De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.5:5 Overgang naar het volgende deel
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.5
5 Overgang naar het volgende deel
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS385223:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De hier behandelde parlementaire geschiedenis brengt mij tot twee afsluitende observaties.
De eerste is dat de ondernemingsraad door de wetgever centraal is gesteld bij de uitoefening van de medezeggenschap van werknemers over de strategie. De wetgever heeft voorzien in ruime informatie- en overlegbevoegdheden voor de ondernemingsraad en deze versterkt met het beroepsrecht over adviesplichtige besluiten. Dat adviesrecht is door de wetgever ook daadwerkelijk bedoeld als instrument voor werknemers tot beïnvloeding van strategische besluiten, zij het dat het hier niet gaat om onbegrensde bevoegdheden. De in artikel 25 WOR genoemde besluiten zijn limitatief bedoeld en in beginsel zou daarbuiten geen adviesrecht moeten bestaan, interpretatiekwesties daargelaten. De ondernemingsraad heeft geen adviesrecht over voorgenomen strategisch beleid. De vrijheid van de ondernemer is gewaarborgd doordat de rechter de besluitvorming marginaal toetst. In die begrenzing ligt ook de rechtvaardiging van het unieke systeem van medezeggenschap dat Nederland jegens andere landen heeft.
De centrale positie van de ondernemingsraad bij de strategie is bevestigd in de structuurregeling. Ook hier is het de ondernemingsraad die, op basis van een versterkt aanbevelingsrecht, invloed heeft op het toezichthoudend orgaan van de vennootschap. De vakorganisaties zijn door de wetgever aangewezen als de partij die namens de werknemers moet ingrijpen in min of meer extreme gevallen van (vermoedens van) onjuist beleid. Zulk ingrijpen moest volgens de wetgever in beginsel van buiten de onderneming komen.
Een tweede observatie is dat de politieke wil om tot een fundamentele wijziging van het Nederlandse systeem van medezeggenschap te komen in beginsel lijkt te ontbreken, althans dat deze bereidheid tot op heden afwezig is geweest. Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw hebben zich noch in de WOR, noch in het enquêterecht, noch in de structuurregeling fundamentele systematische wijzigingen voorgedaan. Voorstellen tot vermeerdering of vermindering van de bevoegdheden van de in die wetten genoemde partijen zijn tot nu toe steeds gestrand.
Tegen de achtergrond van de bedoeling van de wetgever stel ik vragen over de wijze waarop het systeem van medezeggenschap nu werkt en hoe het misschien zou moeten werken. Welke juridische mogelijkheden en beperkingen hebben werknemers om de strategie van de Nederlandse onderneming, het Nederlandse internationale concern en het buitenlandse internationale concern te beïnvloeden? Daarover gaat het volgende deel.