HR, 08-07-2016, nr. 15/03816
15/03816
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-07-2016
- Zaaknummer
15/03816
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:1355, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑07‑2016; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2015:1988, Bekrachtiging/bevestiging
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑07‑2016
- Vindplaatsen
FED 2016/100 met annotatie van H.E. Starosciak
NLF 2017/0161
Belastingadvies 2016/18.3
FutD 2016-1696
Viditax (FutD) 2016070803
Uitspraak 08‑07‑2016
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting. Art. 3.42a Wet IB 2001; artt. 1a en 2 van de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2009 en de bijlage daarbij (tekst 2010 en 2011). Geen MIA voor investering in “nieuw gebouw voor gecertificeerde dienstverlening” waarbij niet uitsluitend gecertificeerd hout is gebruikt. Geen schending van gelijkheidsbeginsel t.o.v. gevallen waarbij o.g.v. beleid MIA wordt verleend indien voor niet meer dan € 500 aan niet-gecertificeerd hout is gebruikt.
Partij(en)
8 juli 2016
nr. 15/03816
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 juli 2015, nr. BK-14/01598, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 14/3988) betreffende de ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2011 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende vormt tezamen met onder meer [A] B.V. (hierna: de dochtervennootschap) een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.
2.1.2.
De dochtervennootschap exploiteert een hotel-restaurant, dat zij heeft laten verbouwen. In het kader van deze verbouwing heeft de dochtervennootschap onder andere een investering gedaan van (meer dan) € 1.000.000 in de keuken en het restaurant van het hotel-restaurant (hierna: de investering). De investering geldt als investering in een “nieuw gebouw voor gecertificeerde dienstverlening” in de zin van onderdeel B 1004 van de voor het jaar 2010 geldende tekst van de bijlage bij de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2009 (hierna: de Aanwijzingsregeling) en onderdeel B 1026 van de voor het jaar 2011 geldende tekst van die bijlage (hierna voor beide jaren aangeduid als: de Milieulijst). Het hout dat is gebruikt bij de verbouwing waarop de investering betrekking heeft, is niet uitsluitend duurzaam, gecertificeerd hout als omschreven in onderdeel B 1004 respectievelijk onderdeel B 1026 van de Milieulijst (hierna: gecertificeerd hout).
2.1.3.
In haar aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het onderhavige jaar (2011) heeft belanghebbende voor de investering verzocht om milieu-investeringsaftrek als bedoeld in artikel 3.42a van de Wet IB 2001 (hierna: MIA). De Inspecteur heeft zich onder meer op het standpunt gesteld, in navolging van een door het Agentschap NL/NL Milieu en Leefomgeving (hierna: het Agentschap) verstrekt advies, dat MIA niet kan worden verleend, omdat bij de verbouwing waarop de investering betrekking heeft, niet uitsluitend gebruik is gemaakt van gecertificeerd hout.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat het in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever is om MIA niet toe te passen ingeval bij de investering ter zake waarvan MIA wordt verzocht niet uitsluitend gecertificeerd hout is verwerkt. Aangezien vaststaat dat bij de investering niet uitsluitend gebruik is gemaakt van gecertificeerd hout, heeft de Inspecteur terecht geen MIA verleend voor de investering, aldus het Hof.
2.2.2.
Het Hof heeft voorts verworpen belanghebbendes stelling dat haar op grond van het gelijkheidsbeginsel MIA moet worden verleend.
2.3.1.
Ingevolge artikel 3.42a, leden 1 en 2, van de Wet IB 2001 in samenhang gelezen met de artikelen 1a en 2 van de Aanwijzingsregeling wordt MIA verleend voor investeringen in bedrijfsmiddelen of onderdelen daarvan, die zijn opgenomen in de Milieulijst. De onderhavige investering betreft een investering in een “nieuw gebouw voor gecertificeerde dienstverlening” als bedoeld in onderdeel B 1004 respectievelijk onderdeel B 1026 van de Milieulijst. In deze onderdelen is als voorwaarde om te worden aangemerkt als bedrijfsmiddel in de hiervoor bedoelde zin onder meer geformuleerd dat “het aangeschafte hout dat verwerkt wordt in het gebouw duurzaam is”.
