DD 2020/30
Roekeloosheid opnieuw beoordeeld
T. Blom , datum 24-04-2020
- Datum
24-04-2020
- Auteur
T. Blom1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS197954:2
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoogleraar straf(proces)recht, Universiteit van Amsterdam.
Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid verkeersdelicten, Kamerstukken II, 2018/19, 35086, 3, p. 3.
Zie artikel 307 en 308 Sr en artikel 175 WVW 1994.
Zie bijv. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960 en HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1554.
Zie T. Kooijmans, ‘De roekeloze automobilist’, Ars Aequi 2014, p. 118-124; T. Blom, ‘Roekeloosheid en doodslag in het verkeer: het Filefuikarrest de nieuwe standaard?’, Strafrecht Updates annotaties SR 2015, 0279.
Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid verkeersdelicten, Kamerstukken II, 2018/19, 35086, 3, p. 6, 8 en 11.
Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid verkeersdelicten, Kamerstukken II, 2018/19, 35086, 3, p. 12.
Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid verkeersdelicten, Kamerstukken II, 2018/19, 35086, 3, p. 12.
Naast deze voorbeelden uit de MvT wordt ook in de tekst van de memorie gesproken over een samenstel van gedragingen: “Bij het voorgestelde artikel 5a WVW 1994 gaat het om een samenstel van gedragingen” (p. 13 ) en “Het gaat hier om een misdrijf met een (hoog) strafmaximum van twee jaar, terwijl het zeer gevaarlijk rijgedrag – door een samenstel van gedragingen – niet heeft geleid tot een ongeval” (p. 11).
Zie voor een uitgebreidere uiteenzetting van de nieuwe wettelijke regeling W.H. Vellinga, ‘Aanscherping van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor ernstige verkeersdelicten’, VR 2019/20.
In artikel 175 lid 3 WVW 1994 worden nog maar twee strafverzwarende omstandigheden genoemd die mogen leiden tot een verhoging van de maximale gevangenisstraf met de helft: rijden onder invloed en het weigeren om deel te nemen aan een blaastest of bloedonderzoek i.d.z.v. artikel 163 WVW 1994, tweede, zesde, zevende of negende lid.
Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid verkeersdelicten, Kamerstukken II, 2018/19, 35086, 3, p. 15.
30.1 HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2016
"4.4.
(...) De door het Hof genoemde omstandigheden dat de verdachte 's nachts op een vrij smalle, onverlichte weg buiten de bebouwde kom met onbelemmerd uitzicht aanmerkelijk sneller heeft gereden dan ter plaatse was toegestaan en met onverminderde snelheid tegen een voor hem op die weg rijdende bromfietser is gebotst, en voorts dat hij ondanks een waarschuwing van zijn moeder was gaan rijden terwijl hij ‘opgefokt’ was en alcoholhoudende drank had gedronken, zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte - zoals hem onder 1 primair eveneens is tenlastegelegd - “zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam” heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden. Zonder nadere motivering valt voorts niet in te zien hoe de door het Hof in zijn nadere bewijsoverweging genoemde recidive van de verdachte aan de bewezenverklaarde roekeloosheid van diens rijgedrag heeft bijgedragen."
30.2 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4254
"3.4.
(...) De door het Hof genoemde omstandigheden dat de verdachte in de hoedanigheid van beroeps(taxi)chauffeur 's nachts op een nat wegdek met onbelemmerd zicht met een veel te hoge snelheid en zonder ontheffing heeft gereden op de trambaan, dat de verdachte op de hoogte was van de daar geldende lagere maximumsnelheid en het gevaar van de langere remweg op de tramrails, en voorts dat de verdachte de voetganger heeft gezien maar heeft gedacht dat deze een andere kant op zou gaan en vervolgens die voetganger - terwijl deze de rijbaan reeds was overgestoken ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats en doende was de trambaan over te steken - heeft aangereden, zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte - zoals hem onder primair eveneens is tenlastegelegd - “zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam” heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden."
