Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.2.3.2
6.2.3.2 De stichting en de voorwaardelijke making van artikel 4:141 BW
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232431:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ik schreef al over de dode hand in 2.4.1 en ik kom daar ook in 7.2.2.1 nog op terug.
A.H.N. Stollenwerck, Boekbespreking (R.E. Brinkman, “Het fideicommis in de notariële praktijk”), WPNR 2016/7104.
L.A.G.M. van der Geld, ‘De ‘voorwaardelijke’ verklaring van erfrecht’, TE 2011/2; B.E. Reinhartz, ‘Uitleg van een testamentaire bewindclausule’, TE 2014/5; N.V.C.E. Bauduin, ‘Testamenten voor mensen met een beperking, in het bijzonder een verstandelijke handicap’, TE 2015/5; Handboek Erfrecht, L.C.A. Verstappen, 2015/IX. Perrick spreekt echter over ‘making over de hand’, Asser/Perrick 4 2017/223. R.E. Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk (diss. Groningen), Den Haag: Bju 2014, p. vi, spreekt van ’fideicommis’. De door Brinkman gehanteerde terminologie is echter verwarrend omdat deze doet denken aan de zelfstandige figuur uit het oude Boek 4 BW. Onder het huidige recht bestaat het fideï-commis niet meer als zelfstandige rechtsfiguur. Omdat meer dan twee trappen mogelijk zijn, spreken Van Mourik & Schols, van ‘meertrapsmaking’, M.J.A. van Mourik & F.W.J.M. Schols, Erfrecht (Monografieën Privaatrecht nr. 1), Deventer: Wolters Kluwer 2018/49.
Vgl. Hof Den Haag 13 november 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY3184, RN 2013/16; Hof Amsterdam 29 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ0802, FJR 2016/30.21; Hof Arnhem-Leeuwarden 1 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4125, JERF 2018/186.
F.W.J.M. Schols, Rechtsvragenrubriek, WPNR 2018/7206.
Ik noem slechts de stichting, dit geldt echter voor elke rechtspersoon.
Voor de legataris zie hierna.
Kamerstukken II 1962-1963, 3771, nr. 6 (MvA), p. 97.
R.E. Brinkman, ‘Het fideicommis en de rechtspersoon als bezwaarde of verwachter’, TE 2017/2.
M. van Olffen e.a., Modernisering Personenvennootschappen, Rapport van de Werkgroep Personenvennootschappen, september 2016, p. 112, schrijft: ‘Met de dood van een natuurlijke persoon is vergelijkbaar het ophouden te bestaan van een rechtspersoon die vennoot is.’ In ‘Wat brengt de Wet modernisering personenvennootschap de agrarische wereld?’, Tijdschrift voor Agrarisch Recht’, 2019/10 merk ik naar aanleiding hiervan op, dat niet het ophouden te bestaan moet worden vergeleken met het overlijden van een natuurlijke persoon, maar de ontbinding van een rechtspersoon. Ook A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus deel 120), Deventer: Wolters Kluwer 2018/7.8 legt, in het kader van het voortbestaan van een volmacht, het verband tussen ontbinding van een rechtspersoon en het overlijden van een natuurlijke persoon.
A.H.N. Stollenwerck, ‘Over het graf heen: fideï-commissaire making of tweetrapsmaking’, ftV 2007/24; A.H.N. Stollenwerck & P. Blokland, Handboek Familievermogensrecht 2015-2016, Zutphen: WalburgPers 2015, nr. 10.10.4.2.1.
Asser/Meijers-Van der Ploeg 6 1992/617 en de daar genoemde literatuur.
Zo ook R.E. Brinkman, ‘Het fideicommis en de rechtspersoon als bezwaarde of verwachter’, TE 2017/2.
De levensverzekering is niet het onderwerp van onderzoek en zal hier niet worden besproken, hiervoor verwijs ik onder meer naar Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/635-786 en M.A. Kalkman, De overeenkomst van levensverzekering (Recht en Praktijk – Verzekeringsrecht deel 3), derde druk, Deventer: Kluwer 2013.
Sinds de Franse revolutie is het een vast gegeven, dat vermogen niet voor onbepaalde tijd in dezelfde handen moet blijven. Vermogen in de dode hand moet zo veel mogelijk worden voorkomen.1 Omdat een stichting in beginsel ‘onsterfelijk’ is, bestaat bij de stichting het risico van vermogen in de dode hand. De weerstand tegen vermogen in de dode hand is in het verleden vaak tot uiting gekomen in de bezwaren tegen het fideï-commis met een bewaarplicht. Tegenwoordig herinnert artikel 4:45 lid 2 BW, het verbod tot vervreemding en bezwaring daar nog aan, zo zullen wij hierna in 7.3.2 zien.
Het fideï-commis kennen wij sinds 2003 niet meer. Als alternatief is daarvoor de voorwaardelijke making van artikel 4:141 BW in de wet opgenomen. Deze making wordt vaak tweetrapsmaking genoemd. De wet kent deze benaming niet als zodanig. In de notariële praktijk echter,2 en, hoewel in mindere mate, de literatuur3 en rechtspraak,4 is de term ‘tweetrapsmaking’ niettemin zo ingeburgerd, dat ook ik deze zal gebruiken.
Met een tweetrapsmaking wordt in de regel bedoeld (i) een making onder een ontbindende voorwaarde en (ii) een daarbij aansluitende making onder opschortende voorwaarde, volgens welke het vermaakte of het onverteerde deel daarvan op het door de erflater te bepalen tijdstip ten deel zal vallen aan de verkrijger onder opschortende voorwaarde (iii) indien deze verkrijger onder opschortende voorwaarde het aangewezen tijdstip overleeft (artikel 4:141 BW, overlevingselement). Ook het bepaalde in artikel 4:56 leden 2-4 BW (bestaanseis) is van belang.5 De verkrijger onder ontbindende voorwaarde wordt vaak aangeduid als bezwaarde en de verkrijger onder opschortende voorwaarde als verwachter.