2.3.2.
De MIA heeft ten doel langs fiscale weg investeringen in bedrijfsmiddelen te bevorderen die van belang zijn voor de bescherming van het Nederlandse milieu (zie Kamerstukken II 1997/98, 25 810, nr. 2, blz. 86). In het licht van deze doelstelling moet, bij gebrek aan aanwijzingen in andere richting, de hiervoor in 2.3.1 omschreven voorwaarde aldus worden uitgelegd dat al het aangeschafte hout dat verwerkt wordt in het gebouw duurzaam is. Het hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordeel van het Hof is dus juist, zodat de daartegen gerichte klacht faalt. Aangezien tussen partijen vaststaat dat de investering niet aan deze voorwaarde voldoet, is voor toekenning van MIA op grond van een belangenafweging of een redelijke wetstoepassing geen plaats. De klachten falen ook in zoverre.
2.4.1.
Bij de beoordeling van de klacht die is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 vermelde oordeel wordt vooropgesteld dat – naar in cassatie niet in geschil is – bij de verbouwing waarop de investering betrekking heeft voor meer dan € 500 gebruik is gemaakt van niet-gecertificeerd hout.
2.4.2.
Het beleid van de Inspecteur bij de toepassing van MIA houdt in dat indien bij investeringen voor ten hoogste € 500 aan niet-gecertificeerd hout is gebruikt, MIA niet wordt geweigerd op de grond dat niet uitsluitend gecertificeerd hout is gebruikt.
Gelet op de hiervoor in 2.3.2 vermelde doelstelling van de MIA leidt de omstandigheid dat het beleid niet differentieert naar de omvang van de desbetreffende investering, anders dan de klacht aanvoert, niet ertoe dat een rechtens onaanvaardbare ongelijke behandeling van gelijke gevallen dan wel gelijke behandeling van ongelijke gevallen plaatsvindt. Door niet te differentiëren naar omvang van de investering wordt gewaarborgd dat in alle gevallen niet meer dan slechts een gering deel van het investeringsbedrag aan niet-gecertificeerd hout, tegen de bedoeling van de regeling in, deelt in de investeringsfaciliteit. De klacht faalt derhalve.
2.5.
De klachten kunnen ook voor overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2016.
Beroepschrift 08‑07‑2016
Betreft: Motivering beroep in cassatie tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag gedateerd 26 mei 2015 van [X] BV/Belastingdienst [P] met betrekking tot de aanslag vennootschapsbelasting 2011. Uw zaaknummer F 15/03816
Edelgrootachtbare,
Onderstaand volgt de motivering van ons beroep in cassatie.
In geding is of de aanslag vennootschapsbelasting 2011 aan [X] BV/verliesverrekening voor een juist bedrag is opgelegd en meer in het bijzonder of de daarin gecorrigeerde MIA-aftrek ad € 350.000 terecht of onterecht heeft plaatsgevonden.
Feiten en omstandigheden (niet in geschil):
1.
[X] BV vormt over 2011 een fiscale eenheid met diverse dochterondernemingen, waaronder [A] BV. (nader te noemen [A])
Fiscaal nummer van de Fiscale eenheid betreft [003]
2.
Aan de Fiscale eenheid [X] BV is een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd met een te verrekenen verlies ad € 2.280.753 waartegen bezwaar is gemaakt en later beroep is ingesteld.
3.
In dit vastgestelde verlies over 2011 is een correctie verwerkt ad € 604.898 Van dit bedrag staat € 4.898 niet ter discussie. Bezwaar was ingesteld tegen het bedrag ad € 600.000 aan Milieu-investeringsaftrek, waarvan de aftrek is geweigerd door belastingdienst [P]. ( productie 1 )
4.
