Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/4.4.2
4.4.2 Betekenis van het arrest
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS583832:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Abas 2000, p. 249-251. Zie voor een kritische reactie op het artikel van Abas Hartkamp 2000, p. 395-396.
In deze zin reeds Clavareau 1943, p. 277.
HR 4 oktober 1996, NJ 1997, 65.
Het voorgestelde, maar later bij amendement geschrapte ontwerpartikel 6.5.2.8a luidde als volgt: 'Onderhandelende partijen zijn verplicht hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen. Ieder van hen is vrij de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van een overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn.' Zie nader over dit artikel Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nr. 194.
Vgl. Van Beukering-Rosmuller 2006, § 5.3.
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 970 en MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 974. Zie ook Van der Heijden 1987, p. 85. Vgl. voorts Larenz 1963, p. 117.
De hierboven weergegeven rechtsoverweging vormt een bevestiging van de hiervoor in § 3 verdedigde stelling dat in imprévisiongevallen de aanvullende en beperkende redelijkheid en billijkheid in de rechtsverhouding van partijen hun werk (blijven) doen. Althans, in niet-complexe gevallen, zoals in het arrest aan de orde: de kwestie draaide immers enkel om de in het licht van de veranderde maatschappelijke opvattingen gerechtvaardigde wens van VvE om tot beëindiging van CSM' s notering ter beurze van niet-royeerbare certificaten te geraken. Oplossing van het conflict vergde in dit geval geen subtiel gebruik van het wijzigings- ontbindings- en voorwaarden-arsenaal, waarmee de rechter ingevolge art. 6:258 BW en art. 6:260 BW is toegerust, maar kon eenvoudig van rechtswege zijn beslag krijgen door een gecombineerde werking van beide leden van art. 6:248 BW. Uit de uitspraak vloeit naar mijn opvatting logisch voort dat de uitwerking van beide leden van art. 6:248 BW op het overeengekomene in imprévision-situaties desverzocht door de rechter ook bij wege van een declaratoire uitspraak kan woren vastgesteld. Sterker nog: gelet op het feit dat art. 6:258 BW in de ogen van de wetgever slechts de buitengrens van art. 6:248 BW bepaalt voor gevallen die te gecompliceerd zijn om anders dan bij een constitutief vonnis, omringd met de waarborgen van art. 6:258 BW en art. 6:260 BW, in de verhouding van partijen in te grijpen, moet het ervoor worden gehouden dat elke imprévision-kwestie die de door de wetgever bedoelde (te grote) mate van complexiteit ontbeert, desverzocht in rechte middels een declaratoir vonnis kan worden beslecht.1 Een dergelijk vonnis komt niet tot stand door rechterlijk ingrijpen, maar door een rechterlijke constatering: vanwege de hiervoor genoemde werking van rechtswege van art. 6:248 BW kan de rechter immers slechts (als toeschouwer) vaststellen dat de redelijkheid en billijkheid in het voorliggende geval tot aanvulling of beperking hebben geleid, maar kan hij niet zelf tot aanvulling of beperking overgaan.2
Het voorgaande doet de vraag rijzen of een eenmaal op grond van art. 6:2 BW jo. art. 6:248 BW van rechtswege ingetreden aanvulling of beperking een definitief karakter heeft dan wel dat een op enig moment van rechtswege plaatsgevonden hebbende aanvulling of beperking — ingebed als deze is in de omstandigheden van het geval — op een later tijdstip weer van rechtswege geheel of gedeeltelijk haar werking zou kunnen verliezen. Ik meen dat dit laatste het geval is. Zo zal een door de aanvullende redelijkheid en billijkheid opgelegde verplichting veelal zijn uitgewerkt, zodra partijen alsnog met een nadere afspraak de leemte vullen, die voordien door de aanvullende redelijkheid en billijkheid werd ingevuld. Omgekeerd zal ervan uit moeten worden gegaan dat een op grond van de redelijkheid en billijkheid eenmaal ingetreden beperking op grond van diezelfde redelijkheid en billijkheid mettertijd haar werking kan verliezen, zodra de omstandigheden van het geval met zich brengen dat toepasselijkheid van de door genoemde beperking getroffen regel niet langer onaanvaardbaar is te achten. Steun voor deze gedachte kan mijns inziens worden aangetroffen bij het arrest ABB/Staat.3 In dit voor het leerstuk van de precontractuele fase belangrijke arrest overwoog de Hoge Raad over de vraag of in casu gerechtvaardigd vertrouwen het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar maakte:
"Daarmede heeft het Hof kennelijk — en terecht — tot uitdrukking willen brengen dat in gevallen als het onderhavige, waarin onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, bij het oordeel omtrent de vraag of het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar is wegens gerechtvaardigd vertrouwen in het totstandkomen van de overeenkomst, voor wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte, op het moment van afbreken, moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen."
Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat de zich mettertijd wijzigende omstandigheden van het geval tot gevolg kunnen hebben dat een eenmaal bestaand hebbend gerechtvaardigd vertrouwen (op dat moment resulterend in onaanvaardbaarheid van een eventueel afbreken van de onderhandelingen) op enig moment weer verdwijnt, waardoor van onaanvaardbaarheid op het daadwerkelijke moment van afbreken niet langer gesproken kan worden. Anders gezegd: wat op het ene moment onaanvaardbaar kan zijn, behoeft dat nog niet op het andere moment te zijn. Ik zou menen dat mutatis mutandis hetzelfde geldt voor wat betreft het "onaanvaardbaar", als genoemd in art. 6:248 lid 2 BW, nu dit "onaanvaardbaar", evenals het "onaanvaardbaar" in de door de Hoge Raad ontwikkelde leer van de precontractuele fase, in de (zich soms veranderende) omstandigheden van het geval is ingebed en met de in het arrest ABB/Staat genoemde term "onaanvaardbaar" destijds bij het ontwerpen van een wetsartikel over de precontractuele fase welbewust aansluiting is gezocht bij art. 6:248 lid 2 BW.4
Een voorbeeld op het gebied van de imprévision kan het voorgaande zonodig verduidelijken: stel dat x, leverancier van (de qua prijs als stabiel bekendstaande) grondstof z, vanaf zeker moment wordt geconfronteerd met een onverwacht sterk stijgende inkoopprijs voor deze grondstof. Op zeker moment kan die prijs een zo hoog niveau bereiken dat het onverkort door afnemer y vasthouden aan de één jaar voor het begin van de prijsstijgingen tusen x en y overeengekomen vaste prijsafspraak onaanvaardbaar wordt.5 Het spreekt echter vanzelf dat die onaanvaardbaarheid weer verdwijnt, zodra de inkoopprijs weer zodanig is gedaald, dat een verdere uitvoering van de prijsafspraak in redelijkheid weer wel van x kan worden gevergd.6