NJB 2022/880:Recht op behandeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechter in militaire zaken, art. art. 6.1 EVRM: in casu was een lid van de militaire kamer die arrest heeft gewezen op dat moment formeel in dienst van het openbaar ministerie. Art. 44 lid 3 Wrra is niet van overeenkomstige toepassing op militaire leden van de militaire kamer. De Hoge Raad beantwoordt daarom aan de hand van algemene uitgangspunten of het dienstverband bij het openbaar ministerie tot gevolg heeft dat geen sprake was van een berechting door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Toepassing rechtspraak van het EHRM, onder meer in relatie tot de vraag onder welke omstandigheden de vrees dat de rechter niet onpartijdig is objectief gerechtvaardigd (EHRM 15 december 2005, nr. 73797/01, Kyprianou/Cyprus) en wat betreft de opvolging van functies bij het openbaar ministerie en in de rechterlijke macht (EHRM 1 oktober 1982, nr. 8692/79, Piersack/België). Onder meer omdat de dienstbetrekking bij het openbaar ministerie louter een formeel karakter had, is er in casu geen grond voor gerechtvaardigde vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid van het gerecht als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. A-G: anders.