In de jaren 2010, 2011 en 2012 heeft [A] geïnvesteerd in een ingrijpende verbouwing en uitbreiding voor een totaal bedrag ad circa € 13.027.000
Dit betrof de volgende investeringen:
— | Grond | € | 276.000 |
— | Gebouw en installaties | € | 10.207.000 |
— | Inventaris | € | 2.544.000 |
Totaal | € | 13.027.000 | |
5.
Deze uitbreiding en verbouwing hebben plaatsgevonden volgens de laatste duurzame technieken, hetgeen geresulteerd heeft in het behaalde Green KEY Goud certificaat door Hotel Nieuwerkerk.
6.
Onder meer de volgende duurzame technieken zijn in [A] toegepast:
- —
Hoog rendement glas
- —
WKK-installatie, die op gas wordt gestookt en warmte en elektra levert.
- —
WKO-systeem met warmte/koudeopslag in de bodem
- —
Volledige verlichting uitgevoerd in LED-verlichting
- —
Energiezuinige koelinstallatie
- —
Energiezuinige Cv-ketel.
- —
Energiezuinige vaatwasser
- —
Geavanceerd systeem met warmteterugwinning uit de keuken naar de CV Al deze investeringen staan separaat vermeld op de EIA/MIA-lijst.
7.
Voor de totale investeringen is een generieke MIA-aanvraag gedaan ( [002] ) voor een bedrag ad € 1.000.000 tegen 35% MIA ( 15% plus 20%) is € 350.000
Dit is dan ook het bedrag dat wordt bestreden, het gaat om € 350.000 aan MIA en niet om € 600.000 zoals onder punt 3 staat vermeld.
Deze MIA-aanvraag is gedaan op grond van de regeling van de Minister van Volkshuisvestiging en Ruimtelijke Ordening van 10 december 2009 met nr. DGM/K&L 2009065926, welke wordt aangehaald als Milieulijst 2010. ( productie 2)
8.
De motivering van de belastingdienst om deze MIA-aanvraag af te wijzen is dat er ten onrechte niet duurzaam hout is verwerkt in deze uitbreiding/verbouwing.
Bovenstaande punten zijn feiten en zijn niet in geschil, onderstaand volgt onze motivering waarom wij het standpunt van de belastingdienst onjuist achten:
Er is niet gehandeld in strijd met de regeling
De tekst van de betreffende investering met de voorwaarden is op productie 2 te vinden op pagina 18. Het gaat om de investeringscode B 1004 ( Nieuw gebouw of ( mobiel) verblijf voor gecertificeerde dienstverlening of productie.
Het gaat hier om 5 voorwaarden:
- —
Bedrijven die voldoen aan de milieukeur Green Key Goud
- —
Waarbij het aangeschafte hout dat verwerkt wordt in het gebouw duurzaam is, wat blijkt uit de certificering van de gehele keten van houtproductie tot en met het eindproduct, waarbij gebruik gemaakt is van goedgekeurde houtsoorten die staan op de positieve lijst van TPAS ( Timber Procedure Assessment System).
- —
Bedrijven die een Energie Prestatie Coëfficiënt ( EPC) hebben die 5% lager is dan in het bouwbesluit.
- —
Waarbij in het gebouw of verblijf sprake is van twee andere bedrijfsmiddelen van deze Milieulijst op het gebied van buffering van regenwater, waterbesparing, biodiversiteit, het stimuleren van milieuvriendelijke mobiliteit of reductie van emissie en vervuiling door apparatuur in het gebouw of door het gebruik van het gebouw.
- —
Het bedrijfsmiddel komt ten hoogste voor € 1 miljoen in aanmerking voor MIA.
Aan al deze voorwaarden is ruimschoots voldaan door [A].
De belastingdienst is echter van mening dat de voorwaarde van het duurzame hout zo geïnterpreteerd moet worden, dat er uitsluitend duurzaam hout mag worden gebruikt.