30.3 HR 4 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2823
"3.5.
Voor zover het middel klaagt dat het Hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd is het (..) terecht voorgesteld. De door het Hof genoemde omstandigheden dat de verdachte de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig heeft verloren, doordat hij na het gebruik van alcoholhoudende drank met een snelheid die mogelijk boven de 188 km per uur heeft gelegen, althans met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldende advies- en maximumsnelheid, door de bocht naar links heeft gereden, en dat hij in gesprek was met zijn passagier en zich daarbij regelmatig tot die passagier wendde zonder volledig op de weg te zijn geconcentreerd, zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte - zoals hem primair eveneens is tenlastegelegd - “in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend” heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden."
30.4 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:964
"3.6
(…) De door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden dat de verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en met (nagenoeg) onverminderde snelheid een kruising - met voor hem groen licht uitstralende verkeerslichten - is opgereden, terwijl het alcoholgehalte in zijn bloed 1,26 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg, zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, “in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam” heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden."
30.5 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:962
"3.6.
In het licht van het voorafgaande schiet de bewijsvoering van het Hof – dat de bewijsmiddelen niet heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid – tekort. De door het Hof kennelijk in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden – kort gezegd: als bestuurder van een motorfiets links van een middengeleider met zeer grote overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid op een kruispunt over de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer voertuigen inhalen – zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, “(aanmerkelijk) onvoorzichtig en/of onoplettend” heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden."
30.6 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960
"4.6.
In het licht van het voorafgaande schiet de bewijsvoering van het Hof – dat de bewijsmiddelen niet heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid – tekort. De door het Hof kennelijk in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden – kort gezegd: verhinderen dat een met hoge snelheid op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer inhalende auto kan terugkeren naar de eigen rijstrook – zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, “zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend” heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden."
30.7 HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR 2013:1552
"3.4.
(…) De door het Hof blijkens de nadere bewijsoverweging in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden dat de verdachte door haar alcoholgebruik haar auto niet voortdurend onder controle had en dat de verdachte als bestuurder niet voortdurend in staat was de handelingen te verrichten die van haar werden vereist, zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, “zeer, althans aanmerkelijk, onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam” heeft gereden onder de in art. 175, derde lid, WVW 1994 tot strafverhoging leidende omstandigheden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175, tweede lid, WVW 1994 heeft gereden, ook niet als daarbij in aanmerking wordt genomen dat het Hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat de verdachte is gaan rijden en blijven rijden tegen de rijrichting in van de Rijksweg A20."
30.8 HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:351
"3.4.
(…) De door het Hof blijkens de nadere bewijsoverweging in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden - kort gezegd: fors alcoholgebruik en ernstige tekortkomingen met betrekking tot de verkeersdeelname - zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, “zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend” heeft gereden onder de in art. 175, derde lid, WVW1994 tot strafverhoging leidende omstandigheden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175, tweede lid, WVW 1994 heeft gereden."
30.9 HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:470
"4.4.
(…) De door het Hof blijkens de nadere bewijsoverweging in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden dat de verdachte onder invloed van alcohol en zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs slingerend, met wisselende snelheden en op te korte afstand van andere auto's heeft gereden, vervolgens op het weggedeelte, bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is terecht gekomen en een ongeval heeft veroorzaakt, zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, “zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam“ heeft gereden onder de in art. 175, derde lid, WVW 1994 tot strafverhoging leidende omstandigheden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175, tweede lid, WVW 1994 heeft gereden."
30.10 HR 1 april 2014,ECLI:NL:HR:2014:773
"3.6.
(…) De door het Hof in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden – kort gezegd dat door de verdachte die niet beschikte over een rijbewijs is gereden met een snelheid van ongeveer tweehonderd kilometer per uur en dat de verdachte met hoge snelheid een afrit is opgereden en daar over de vluchtstrook een voor hem rijdende auto rechts heeft ingehaald – zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, “zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend” heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden."
