Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/6.1
6.1 Algemeen
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232843:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel (7:182 lid 1 jo.) 4:153 lid 1 BW. Artikel 7:182 lid 2 BW bepaalt dat een schenkingsbewind dezelfde gevolgen heeft als een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld bewind. Tenzij bij de instelling anders is bepaald, omvat het bewind ook de goederen die in de plaats komen van goederen die onder het bewind staan, alsmede vruchten en andere voordelen van deze goederen, zolang deze vruchten niet zijn uitgekeerd aan degene die daar recht op heeft (artikel 4:154 BW).
C.J. van Zeben & J.W. du Pon (m.m.v. M.M. Olthof) (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek; boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, Kluwer Deventer 1981, pagina 468.
Parlementaire geschiedenis BW boek 3, pagina’s 474 en 492. Vergelijk voorts G. van der Burght, E.W.J. Ebben en M.R. Kremer (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek; invoeringswet boek 4, Erfrecht, Kluwer Deventer 2003, pagina 2078: “Bewind betekent vóór alles: beheer.”.
Vergelijk Pitlo/Van der Burght, Ebben, Erfrecht, punt 445. De bevoegdheden van de rechthebbende worden nader besproken in paragraaf 6.3.
Artikel 4:175 BW. Artikel 4:176 BW bepaalt dat de onderbewindgestelde goederen wel uitgewonnen kunnen worden voor andere schulden bij een bewind uitsluitend in het belang van een ander dan de rechthebbende of in een gemeenschappelijk belang, maar dan slechts onder de last van het bewind.
Los overigens van de vraag wat de waarde hiervan is, indien sprake is van niet- of beperkt royeerbare certificaten (zie paragraaf 7.14.4).
Zie ook Parlementaire geschiedenis BW Inv. boek 4, pagina 2078.
Parlementaire geschiedenis boek 3, pagina 477 en Parlementaire geschiedenis Inv. boek 4, pagina 2079.
Zie artikelen 4:167 en 4:169 BW.
Zie artikelen 4:177 – 4:181 BW.
Artikel 4:155 BW geeft bovendien een aantal vermoedens te dier zake, met als hoofdregel dat het bewind vermoed wordt te zijn ingesteld in het belang van de rechthebbende (lid 1). Deze vermoedens kunnen evenwel weerlegd worden door een uitdrukkelijke bepaling dienaangaande in het testament (zie Parlementaire geschiedenis BW Inv. boek 4, pagina 2089).
Voor een beschrijving van de overige aspecten van bewind zij verwezen naar literatuur die dieper op het testamentair bewind ingaat, zoals Asser/Perrick 4 (2017), hoofdstuk 17, Handboek Erfrecht (2020), B.M.E.M. Schols, hoofdstuk XV en F.J.W.M. Schols, Testamentair bewind naar nieuw erfrecht, in: Bewind en aan bewind verwante vormen, preadvies KNB, Koninklijke Vermande Lelystad 2004.
Over goederen die geschonken of nagelaten worden kan een bewind ingesteld worden.1 De wet definieert daarbij niet wat een bewind is; de parlementaire geschiedenis geeft aan dat dit voldoende kenbaar zou moeten zijn uit de rechtsgevolgen van het bewind.2 Voorts omschrijft de parlementaire geschiedenis een bewind als een verband op goederen. Als zodanig is het bewind onafhankelijk van de bewindvoerder: het kan op de goederen rusten voordat de beoogde bewindvoerder zijn functie aanvaardt en blijft ook daarop rusten indien de bewindvoerder defungeert.3 De rechtsgevolgen zullen per bewind verschillen, omdat deze deels afhankelijk zijn van de persoon of personen in wiens belang het bewind is ingesteld (zie hierna) en voorts omdat de insteller de mogelijkheid heeft om de verplichtingen en bevoegdheden van de bewindvoerder nader te regelen bij uiterste wil.4
Kern van het bewind is evenwel dat de rechthebbende in beginsel het beheer verliest over de goederen waarop het bewind rust; dit komt toe aan de bewindvoerder.5 Aangezien het bewind op de goederen rust en niet op de rechthebbende, wordt de rechthebbende evenwel niet handelingsonbekwaam als gevolg van het bewind, maar heeft dit slechts tot gevolg dat hij in beginsel de onderbewindgestelde goederen niet zelfstandig kan beheren of daarover kan beschikken.6 In geval van een bewind dat uitsluitend of mede in het belang van de rechthebbende is ingesteld heeft het bewind tevens tot gevolg dat de onderbewindgestelde goederen slechts uitgewonnen kunnen worden voor bepaalde schulden, zoals schulden in verband met die goederen.7 De crediteuren die de rechthebbende al had op het moment van zijn verkrijging kunnen zich dus niet verhalen op de onderbewindgestelde goederen. In dit opzicht kan het bewind dus meer bescherming bieden dan bijvoorbeeld certificering, aangezien in het laatste geval de certificaten zelf verhaalsobject kunnen zijn.8
Het bewind kan in het belang van verschillende personen ingesteld zijn:9
uitsluitend in het belang van de rechthebbende, bijvoorbeeld omdat deze niet zelf in staat is om de onderbewindgestelde goederen te beheren (een beschermingsbewind);
een bewind in het belang van een ander dan de rechthebbende, zoals een bewind op een vruchtgebruik in het belang van de hoofdgerechtigde (een conflictbewind); en
een bewind in het gemeenschappelijke belang van zowel de rechthebbende als een of meer anderen, bijvoorbeeld met oog op een soepele verdeling van de nalatenschap.
Het bewind kan ook een combinatie van deze vormen zijn, indien het gericht is op de bescherming van verschillende belangen.10 Aangezien afhankelijk van het belang dat door het bewind gediend wordt de rechtsgevolgen daarvan verschillen, bijvoorbeeld in de bevoegdheden van de rechthebbende en de bewindvoerder11 of in de wijze waarop het bewind eindigt12, is van belang dat de insteller goed vastlegt welk belang dit betreft.13 Aangezien mijn onderzoek zich richt op bewind als beschermingsfiguur, ga ik bij het navolgende uit van een beschermingsbewind. Hierbij richt ik mij op de wijze waarop bewind als beschermingsfiguur fungeert, alsmede de geschiktheid van het bewind als instrument om langdurig zeggenschap en economisch belang van elkaar te scheiden.14