Conversie en aandelen
Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/4.6.3:4.6.3 Toepasselijkheid 2:67b BW in andere gevallen dan euroredenominatie
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/4.6.3
4.6.3 Toepasselijkheid 2:67b BW in andere gevallen dan euroredenominatie
Documentgegevens:
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS364514:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Olffen 2000, p. 718.
Dortmond 2001, p. 427 onder verwijzing naar Dortmond 1999, p. 348 en Dortmond 2000a, p. 257, sub 3, slot.
Kamerstukken II 1999/00, 26823, 3, p. 6-7.
Huizink, GS Rechtspersonen, artikel 2:178b BW, aant. 2 (online, bijgewerkt 20 juli 2017).
Zie ook hierna onder 7.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag is gesteld of de regeling van artikel 2:67b BW (en artikel 2:178b BW) alleen ziet op gevallen van euroredenominatie of algemeen geldt voor alle gevallen waarin het bedrag van de aandelen wordt gewijzigd. Onder verwijzing naar de plaats van de bepaling en de relatie met artikel 2:67a/178a BW gaat Van Olffen1 uit van de eerste opvatting.
Dortmond2 meent dat wanneer het de bedoeling van de wetgever zou zijn geweest om de bepaling slechts van toepassing te doen zijn op een aanpassing aan de euro – anders dan het systeem van artikel 2:67a/178a BW – de wetgever dat zeker in de wet zou hebben opgenomen. Hij acht de wettekst op dit punt duidelijk. De zinsnede ‘Indien de vennootschap in afwijking van artikel 67a (178a) het bedrag van de aandelen wijzigt’, kan volgens hem niet anders betekenen dan: ‘in alle gevallen van een wijziging van het nominaal bedrag anders dan met toepassing van het vereenvoudigd systeem van art. 2:67a (178a)’. In reactie op de door Van Olffen genoemde plaats van de bepaling en de relatie met artikel 2:67a (178a) BW, merkt Dortmond op dat in de wet, vóór de invoering van artikel 2:67b (178b) BW, geen enkele bepaling was opgenomen die het mogelijk maakte dat een aandeelhouder bij een herstructurering van het nominaal bedrag van de aandelen werd uitgestoten. Het onderwerp kwam slechts terug in de literatuur en de departementale richtlijnen. Een andere plaats voor de bepaling lag volgens Dortmond dan ook niet voor de hand.
Dortmond stelt zichzelf de vraag of de stelling in de Memorie van toelichting3 bij artikel 2:67b/178b BW dat vennootschappen in afwijking van de hoofdregel van artikel 2:67a/178a BW bij de omzetting in euro’s ‘ook zo’n wijziging moeten kunnen doorvoeren’ (dat wil zeggen een splitsing of samenvoeging van aandelen) en dat daarvoor artikel 2:67b/178b dient, hem kan worden tegengeworpen. Dortmond stelt daar echter tegenover dat aan het slot van de toelichting4 in het algemeen is gesteld dat door de mogelijkheid van uitbetaling in geld te beperken tot 10% wordt voorkomen dat een relatief groot deel van de aandeelhouders ter gelegenheid van de herstructurering van de vennootschap wordt uitgekocht. Daar is aan toegevoegd: ‘Voorgesteld wordt dit in artikel 67b ook voor aandelensplitsing als gevolg van herstructurering te regelen.’ Dortmond benadrukt dat daarbij niet langer wordt gerefereerd aan artikel 2:67a/178a BW.
Tegen de opvatting van Van Olffen pleit volgens Dortmond ook nog het volgende: ‘Zou Van Olffen overigens gelijk hebben zodat art. 2:67b/178b BW slechts geldt bij een aanpassing van het nominaal bedrag van guldens in euro’s, dan betekent dit dat bij elke andere aanpassing, bijvoorbeeld een samenvoeging van aandelen van EUR 1 tot een aandeel van EUR 3, wegens gebrek aan een wettelijke regeling, de ‘uitkoop’ van een aandeelhouder die slechts één aandeel heeft, zonder diens instemming, niet is toegestaan.’
Huizink5 noemt overigens hetgeen Dortmond voorstaat een wel erg ingrijpende afwijking van het tot dan toe geldende systeem, waartoe noch in de wetsgeschiedenis, noch elders enig argument voor wordt aangedragen.
Een nadrukkelijke motivering in de wetsgeschiedenis mag dan ontbreken – al lijkt deze toch wel aanknopingspunten te bieden voor een bredere toepassing – voor het standpunt van Dortmond is wel iets te zeggen. Het is ook in lijn met de regeling ten aanzien van fusie en splitsing. Langs de weg van fusie of splitsing zou hetzelfde kunnen worden bewerkstelligd, namelijk door de betreffende vennootschap als verdwijnende vennootschap te laten fuseren met een vennootschap die ter gelegenheid van de fusie aandelen met een grotere nominale waarde uitgeeft als gevolg waarvan een aantal aandeelhouders op grond van de vastgestelde ruilverhouding niet ten minste een aandeel verkrijgt, of geen aandelen verkrijgt voor elk door hem gehouden aantal aandelen dat niet door de ruilverhouding deelbaar is. De plaatsing van de regeling doet echter vermoeden dat de regeling slechts ziet op gevallen van euroredenominatie, al is de tekst van de wet geformuleerd als een algemene regeling. De toepasselijkheid van 2:67b BW op alle gevallen van wijziging van de nominale waarde, zou de praktijk in die zin ten goede komen dat geen toevlucht behoeft te worden genomen tot fusie om tot uitstoting van kleine minderheidsaandeelhouders te komen. Ik zou het graag met
Dortmond eens willen kunnen zijn dat deze regeling geldt voor alle gevallen waarin het bedrag van de aandelen wordt gewijzigd, maar ik aarzel.6 De wetgever zou hier, meen ik, uitsluitsel moeten geven.