30.11 HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3045
"3.4.
(…) De door het Hof blijkens de nadere bewijsoverweging in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden - kort gezegd dat de verdachte, die ter plaatse bekend is, een oversteekplaats voor (brom)fietsers met een toenemende snelheid van uiteindelijk ongeveer 90 kilometer per uur is opgereden waar slechts 50 kilometer per uur was toegestaan, aldaar een van rechts komende bestuurster van een bromfiets heeft aangereden, terwijl zijn zicht op die oversteekplaats door een op de rechter rijstrook stilstaande personenauto werd belemmerd, het voor hem geldende verkeerslicht op rood stond en hij onder invloed was van alcoholhoudende drank - zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte zoals eveneens is tenlastegelegd “zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend” heeft gereden onder een van de in art. 175, derde lid, WVW 1994 tot strafverhoging leidende omstandigheden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175, tweede lid, WVW 1994 heeft gereden."
30.12 HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1772
"3.4.
(…) De door het Hof blijkens de nadere bewijsoverweging in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden - kort gezegd dat de verdachte een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij zeven keer de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken en met een snelheid van minstens 147 kilometer per uur heeft gereden waar 100 kilometer per uur was toegestaan, terwijl hij met de besturing van een auto van een type waarmee hij geen enkele ervaring had - zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals onder 1 eveneens is tenlastegelegd, “zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend”, heeft gereden onder de in art. 175, derde lid, WVW 1994 tot strafverhoging leidende omstandigheden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175, tweede lid, WVW 1994 heeft gereden."
1. Inleiding
Deze rechtspraakrubriek gaat over verandering van wetgeving en de invloed daarvan op de jurisprudentie. In deze bijdrage wordt onderzocht welke invloed de recente wijzigingen in de WVW 1994 zouden hebben gehad op oude strafzaken. Recentelijk is roekeloosheid opnieuw gedefinieerd. De belangrijkste reden daarvoor was dat de rechter slechts in heel specifieke gevallen bewezen verklaart dat van roekeloosheid sprake is.
“Hierdoor is het toepassingsbereik van roekeloosheid te beperkt en daarom beoogt dit wetsvoorstel dat bereik weer te verbreden in lijn met de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever.”2
Afgelopen maanden hebben verschillende rechtbanken werkgroepen ingesteld om nader te bepalen wat de mogelijke consequenties zijn die voortvloeien uit deze wetswijziging. Deze rechtspraakrubriek beoogt meer duidelijkheid te scheppen door oude verkeerszaken opnieuw te beoordelen door de bril van de huidige wettelijke regeling. Daarmee wordt hopelijk duidelijker wat de voornaamste veranderingen zijn en hoe daarmee in de praktijk moet worden omgegaan.
Zoals bekend, hanteert de Hoge Raad zware eisen voordat mag worden aangenomen dat sprake is (of: was) van roekeloosheid in het verkeer in de zin van artikel 175 WVW 1994. Dat heeft te maken met het feit dat de wetgever in 1998 roekeloosheid heeft geïntroduceerd als zwaarste vorm van culpa die dicht tegen voorwaardelijk opzet aanligt. Dat was ook de reden om de maximale vrijheidsstraf te verdubbelen ten opzichte van ‘gewoon’ culpoos handelen met een ernstig gevolg.3 Het moest gaan om zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Vanwege deze consequentie (een verdubbeling van de straf) zijn de voorwaarden die de Hoge Raad stelt aan roekeloosheid echter streng. Er moet volgens de Hoge Raad aan drie noodzakelijke voorwaarden zijn voldaan: het moet gaan om een buitengewoon onvoorzichtige gedraging, dat een zeer ernstig gevaar in het leven roept waarvan de verdachte zich bewust was, althans had moeten zijn. Onvoldoende is dat de verdachte voldaan heeft aan de voorwaarden van artikel 175 lid 3 WVW 1994 (dat hij te veel gedronken had, niet wilde meewerken aan een alcoholtest of bloedonderzoek, de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, geen voorrang heeft verleend of gevaarlijk heeft ingehaald).4 Daarvoor geldt immers al een strafverzwaring met de helft. Deze strenge voorwaarden hebben er inderdaad voor gezorgd dat slechts in uitzonderlijke gevallen tot een veroordeling voor roekeloosheid kon worden gekomen. Voorbeelden van roekeloosheid die door de Hoge Raad zijn aanvaard, zijn het veroorzaken van een dodelijk ongeval of een ongeval met zwaar lichamelijk