de overeenkomst zou worden gesloten. Ten slotte zou geen twijfel kunnen bestaan over de positie van schuldeisers opgekomen na het ontstaan van de overeenkomst.
Ik meen evenwel, gelet op de aard van de overeenkomst – het karakter van het onverdeelde aandeel wordt nader bepaald – en het gevolg – een deelgenoot kan geen verdeling meer vorderen – te moeten spreken van een overeenkomst met goederenrechtelijke gevolgen.