Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.5.2:17.5.2 Resultaatsvertrouwen
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.5.2
17.5.2 Resultaatsvertrouwen
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS454601:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals eerder is uiteengezet, hanteert de Hoge Raad bij kleine rechtshulp onder verantwoordelijkheid van de vreemde staat een resultaatsvertrouwen waar het andere mensenrechten dan het recht op een eerlijk proces betreft. Het gaat dan om opsporing in het verleden. Ook bij bepaalde juridische verplichtingen in de toekomst wordt resultaatsvertrouwen gehanteerd. Denk aan de daadwerkelijke betekening van een gerechtelijk stuk, maar ook aan bijvoorbeeld de beperking van het strafmaximum bij overdracht van strafvervolging op grond van art. 25 EVOS. In zekere zin vergelijkbaar is de beperking van de sanctie na bijvoorbeeld uitlevering tot het gedeelte dat nog niet is ondergaan (al dan niet in uitleveringsdetentie) of tot het deel van de feiten waarvoor uitlevering wel is toegestaan. Vergelijkbare voorschriften leiden in EU-verband ook tot resultaatsvertrouwen. De rechtvaardiging voor het aannemen van (het sterker werkende) resultaatsvertrouwen wordt groter aangezien er rechterlijk toezicht mogelijk is op de naleving ervan.
Een concrete verschuiving betreft de uitsluiting van de exequaturprocedure in het Kaderbesluit overbrengingsbevel. Nu voortgezette tenuitvoerlegging de enige modaliteit is in EU-verband betekent dat een verschuiving naar een zekere vorm van resultaatsvertrouwen waar het om een rechtvaardige of billijke straftoemeting gaat. Al kleeft daar ook een bovengrens aan, nu straffen die het nationale strafmaximum te boven gaan toch omgezet kunnen worden.
Meer in het algemeen kan worden gezegd dat de inperking van toetsings- en weigeringsgronden een verschuiving betekent van inspannings- naar resultaatsvertrouwen voor de aspecten waarvoor niet langer een weigeringsgrond bestaat. In de meeste gevallen, denk aan discriminatoire verzoeken, komt het vervallen van een weigeringsgrond niet voort uit de omstandigheid dat de lidstaten niet langer waarde hechten aan het beschermde belang. Veel eerder is de aanname dat een weigeringsgrond niet noodzakelijk is, omdat het beschermde belang ofwel helemaal niet in het geding komt ofwel in de betrokken lidstaat zelf afdoende bescherming geniet (door rechterlijk toezicht in het bijzonder). In beide gevallen betekent het dat erop wordt vertrouwd dat die lidstaat het gewenste resultaat zal bereiken.