letsel terwijl werd deelgenomen aan een snelheidswedstrijd op de weg (HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1554), aan een kat-en-muisspelletje (HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9367), een wedstrijdachtige achtervolging (HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:959) of er sprake was van een politie-achtervolging (HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1656).5 Ook het midden op de snelweg stil gaan staan om een conflict te beslechten valt daaronder (HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2414). In deze rubriek wordt onderzocht of onder het huidige recht de zaken die niet voldeden aan de strenge voorwaarden van de Hoge Raad op basis van de nu geldende regels wel zouden hebben geleid tot een veroordeling wegens roekeloos rijgedrag in de zin van artikel 175 WVW 1994.
2. Nieuwe wetgeving
De Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft artikel 175 WVW 1994 gewijzigd. Aan lid 2 onderdeel b is toegevoegd: van roekeloosheid is in elk geval sprake als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a WVW 1994 kan worden aangemerkt. In artikel 5a WVW 1994 staat:
“het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.”
Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt:
onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen;
gevaarlijk inhalen;
negeren van een rood kruis;
over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan;
inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats;
niet verlenen van voorrang;
overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid;
zeer dicht achter een ander voertuig rijden;
door rood licht rijden;
tegen de verkeersrichting inrijden;
tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden;
niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze wet bevoegde personen;
soortgelijke gedragingen als onder a tot en met l genoemd.
Voor roekeloosheid in de zin van dit artikel is ten slotte nodig dat het (te duchten) gevolg zich daadwerkelijk heeft voltrokken. Door dit opzettelijk rijgedrag is een persoon komen te overlijden of is aan deze persoon lichamelijk letsel toegebracht. Wat niet is veranderd, is dat roekeloosheid een vorm van culpa is en dat dus moet worden voldaan aan alle eisen die aan culpa worden gesteld.6 De bedoeling van de wetgever is duidelijk. Door deze verandering in de wet moeten meer verkeersgedragingen onder dit delict worden gebracht. De memorie van toelichting geeft op verschillende plekken voorbeelden van verkeersgedrag waaraan moet worden gedacht: “wanneer een verdachte tijdens het rijden zijn mobiele telefoon vasthoudt, de maximumsnelheid aanzienlijk overschrijdt, rode lichten negeert en zich op de verkeerde weghelft begeeft, terwijl zeer goed voorstelbaar was dat een (dodelijk) ongeval kon plaatsvinden”; “wanneer iemand zonder rekening te houden met andere weggebruikers (veel) te hard rijdt bij gevaarlijke kruisingen, terwijl daarvan levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander is te duchten”; “wanneer een automobilist onder invloed van ruim boven de toegestane hoeveelheid alcohol slingerend over de weg rijdt met een ruime overschrijding van de maximumsnelheid en daarbij onvoldoende rechts houdt”; ‘het meerdere malen negeren van een rood kruis, het meerdere keren rijden door rood licht, voor een langere periode met een hoge snelheid rijden, continu over een vluchtstrook blijven rijden, terwijl dat niet is toegestaan”.7 Wanneer de verdachte meerdere van deze gedragingen in één rit begaat kan het volgens de memorie van toelichting niet anders zijn dan dat hij de verkeersregels opzettelijk schendt en dat zijn opzet (aldus) was gericht op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.8 De wetgever is bovendien van mening dat een aantal van de in artikel 5a WVW 1994 opgesomde gedragingen zoals de overschrijding van de maximumsnelheid, zeer dicht achter een ander voertuig rijden of het vasthouden van een mobiele telefoon niet anders dan opzettelijk kunnen worden gepleegd.9 Het vasthouden van een mobiele telefoon is inderdaad een gedraging waarvan het moeilijk voor te stellen is dat deze per ongeluk wordt verricht. Maar te hard rijden en te dicht op een andere auto rijden is vaak wel een gedraging die niet opzettelijke wordt verricht. Tenminste, mij overkomt het met enige regelmaat dat ik te dicht op een andere auto rijd of harder rijd dan de toegestane maximum snelheid, terwijl ik me daar niet van bewust ben en er vaak door een medepassagier – meestal mijn vrouw – op moet worden gewezen. Ik neem aan dat wordt bedoeld veel te hard en veel te kort op een andere auto (het zgn. bumperkleven).