Naar onze mening had de wetgever, wanneer dit zo essentieel zou zijn voor deze regeling, het woord ‘uitsluitend’ zeker toegevoegd en nu laat hij met de huidige tekst volgens de regeling een zekere ruimte voor de uitvoerder van de regeling. Deze ruimte is overigens onbenut gelaten door belastingdienst [P].
Het bedrag aan niet-gecertificeerd hout
Volgens de belastingdienst is er voor totaal € 7.938,99 aan niet-gecertificeerd hout verwerkt in het totale gebouw, te weten een bedrag van € 3.386,74 aan door leverancier [C] geleverd niet-gecertificeerd hout en een bedrag van € 4.552,25 aan door leverancier [D] geleverd niet-gecertificeerd hout. Tijdens de rechtszitting is aangegeven door [E] (RVO/agentschap) dat alle houtbonnen zijn beoordeeld en dat dit de uitkomst was van het gebruik van niet-gecertificeerd hout. Zoals wij reeds eerder hadden aangegeven konden wij deze bedragen niet herleiden aan de hand van de houtbonnen. Wij hebben een specificatie ontvangen van de belastingdienst en hebben hierbij de volgende opmerking:
In het bedrag van [C] is een bedrag opgenomen van € 1.499,99 voor ‘Quickpaint garant’. Dit bedrag dient niet meegenomen te worden aangezien het hier gaat om de triplex wand die is gebruikt als steunwand tijdens de verbouwing en was bij de oplevering reeds verwijderd. Dit bedrag is ten onrechte als niet-gecertificeerd bedrag aangemerkt door de belastingdienst. Het agentschap/RVO heeft al eens bevestigd dat dit bedrag niet meegenomen dient te worden, maar had toen al een advies afgegeven.
Besluit belastingdienst
De RVO geeft slechts een advies, maar de beslissing over het al dan niet toekennen van MIA wordt genomen door de belastingdienst. De belastingdienst heeft ons echter nooit gevraagd om een toelichting of om extra informatie en heeft direct het advies overgenomen van de RVO.
Dat de tussenwand ( quick-paint-wand) was verwijderd ten tijde van de oplevering was al wel bekend bij de RVO, maar dit bleek nieuwe informatie voor de belastingdienst.
De belastingdienst heeft dus ook nooit een juiste en afgewogen beslissing kunnen nemen.
De belastingdienst heeft sowieso nooit een eigen afweging gemaakt, of een belangenafweging gemaakt met alle relevante feiten en omstandigheden. Deze zijn pas in de beroepsfase bekend geworden, waarbij de belastingdienst niet meer op haar eerder ingenomen standpunt wilde of kon terugkeren.
Daarnaast is in het bedrag van [C] € 1.316,- aan deuren meegenomen van JRG alustabiel deuren. In dit bedrag zitten ook fabricage kosten verwerkt (dit betreft een houten deur met hierin aluminium platen ). Het geeft een verkeerd beeld om dit hele bedrag aan te merken als niet-gecertificeerd hout, echter wij zullen hiervoor geen correctie toepassen om het niet complexer te maken.
De door de leverancier [D] geleverde producten betreffen 10 brandwerende deuren Berkopal 60+ voor een bedrag van € 4.027,25 en 5 deuren Berkopal voor een bedrag van € 525,- ( samen € 4.552,25)
Zoals de leverancier [D] heeft aangegeven, is bij brandwerende deuren het knelpunt, het randhout. Het agentschap heeft zelf in een publicatie bevestigd dat brandwerende deuren niet verkrijgbaar waren in 2011 die voldeden aan de gestelde milieu eisen. Zie bijgevoegde publicatie van de RVO/agentschap waar op de laatste pagina bij brandwerende deuren dit duidelijk is verwoord. ( productie 5) Het door de belastingdienst becijferde bedrag betreft de totale waarde van de brandwerende deuren. De door ons becijferde waarde van € 15,- per deur betreft alleen het randhout zoals [D] ook aangeeft en becijferd is door de hoofdaannemer.
