Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/6.10.3
6.10.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587108:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. M.B. Beekhoven van den Boezem 2006, par. 23.2.1.
Zie HR 11 maart 2005, NJ 2006, 362 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. H.J. Snijders.
Zie M.B. Beekhoven van den Boezem 2006, par. 23.2.2.
Zie hiervóór nr. 313.
Vordert de beslaglegger een dwangsom in het kader van art. 477a lid 1 jo 476a-476b Rv, indien mogelijk, dan is dit naar mijn mening anders.
Zie voor verpanding: M.B. Beekhoven van den Boezem 2006, par. 23.3.2.3.2. Anders ten aanzien van beslag: M.B. Beekhoven van den Boezem 2006, par. 23.3.2.3.1. Zij baseert zich op het arrest Van den Bergh/Van der Walle (HR 29 oktober 2004, NJ 2006, 203, m.nt. H.J. Snijders) inzake het beslag op nog niet benutte kredietruimte. De dwangsomvordering ontstaat echter niet door uitoefening van een wilsrecht.
Zie Van Opstal 1961, p. 40 en, na enige aarzelingen en met nadere onderbouwing, M.B. Beekhoven van den Boezem 2006, par. 23.3.2.1 en 23.3.2.2.
Anders: M.B. Beekhoven van den Boezem 2006, par. 23.3.1, nt. 5.
408. Is de stille cedent bevoegd om de hoofdvordering te innen, dan is het vraag of hij op grond daarvan ook bevoegd is om een dwangsomveroordeling te eisen en een dwangsomvordering te innen.
De derde die inningsbevoegd is ten aanzien van de hoofdvordering wordt niet op dezelfde wijze bevoegd ten aanzien van een reeds bestaande dwangsomvordering, tenzij hij ten aanzien van deze vordering afzonderlijk inningsbevoegd is gemaakt, bijvoorbeeld door de afzonderlijke verpanding of onderbewindstelling van de vordering.1 Hetzelfde geldt in beginsel als de dwangsomvordering ontstaat nadat de derde inningsbevoegd is geworden ten aanzien van de hoofdvordering.
Op grond van het arrest Rabobank/Stormpolder2 oordeelt M.B. Beekhoven van den Boezem anders ten aanzien van een verpande of beslagen hoofdvordering.3 Volgens haar komt het recht op de nog te verbeuren dwangsommen aan hun toe. Deze zienswijze is naar mijn mening geen geldend recht. Uit het arrest Rabobank/Stormpolder volgt dat de beslaglegger het aan de beslagen hoofdvordering verbonden hypotheekrecht kan uitoefenen. Anders dan een hypotheekrecht is de dwangsomvordering geen nevenrecht, maar een zelfstandig vermogensrecht. De pandhouder en de beslaglegger van een verpande dan wel beslagen vordering op de dochtermaatschappij kunnen zich ook niet op de 403-vordering verhalen, als deze vordering niet afzonderlijk is verpand of beslagen.4 De dwangsomvordering is een aanvullende vordering, met een straffunctie. Omdat de dwangsomvordering niet in plaats van de hoofdvordering komt, zijn de pandhouder en de beslaglegger ook niet inningsbevoegd krachtens zaaksvervanging (zie hiervoor, art. 3:229 lid 1 BW en art. 477a lid 4 Rv). De pandhouder en de beslaglegger zijn ten slotte evenmin de rechthebbende van de dwangsomvordering, en kunnen op grond daarvan evenmin de vordering innen.5 De dwangsomvordering dient afzonderlijk te worden verpand of te worden beslagen, willen zij zich daarop kunnen verhalen.
De beslaglegger en de pandhouder zijn uit hoofde van hun procesbevoegdheid wel bevoegd om het opleggen van een dwangsom te vorderen (art. 611a lid 1 Rv) en de uitspraak waarbij de dwangsom is vastgesteld aan de schuldenaar laten betekenen (art. 611a lid 3 Rv). Als de inningsbevoegde derde ten aanzien van een verbintenis die jegens hem persoonlijk geldt, nakoming vordert, kan hij ten eigen behoeve een dwangsom vorderen. In dat geval ontstaat de dwangsomvordering in zíjn vermogen.
De toekomstige dwangsomvordering kan bij voorbaat aan de pandhouder worden verpand, en op deze vordering kan ook derdenbeslag worden gelegd, zonder dat de hoofdvordering is verpand of daarop beslag is gelegd.6 De nog niet verbeurde dwangsomvordering is een toekomstige vordering die rechtstreeks voortvloeit uit een reeds bestaande rechtsverhouding.7 Op de toekomstige dwangsomvordering kan ook bij voorbaat een recht van vruchtgebruik worden gevestigd en deze vordering kan ook (bij voorbaat) onder bewind worden gesteld. De derde wordt pas inningsbevoegd op het moment van het ontstaan van de vordering. Bezwaring, onderbewindstelling en derdenbeslag, al dan niet bij voorbaat, zijn ook mogelijk ten aanzien van een dwangsomvordering in het geval dat een derde niet inningsbevoegd kan worden ten aanzien van de hoofdvordering, zoals een veroordeling tot nakoming van een omgangsregeling.8 De dwangsomvordering is een geldvordering die het eventuele hoogstpersoonlijke karakter van de hoofdvordering mist.
409. Is de stille cedent procesbevoegd, dan volgt daaruit dat hij ook bevoegd is om een dwangsomveroordeling te eisen. Ontstaan na de stille cessie dwangsomvorderingen in het vermogen van de stille cessie, dan zal uit de lastgevingsovereenkomst moeten volgen of de stille cedent bevoegd is tot inning daarvan. Tenzij anders is bepaald, moet worden aangenomen dat dit het geval is. Als de stille cessionaris overgaat tot inning van deze vorderingen, dient dit als mededeling in de zin van art. 3:94 lid 3 BW te worden beschouwd. Reeds op het moment van de stille cessie bestaande dwangsomvorderingen die in het vermogen van de stille cedent zijn achtergebleven, kan de stille cedent als schuldeiser innen.