Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/7.2.5
7.2.5 Reguliere verbetering van het MP bij installaties
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS608216:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 69 lid 1 Verordening (EU) 601/2012.
Artikel 69 lid 2 jo artikel 15 lid 1 jo lid 2 jo lid 3, aanhef en onder e Verordening (EU) 601/2012. Tevens dient de exploitant voorstellen te doen voor (het tijdstip van) de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter uitvoering van het hogere niveau (artikel 69 lid 2 Verordening (EU) 601/2012).
Artikel 69 lid 3 jo artikel 15 lid 1 jo lid 2 jo lid 3, aanhef en onder e Verordening (EU) 601/2012. Tevens dient de exploitant voorstellen te doen voor (het tijdstip van) de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter uitvoering van het hogere niveau (artikel 69 lid 2 Verordening (EU) 601/2012).
Artikel 6 lid 1 Richtlijn ETS, in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in artikel 16.20b Wm.
Exploitanten dienen periodiek te bezien of hun monitoringmethode kan worden verbeterd. Daarbij geldt dat ten aanzien van categorie C-installaties jaarlijks, categorie B-installaties tweejaarlijks, en categorie A-installaties vierjaarlijks een verbeteringsrapportage moet worden ingediend op uiterlijk 30 juni van het toepasselijke jaar.1 In geval van gebruik van lagere niveaus vanwege technische onhaalbaarheid of onredelijke kosten, dient in het verbeteringsrapport te worden verantwoord waarom het voorgeschreven niveau nog steeds technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt.
Indien echter wordt aangetoond dat het voorgeschreven niveau technisch haalbaar is en niet tot onredelijke kosten leidt, dient de bevoegde autoriteit op de hoogte te worden gesteld van wijzigingen in het MP, overeenkomstig artikel 15 Verordening (EU) 601/2012. Deze wijziging behoeft goedkeuring.2 Indien een exploitant de ‘fall-backmonitoringsmethode’ toepast, dient hij te verantwoorden waarom het toepassen van ten minste niveau 1 (het laagste niveau) voor een of meer grote of kleine bronstromen technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt. Indien wordt aangetoond dat het behalen van tenminste niveau 1 technisch haalbaar is en niet tot onredelijke kosten leidt, dient de bevoegde autoriteit op de hoogte te worden gesteld van wijzigingen in het MP, overeenkomstig artikel 15 Verordening (EU) 601/2012. Ook deze wijziging behoeft goedkeuring. 3
Naast bovengenoemde periodieke controles van het MP, dient ook de vergunning om de vijf jaar te worden getoetst, en zo nodig te worden aangepast, het MP (dat onderdeel uitmaakt van de vergunning) daarbij inbegrepen.4 De Nederlandse wetgeving heeft daarbij voorzien in een bevoegdheid voor het bestuur van de NEa naar aanleiding van deze toetsing zo nodig eenzijdig wijzigingen in het MP aan te brengen.5