Uit deze voorbeelden wordt in ieder geval wel duidelijk dat het om meerdere gedragingen moet gaan waardoor meerdere verkeersregels ernstig zijn geschonden terwijl daarvan levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel te duchten is. Het moet dus gaan om een samenstel van gedragingen.10 Voor het aannemen van roekeloosheid moet het gevolg daadwerkelijk zijn ingetreden. Waarbij overigens het veroorzaken van ‘gewoon’ letsel voldoende is.11 Het moet gaan om het opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedragen dat verkeersregels in ernstige mate worden geschonden. De bedoelde verkeersgedragingen worden vervolgens niet limitatief opgesomd. Het zijn dus voorbeelden van verkeersgedragingen die opzettelijke moeten zijn begaan en waarbij de verdachte zich bovendien bewust was (in voorwaardelijke zin) dat dat verkeersgedrag in ernstige mate de verkeersregels schond. Opzet, waaronder voorwaardelijk opzet, kan worden bewezen op grond van de verklaring van de verdachte dan wel op grond van de omstandigheden van het geval. Kunnen we uit zijn verklaring – of, bij afwezigheid daarvan, uit de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen – aannemen dat er tenminste sprake is van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat door zijn handelen verkeersregels in ernstige mate worden geschonden waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is? Duidelijkheid moet nog worden verkregen over wat moet worden verstaan onder het “in ernstige mate” schenden van verkeersregels. Niet ieder onvoldoende rechts houden, negeren van een rood kruis, over de vluchtstrook rijden of niet verlenen van voorrang levert immers een ernstige schending van verkeersregels op. Hoeveel te hard en hoe lang te hard moet er zijn gereden om als opzettelijk verkeersgedrag te worden aangemerkt waarbij in ieder geval die verkeersregel in ernstige mate is geschonden waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is? Hoe druk moet het op de weg zijn geweest om van een dergelijk vrees te mogen spreken? Dit is immers allemaal nodig om van roekeloosheid in de zin van de nieuwe bepaling te kunnen spreken. Dezelfde of soortgelijke vragen spelen bij de andere verkeersgedragingen die in dit artikel worden bedoeld. Of sprake is van in ernstige mate schenden van verkeersregels hangt dus af van de omstandigheden van het geval.12 De ‘oude’ jurisprudentie zal dienen om te beoordelen onder welke omstandigheden daarvan sprake is zodat ook op dat punt meer duidelijkheid komt.
3. Herbeoordeling van de jurisprudentie
In zaak 30.6 wordt in de bewijsmiddelen slechts één verkeershandeling genoemd namelijk het verhinderen dat een met hoge snelheid op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer inhalende auto kan terugkeren naar de eigen rijstrook. Deze verkeersgedraging wordt niet genoemd in artikel 5a WVW 1994. Deze handeling kan echter gezien het gevaar dat het kan veroorzaken, worden beschouwd als een ‘soortgelijke gedraging’ (onder m). Dat is en blijft echter onvoldoende voor een veroordeling voor roekeloosheid omdat het geen samenstel van gedragingen is.