Samenvattend kom ik op het volgende overzicht aan mogelijk ‘fout hout ’:
Door de belastingdienst [P] vermelde bedrag aan ‘fout ’ hout | € | 7.939 |
Af: Tijdelijke wand Quick paint garant ([C]) | € | 1.500 |
Resteert aan ‘fout ’hout | € | 6.439 |
Tien Branddeuren van [C] | € | 4.552 |
Resteert aan ‘fout ’hout | € | 1.887 |
[C], 4 alustabiel buitendeuren | € | 1.316 |
Resteert aan ‘fout’ hout ( enkele meranti kop- en neuslatjes) | € | 571 |
Wat betreft de alustabiel buitendeuren is door ons contact opgenomen met de leverancier, [C] in de persoon van [F] salesmanager van [C]
[F] heeft verklaard in een email aan ons dat het hier om buitendeuren gaat, waarbij het risico van kromtrekken groot is door de verschillende weersinvloeden. Daarom was het noodzakelijk om een deur te kiezen met een aluminium plaat erin, juist om dit kromtrekken te voorkomen. Verder heeft hij verklaard dat deze speciale deuren pas halverwege 2012 in FSC-uitvoering verkrijgbaar waren. [F] is bereid zijn verklaring zo nodig onder ede te bevestigen.
Gezien bovenstaande is duidelijk aangegeven dat [A] alle mogelijke moeite heeft gedaan om alle producten in duurzaam hout geleverd te krijgen. Wij zijn van mening dat van een ondernemer niet het onmogelijke kan worden gevraagd, en zeker niet in een bouwproject van deze omvang, waar diverse partijen bij betrokken zijn, die afhankelijk zijn van elkaars planning.
Gehanteerde foutenmarge niet-gecertificeerd hout door agentschap
Tijdens de zitting heeft [E] (agentschap-RVO) aangegeven dat het agentschap een foutgrens hanteert van € 500 ongeacht de omvang van het subsidiabel bedrag. Het bedrag van € 500,- is niet wettelijk vastgelegd. Het agentschap heeft zelfstandig deze grens bepaald. Wij zijn van mening dat onze belangen onvoldoende zijn afgewogen bij het niet accepteren van de fiscale faciliteit ( MIA). Onderstaand ter illustratie:
Milieu-investering van € 100.000 met € 500,- niet-gecertificeerd hout wordt goedgekeurd Milieu-investering van € 1.000.000 met € 750,- niet-gecertificeerd hout wordt afgekeurd.
Bij beide Milieu-investeringen is een zeer beperkt deel van de totale kosten aan niet-gecertificeerd hout gebruikt. Bij de investering van € 1 miljoen daalt echter het percentage van 0,5% naar 0,075% Dit lijkt ons in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat er bij de acceptatie van een subsidie gebruik wordt gemaakt van een absoluut bedrag in plaats van een percentage van de kosten.
Daarnaast lijkt het hanteren van een vast bedrag van € 500 door de RVO te leiden tot willekeurige uitkomsten en zeker tot uitkomsten die strijdig zijn met de redelijkheid en de billijkheid en met de geest van de regeling en de wetgeving.
Alsnog verwijderen van het niet-gecertificeerde hout
Er bestaat de mogelijkheid dat voor ingebruikname van niet gecertificeerd hout, dat verwijderd wordt, en derhalve de subsidieaanvraag wordt goedgekeurd aangezien bij ingebruikname er alleen gecertificeerd hout gebruikt is.