Omdat een stichting ‘onsterfelijk’ is, komt de vraag op of een stichting wel bezwaarde of verwachter kan zijn. Om de redenen die ik hierna uiteen zal zetten, ben ik van mening dat een stichting zowel bezwaarde als verwachter kan zijn. Om te beginnen is artikel 2:5 BW van belang. Artikel 2:5 BW maakt immers dat op vermogensrechtelijk gebied natuurlijke personen en rechtspersonen zo veel mogelijk gelijk worden behandeld, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Als uit de wet zou voortvloeien dat een stichting6 geen verwachter of bezwaarde zou kunnen zijn, dan heeft dat van doen met het einde van het voorwaardelijke recht.
Bij de tweetrapsmaking spelen twee bepalingen een belangrijke rol ten aanzien van het eindigen van recht van de voorwaardelijke erfgenaam,7 artikel 4:140 lid 1 BW en artikel 3:203 lid 3 BW. Op grond van artikel 4:140 lid 1 BW vervalt de voorwaarde aan de verkrijging van de erfgenaam dertig jaar na het overlijden van de erflater. Bij de tweetrapsmaking stelt artikel 4:141 BW het bepaalde in artikel 4:140 lid 1 BW buiten toepassing. Hierdoor kan de voorwaardelijke situatie langer duren dan dertig jaar. Wij mogen echter artikel 4:138 lid 2 BW niet vergeten, dat ook bij een tweetrapserfstelling van toepassing is. Deze bepaling verklaart de wettelijke voorschriften betreffende het vruchtgebruik van overeenkomstige toepassing. Een van deze vruchtgebruikbepalingen is artikel 3:203 BW. Deze bepaling houdt in dat als de vruchtgebruiker een rechtspersoon is, het vruchtgebruik eindigt bij ontbinding van de rechtspersoon en in ieder geval uiterlijk na dertig jaar. Dat past bij de gedachte dat een erflater niet langer dan één generatie over zijn graf heen mag regeren.8
Als de stichting bezwaarde erfgenaam is, kan de gedachte opkomen dat na het verstrijken van de dertigjaarstermijn de ontbindende voorwaarde vervalt en dat de onder voorwaarde verkregen goederen voortaan onvoorwaardelijk toebehoren aan de verkrijger (en de verkrijging van de verwachter daardoor vervalt).9 Ten onrechte meen ik.
De reden daarvoor is, dat niet moet worden vergeten welk probleem artikel 3:203 BW in verbinding met artikel 4:140 BW wil oplossen. Deze bepaling wil voorkomen dat rechten voor onbepaalde tijd in één hand komen, en is niet bedoeld te voorkomen dat een stichting of andere rechtspersoon bezwaarde erfgenaam kan zijn. Daarvoor zou – vanwege artikel 2:5 BW – een meer expliciete bepaling nodig zijn. Het van overeenkomstige toepassing laten zijn van artikel 3:203 BW eist niet meer dan dat de volgende trap na uiterlijk dertig jaar in werking treedt. Bedenk hierbij dat de combinatie van ontbinding van de stichting en het eindigen van de rechten uiterlijk na dertig jaar dezelfde gevolgen heeft als het over één generatie heen regeren door een natuurlijk persoon.10 De stichting als bezwaarde erfgenaam wordt geacht uiterlijk na dertig jaar te zijn ‘overleden’, een natuurlijk persoon als verwachter zou tegen die tijd ook zijn overleden. Daardoor kan ook worden voldaan aan het overlevingselement uit artikel 4:141 BW.
Ook Stollenwerck en Blokland zijn van oordeel dat een rechtspersoon wel bezwaarde of verwachter kan zijn. Volgens hen eindigt het recht van de bezwaarde verkrijger op grond van artikel 3:203 BW uiterlijk na dertig jaar.11 Ook voor het fideï-commis werd algemeen aangenomen dat een stichting bezwaarde verkrijger en verwachter zou kunnen zijn.12
Als de stichting verwachter is en na dertig jaar de opschortende voorwaarde zich nog niet heeft voorgedaan, dan vervalt het recht van de verwachter, daar zorgt artikel 3:203 BW in verbinding met artikel 4:138 BW voor. Ook dan – in vergelijking met een natuurlijk persoon – wordt de stichting geacht te zijn ‘overleden’. De bezwaarde verkrijger wordt onvoorwaardelijk gerechtigde.
Als een erflater een stichting zowel als bezwaarde als verwachter instelt, zal de bezwaarde de eerste dertig jaar – of tot eerdere ontbinding – gerechtigd zijn tot de verkrijging en de verwachter voor de rest van haar bestaan. Dit past volledig in het wettelijk systeem.
En bij een legaat? Hiervoor is steeds gesproken over een tweetrapserfstelling. Voor het tweetrapslegaat gelden andere regels. Artikel 4:140 lid 1 BW is niet van toepassing bij legaten (artikel 4:140 lid 2 BW). Hoe men ook mag denken over de tweetrapserfstelling, met een stichting als bezwaarde of als verwachter, als het geen erfstelling betreft maar een legaat, worden geen problemen gezien omdat het bepaalde van artikel 3:203 lid 3 BW niet geldt.13
Naast begunstiging bij uiterste wilsbeschikking, bestaat nog een belangrijke mogelijkheid voor een erflater om zijn ‘eigen’ bij dode opgerichte stichting van voldoende vermogen te voorzien. Dit kan de erflater doen door het afsluiten van een levensverzekering ten gunste van de door hem bij dode op te richten stichting.14