Zaak 30.1 vermeldt niet meer dan dat de verdachte te snel heeft gereden, overstuur was en had gedronken. In dronken toestand (i.d.z.v. artikel 8WVW) aan het verkeer deelnemen, blijft ook in de nieuwe wet een zelfstandig strafverhogende omstandigheid (artikel 175 lid 3 WVW 1994)13 en leidt al tot een strafverhoging met de helft. Deze omstandigheid mag er dus niet voor zorgen dat opnieuw een verhoging (verdubbeling) plaatsvindt op basis van dezelfde gedraging. Dan blijft ‘slechts’ over dat de verdachte (aanzienlijk) te hard heeft gereden (onder g), maar dat is maar één verkeersgedraging. Roekeloos kan in deze zaak ook op basis van de nieuwe regelgeving nog steeds niet worden bewezen. Ook in de zaken 30.4 en 30.12 is er ‘slechts’ sprake van een combinatie van veel te hard rijden en dronken aan het verkeer deelnemen en zal dus om dezelfde reden als in zaak 30.1 opnieuw niet leiden tot een veroordeling voor roekeloosheid. In zaak 30.7 is sprake van een dronken automobilist die in deze toestand op de A20 tegen het verkeer inrijdt (onder j). Ook hier geldt echter dat er ‘maar’ één verkeersgedraging overblijft en zal dus opnieuw niet leiden tot een veroordeling voor roekeloosheid. In zaak 30.8 heeft de verdachte onder invloed gereden en met haar voertuig niet zoveel mogelijk rechts gehouden, waardoor zij aan de linkerzijde van de rijbaan kwam te rijden. Als verkeersgedraging is dit in artikel 5a onder a WVW 1994 als verkeergedraging opgenomen onder de omstandigheid dat sprake is van een onoverzichtelijke verkeerssituatie. Over deze omstandigheid wordt in deze zaak niets vastgesteld, maar zelfs als dat wel het geval zou zijn geweest, is dit onvoldoende om tot een veroordeling van roekeloosheid te komen.
In zaak 30.2 is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de toegestane maximumsnelheid (onder g) en het niet verlenen van voorrang aan een voetganger (onder f). De omstandigheid “dat de verdachte de voetganger heeft gezien maar heeft gedacht dat deze een andere kant op zou gaan en vervolgens die voetganger - terwijl deze de rijbaan reeds was overgestoken ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats en doende was de trambaan over te steken - heeft aangereden” is echter een contra-indicatie voor het aannemen van opzet (op het niet verlenen van voorrang). Een verkeerde inschatting maken van een situatie en op basis daarvan handelen met fataal gevolg, kan verwijtbaar handelen opleveren maar kwalificeert niet als het zich opzettelijk zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden. Ook in deze zaak volgt opnieuw geen veroordeling voor roekeloosheid. In zaak 30.3 gaat het opnieuw om een aanzienlijke overschrijding van de toegestane maximumsnelheid (onder g) maar nu in combinatie met de omstandigheid dat de chauffeur in gesprek is met zijn medepassagier en zich daarbij regelmatig tot die passagier wendt zonder volledig op de weg te zijn geconcentreerd. Ook dit is echter geen opzettelijke gedraging in de zin van artikel 5a WVW 1994 en kan dus opnieuw niet leiden tot een veroordeling voor roekeloosheid.
