Vgl. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2525. AG Machielse concludeerde wel tot verwerping van het cassatieberoep wegens gebrek aan belang.
HR, 01-04-2025, nr. 23/03884
ECLI:NL:HR:2025:490, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-04-2025
- Zaaknummer
23/03884
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:490, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑04‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:2969, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:197
ECLI:NL:PHR:2025:197, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:490
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0130
Uitspraak 01‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Diefstal (art. 310 Sr) en opzetheling (art. 416.1.a Sr). Vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Heeft hof beslissing op tul vordering gemotiveerd? Deze beslissing is, anders dan art. 6:6:5.1 jo. 6:6:21.1 Sv vereist, niet gemotiveerd. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. beslissing op tul vordering en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03884
Datum 1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 oktober 2023, nummer 22-003388-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.G. Schroeder, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak wat betreft de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging niet is gemotiveerd.
3.2.1
De verdachte is veroordeeld voor diefstal en opzetheling tot een gevangenisstraf van één maand.
3.2.2
In het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de politierechter is de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen. Dat vonnis houdt daarover uitsluitend in:
“Tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 6 weken, van de bij vonnis van 5 december 2019 van de politierechter aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.”
3.3
Deze beslissing is, anders dan artikel 6:6:5 lid 1 in samenhang met artikel 6:6:21 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vereist, niet gemotiveerd. Het cassatiemiddel is daarom terecht voorgesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.
Conclusie 18‑02‑2025
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03884
Zitting 18 februari 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 5 oktober 2023, door het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2022 in zoverre te bevestigen, de verdachte wegens 1. "diefstal" en 2. “opzetheling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van voorarrest. Ook heeft het gerechtshof de toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf bevestigd en, onder vernietiging van dat onderdeel van het vonnis, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.J.G. Schroeder, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het derde middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat art. 359 lid 3 Sv zou zijn geschonden omdat, zo staat in de toelichting, in het arrest geen bewijsmiddelen zouden zijn opgenomen.
2.2
Het middel miskent dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter voor wat betreft de bewijsvoering heeft bevestigd op de wijze als bedoeld in art. 423 Sv. De aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in 378 lid 2 Sv bevat de bewijsmiddelen, zoals is voorgeschreven door art. 1 van de daarop betrekking hebbende Regeling (Stcrt. 1996, 197).
2.3
Het middel faalt.
Het eerste middel
3.1
Het middel bevat de klachten dat het voorschrift van art. 359 lid 6 Sv zou zijn geschonden en dat het hof onvoldoende zou hebben gerespondeerd op het ter zitting gevoerde verweer ten aanzien van de strafmaat.
3.2
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is hier door de raadsman het volgende aangevoerd:
“De raadsman voert het woord tot verdediging. Hij verzoekt het hof, ingeval van bewezenverklaring, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, dan wel om te zetten in een taakstraf. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte de meldplicht van de reclassering nakomt en een gevangenisstraf (financiële) problemen zal veroorzaken.”
3.3
Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd ten aanzien van de strafmaat en in dit verweer dus geen aanleiding gezien om de opgelegde straf nader te motiveren. De strafmotivering van de politierechter luidt als volgt:
“De straf is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden vande verdachte. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.
Winkeldiefstal is een ergerlijk feit dat maatschappelijke overlast veroorzaakt. De winkelier moet extra kosten maken voor de beveiliging van de winkel die vervolgens worden doorberekend aan de betalende klanten.
Ten aanzien van de heling wordt het verdachte aangerekend dat hij hiermee een bijdrage levert aan het in standhouden van vermogenscriminaliteit
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 oktober 2022 [ik begrijp gelet op het proces-verbaal van de zitting en de stukken van het geding, 6 september 2023, MvW] blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Hiermee wordt in het nadeel van de verdachte rekening gehouden.
Gezien het voorgaande kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van de gevangenisstraf die hiervoor is genoemd.
Bij de bepaling van die strafsoort en de duur daarvan is gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
De verdediging heet verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. Aan dit verzoek wordt niet voldaan, omdat de Reclassering Nederland in een rapport, gedateerd 19 november 2022, heeft aangegeven geen heil meer te zien in verder reclasseringstoezicht. Bij een veroordeling adviseren zij een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden meer om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.”
3.4
Ik stel vast dat deze strafmotivering voldoet aan het voorschrift van art. 359 lid 6 Sv. Daarnaast kan deze strafmotivering ook de verwerping van het in hoger beroep gevoerde verweer dragen. Daarbij is voor mij onder meer van belang dat in hoger beroep niet met argumenten is aangevoerd waarom de redenering van de politierechter niet (meer) zou moeten worden gevolgd en/of van (de strekking van) de aan die redenering ten grondslag gelegde rapportage van de Reclassering zou moeten worden afgeweken.
3.5
Het middel faalt.
Het tweede middel
4.
4.1
Het middel heeft betrekking op de toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging. Het bevat de klacht dat deze beslissing ontoereikend zou zijn gemotiveerd, hetgeen door de steller van het middel wordt aangemerkt als een schending van art. 359 lid 6 Sv dan wel als een verzuim van het hof voldoende te reageren op het door de verdediging gevoerde verweer.
4.2
Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging. Dit vonnis bevat voor zover relevant:
“10. Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 6 weken, van de bij vonnis van 5 december 2019 van de politierechter aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.”
4.3
Een motivering van deze beslissing bevat het vonnis - en daarmee dus ook het arrest - niet.
4.4
De plicht tot het motiveren van het bevel tenuitvoerlegging wordt niet bestreken door art. 359 lid 6 Sv. De motiveringsplicht die de steller van het middel voor ogen heeft volgt echter wel uit art. 6:6:5 lid 1 Sv in verbinding met art. 6:6:21 lid 1 Sv. Aan die verplichting is door het hof niet voldaan.
4.5
De vraag kan gesteld worden of het aldus begrepen middel ook tot cassatie moet leiden. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 september 2023 dat zich tussen de stukken bevindt en waarvan blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep de korte inhoud is medegedeeld, valt op te maken dat de tenuitvoerleggingsbeslissing betrekking had op de zaak met parketnummer 22-005775-19. Hieraan was een proeftijd verbonden die liep van 21 oktober 2020 tot 21 oktober 2022. De bewezenverklaarde diefstal is gepleegd op 9 augustus 2022. Dat de verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden van die proeftijd volgt derhalve onmiskenbaar uit het arrest.
4.6
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad lijkt mij evenwel te volgen dat indien de verplichting tot motivering van het bevel tenuitvoerlegging geheel is verzaakt, in beginsel weinig ruimte bestaat om het cassatieberoep bij een gebrek aan belang te verwerpen.1.Dat in de onderhavige zaak sprake is van een bevestiging van het vonnis van de politierechter, terwijl in hoger beroep niet expliciet over de motivering van de politierechter is geklaagd, maakt dat niet anders.2.
4.7
Het middel slaagt.
Afronding
5.
5.1
Het tweede middel slaagt, de overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak wat betreft de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑02‑2025
Vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1129.