Inhoudsopgave
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.5.5:2.5.5 Vervolg onderzoek
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.5.5
2.5.5 Vervolg onderzoek
Documentgegevens:
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS384804:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik wil nader onderzoeken welke sporen de relativerende benadering heeft nagelaten in de wettelijke regeling en in rechterlijke uitspraken over erfpacht, met name indien sprake is van conflicten over toestemming, canonherziening en over beëindiging van het recht. De in deze paragraaf gegeven omschrijving van de volgens mij meest geëigende benadering van de rechtsverhouding tussen erfverpachter en erfpachter wordt in de volgende hoofdstukken getoetst. In hoofdstuk 3 aan de wijze waarop de verbintenisrechtelijke algemene voorwaardenregeling op erfpachtrechten van toepassing is. In hoofdstuk 4 aan de jurisprudentie over verschillende vormen van het toestemmingsvereiste, in hoofdstuk 5 aan de jurisprudentie over de verschillende vormen van canonherziening en in hoofdstuk 6 aan de jurisprudentie over de wijzen waarop het erfpachtrecht kan worden beëindigd.
In de volgende hoofdstukken wordt het volgende onderzoekskader gehanteerd. De wetsgeschiedenis, de doctrine en de rechtspraak over toestemming, canonherziening en beëindiging van het recht bij erfpachtverhoudingen worden bestudeerd vanuit de relationele benadering. Gekeken wordt of bij de beslechting van geschillen de goederenrechtelijke of de verbintenisrechtelijke dimensie van de rechtsverhouding meer op de voorgrond treedt en waaruit dat blijkt. De analyse van recente rechtspraak wordt uitgevoerd aan de hand van de volgende vragen:
Welke verbintenis(sen) is of zijn in geschil en wat is de bron van die verbintenis(sen)? Is dat de wet, de overeenkomst tot vestiging of het erfpachtrecht en maakt het in het laatste geval nog uit of het beding is opgenomen in ingeschreven algemene erfpachtvoorwaarden?
Hoe wordt de aard van de verplichting in geschil beoordeeld, als een persoonlijke verbintenis, een kwalitatieve verbintenis of een zakelijke last? In geval van rechtsopvolging: heeft de verplichting zakelijke werking?
Welk rechtsgevolg bij niet-nakomen is aan de orde, de inbreuk op een zakelijk recht of het niet nakomen van een overeenkomst (wanprestatie)?
Vindt geschilbeslechting plaats aan de hand van alleen de bewoordingen van de akte en de algemene erfpachtvoorwaarden of worden ook de omstandigheden van het geval in de beschouwing betrokken?
Ingeval Boek 6 BW wordt betrokken bij de beoordeling, om welke bepaling gaat het dan en is het nog een vraag of deze op erfpachtverhoudingen van toepassing is?
Welke regels zijn in de recente jurisprudentie ontwikkeld op het gebied van toestemming, canonherziening en einde recht?
Kader 2. Onderzoeksvragen voor de hoofdstukken 3-6.
Deze vragen zijn gericht op de wijze van toetsing door de rechter van verbintenissen die volgen uit de uitoefening van bevoegdheden en verplichtingen uit erfpachtrechten en leidt tot een overzicht van de omvang van deze elementen van de rechtsverhouding bij erfpacht. Het jurisprudentieonderzoek beoogt tevens per deelonderwerp de in de rechtspraak ontwikkelde regels in kaart te brengen.