Zaak 30.5 bevat meerdere verkeersgedragingen. De verdachte heeft aanzienlijk te hard gereden (onder g) en gevaarlijk ingehaald (onder b). Kan uit deze gedragingen worden afgeleid dat sprake is van het opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is? Kan dat worden afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm? Verdachte haalt in op een kruispunt over de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer. Naar zijn uiterlijke verschijningsvorm lijkt dat niet per ongeluk. Ook een overschrijding van de ter plaatse geldende toegestane maximumsnelheid met 76 km/uur kan niet per ongeluk zijn gegaan. Verdachte reed met 126 km/uur binnen de bebouwde kom. Op basis van de nieuwe wettelijke regeling is in deze zaak sprake van het opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Aangezien dat gevolg in deze zaak ook is ingetreden, zou op basis van de nieuwe wettelijke regeling wel sprake kunnen zijn van roekeloosheid. Ook het rijden onder invloed van alcohol zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs slingerend, met wisselende snelheden en op te korte afstand van andere auto’s rijden (onder h), op het weggedeelte dat is bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen (onder a) en een dodelijk ongeval veroorzaken (zaak 30.9) kan op basis van de nieuwe wettelijke regeling wel een veroordeling voor roekeloosheid opleveren. Verdachte is kennelijk van mening dat deze verkeersregels niet voor hem geschreven zijn. Ook in zaak 30.10 beschikt de verdachte niet over een rijbewijs, heeft hij met een snelheid van ongeveer tweehonderd km/uur gereden (onder g), is met hoge snelheid een afrit opgereden en heeft daar over de vluchtstrook (onder d) een voor hem rijdende auto rechts ingehaald (onder b). Dit zijn gedragingen die nu wel toereikend kunnen zijn voor een veroordeling voor roekeloosheid. In zaak 30.11 rijdt verdachte met 90 km/uur door de bebouwde kom (onder g), waar hij een van rechts komende bestuurster van een bromfiets heeft aangereden (onder f), terwijl zijn zicht op die oversteekplaats door een op de rechter rijstrook stilstaande personenauto wordt belemmerd, het voor hem geldende verkeerslicht op rood staat (onder i) en hij onder invloed was van alcoholhoudende drank. Ook hier geldt dat deze gedragingen nu wel toereikend kunnen zijn voor een veroordeling voor roekeloosheid in de zin van artikel 175 WVW 1994.
4. Conclusie
In vier van de twaalf door mij onderzochte zaken zal op basis van de nieuwe regelgeving wel een veroordeling voor roekeloosheid kunnen volgen. Er is dus sprake van een door de wetgever gewenste uitbreiding, maar alleen in de zaken 30.5, 30.9, 30.10 en 30.11. De reden dat in de meeste zaken opnieuw geen veroordeling voor roekeloosheid zal volgen, heeft te maken met het feit dat het situaties zijn waarin de verdachte dronken aan het verkeer heeft deelgenomen en in die toestand ’slechts’ één van de in artikel 5a WVW 1994 opgesomde verkeershandelingen heeft verricht (tegen het verkeer inrijden; geen afstand houden, etc.). Zolang dronken rijden (i.d.z.v. artikel 8 WVW 1994) echter een zelfstandige grond is voor strafverhoging (artikel 175 lid 3 WVW 1994) mag dit niet ook een omstandigheid zijn die bepaalt dat er (ook) een verdubbeling van de straf mag volgen. Dat zou dubbelop zijn en de Hoge Raad heeft dit ook onder de oude wetgeving niet geaccepteerd. Ik neem niet aan dat de Hoge Raad van dit standpunt zal afstappen. De tweede reden is dat door de nieuwe wettelijke regeling er een nieuw bewijsprobleem is ontstaan. Het moet immers gaan om het opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Die specifieke opzet ontbreekt in de zaken 30.2 en 30.3.
Of sprake was van het in ernstige mate schenden van verkeersregels levert in deze zaken eigenlijk geen probleem op. Uit het geschetste rijgedrag van de verdachte kan in alle gevallen voldoende worden afgeleid. Ook het vaststellen van het causale verband tussen de opzettelijke verkeersgedraging en het gevolg (het veroorzaken van een ongeval waardoor een ander wordt gedood of lichamelijk letsel wordt toegebracht) leidt in de hier behandelde zaken niet tot problemen.
Dit zorgt ervoor dat roekeloosheid in de zin van de wet een specifieke betekenis blijft houden die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat daaronder in het normale taalgebruik wordt verstaan en ook dat heeft de wetgever voor ogen gehad.14