Door drukte bij de RVO waren er achterstanden bij het beoordelen van de subsidieaanvragen ontstaan. Dit werd in de zitting bij de rechtbank bevestigd door de RVO. Daardoor is de vragenbrief over dit project pas in januari 2012 ( productie 3) verzonden door de RVO, terwijl de aanvraag was gedaan op 24 maart 2011 ( productie 4). Vervolgens is in maart 2012 de vragenbrief beantwoord door onze subsidie-adviseur en toen werd pas geconstateerd dat er een minimale hoeveelheid niet FSC-hout in de toiletgroepen was verwerkt, bovendien nog in een kleine regie-opdracht, welke geen deel uitmaakte van de grote MIA-aanvraag/investering. Het betrof hier een paar kop -en neuslatjes met een totale waarde van € 571,- Op het moment dat de vragenbrief van de RVO binnenkwam, was de investering al in gebruik genomen. Wij hebben toen direct aangeboden om het niet-gecertificeerde hout alsnog te verwijderen, echter doordat het al in gebruik genomen was wilde het agentschap niet meer van standpunt veranderen om de MIA-aanvraag alsnog te accepteren. De belastingdienst moest volgens het agentschap/RVO een besluit nemen maar de belastingdienst volgde het advies van het agentschap zonder een eigen afweging te maken. Door de achterstanden bij de RVO en de late reactie op onze aanvraag, is ons de mogelijkheid onthouden om nog voor de oplevering deze paar latjes te verwijderen. Juist in deze had naar onze mening de belastingdienst een belangenafweging moeten en kunnen maken, rekening houdend met de feiten en omstandigheden.
Redelijke uitleg van investeringsregelingen met betrekking tot EIA en MIA
De Hoge Raad heeft in de zaak waar iets vergelijkbaars aan de orde was duidelijk gekozen voor een redelijke uitleg van de regeling. Wij willen hierbij verwijzen naar LJN AO 4493 ( HR ) en de onderliggende uitspraak van het Gerechtshof Arnhem ( LJN AF 3842).
Zowel het Gerechtshof Arnhem als de Hoge Raad kwamen beide tot de conclusie dat het standpunt van de inspecteur wellicht juist is bij het beoordelen van de letterlijke tekst van de regeling, maar dat men in dergelijke kwesties uit moet gaan van een redelijke uitleg van de Milieulijst.
Ook zou naar onze mening afgewogen moeten worden, de geest van de betreffende wetgeving alsmede de daarmee verbonden MIA-lijst die tot doel hebben om het milieu te verbeteren en meer specifiek de CO2-uitstoot te verlagen, in verhouding tot een eventuele minimale overtreding van de duurzaam-hout-voorwaarde.
Conclusie
Gezien bovenstaande de feiten en omstandigheden en de bedoeling van de wetgever ten aanzien van de MIA-aanvragen lijkt het ons onredelijk om op een dergelijk klein bedrag aan niet-gecertificeerd hout deze MIA-aanvraag af te wijzen. De Hoge Raad heeft bevestigd dat er sprake moet zijn van een redelijke uitleg van de milieulijst in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. Ons hotel Nieuwerkerk is een uitermate duurzaam gebouw dat beschikt over het hoogst haalbare duurzaamheidskenmerk Green Key Goud. Het gaat om een investering van in totaal € 13 miljoen, waarbij een minimale hoeveelheid niet-FSC-hout is gebruikt, waarbij ook nog eens is aangeboden om dit te verwijderen en te plaatsen in een ouder niet duurzaam hotel-restaurant. In alle vakliteratuur zijn de uitspraken over deze casus beschreven ( Tax live, Rendement, vakstudie etc.), waarbij zelfs Prof. Dr. L.G.M. Stevens een artikel over deze uitspraken heeft geschreven in het FD. In alle artikelen wordt verbaasd gereageerd op de opstelling van de belastingdienst/RVO in deze zaak, waarbij de teneur is dat de redelijkheid en billijkheid hier de doorslag zou moeten geven of dat er een andere belangenafweging zou moeten plaatsvinden.
Juist omdat deze casus is beschreven in nagenoeg alle vakliteratuur, lijkt het voor de rechtspraak van belang wanneer de Hoge Raad zich hier over uitspreekt.
Wij willen u verzoeken de MIA-beschikking van € 1.000.000 met nummer [002] alsnog toe te wijzen en de verliesbeschikking in de vennootschapsbelasting 2011 dienovereenkomstig aan te passen. Dit betekent concreet een hogere verliesbeschikking met € 350.000.
Daarnaast verzoeken wij u de belastingdienst te veroordelen in de proceskosten.
Hoogachtend,