Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/11.3:11.3 Beantwoording van de onderzoeksvragen
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/11.3
11.3 Beantwoording van de onderzoeksvragen
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS299428:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de analyse en het praktijkonderzoek die aan dit boek ten grondslag liggen, volgt dat het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen voor de praktijk van groot belang is. Door de ontwikkeling die dit leerstuk ondergaat, worden meer en meer (rechts)vragen beantwoord, maar er worden ook telkens weer nieuwe opgeworpen die nog niet allen beantwoord zijn. Dit boek bevat daaromtrent een aantal algemene conclusies en aanbevelingen (paragrafen 11.4 en 11.5), opgesteld tegen de achtergrond van de contractsvrijheid en de (daaruit deels voortvloeiende) partijautonomie als leidende beginselen van ons Nederlandse verbintenissenrecht, welke, sinds de lijn die door de Hoge Raad is ingezet in het arrest JPO/CBB, steeds meer terrein lijken te winnen ten opzichte van de aan dit arrest voorafgaande jurisprudentie.
Dat de vrijheid om onderhandelingen eenzijdig af te breken, zoals die voortvloeit uit het beginsel van de contractsvrijheid, niet ongelimiteerd is, was sinds het arrest Plas/Valburg al wel duidelijk. Zijn er geen "andere omstandigheden" die maken dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar is, dan zal onderzocht moeten worden of er sprake is van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen aan de zijde van de wederpartij van de partij die afbreekt. Dergelijk totstandkomingsvertrouwen zal niet snel mogen worden aangenomen. Sinds het arrest JPO/CBB ligt de lat voor wat betreft het aannemen van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen al een stuk hoger, maar uit het praktijkonderzoek volgt dat de geënquêteerde advocaten en bedrijfsjuristen de lat (nog) hoger lijken te willen leggen dan algemeen uit de jurisprudentie volgt. De rechtspraktijk lijkt daarmee langer te willen vasthouden aan het beginsel van de contractsvrijheid dan de jurisprudentie en de literatuur. Wat de jurisprudentie betreft, stel ik vast dat er grote verschillen zijn in de mate van terughoudendheid die door de rechter wordt betracht bij het aannemen van gelegitimeerd vertrouwen in het welslagen van de onderhandelingen, maar dat uiteindelijk toch een inbreuk op het algemeen leidende beginsel van de contractsvrijheid gerechtvaardigd wordt geacht op het moment dat de belangen van één van de onderhandelingspartners te zeer in het gedrang komen. Dat is het geval indien door toedoen van zijn wederpartij vertouwen is ontstaan dat de onderhandelingen succesvol zullen kunnen worden afgesloten, of indien er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het honoreren van die belangen dient te prevaleren (zie onderzoeksvraag a).
Om het ontstaan van dit vertrouwen in de totstandkoming van enigerlei overeenkomst te voorkomen, wordt in de praktijk veelvuldig gebruik gemaakt van (contractuele) voorbehouden. Deze kunnen er inderdaad voor zorgen dat rechtens relevant vertrouwen niet of in sterk verminderde mate post kan vatten, zij het dat de werkzaamheid van het betreffende voorbehoud in belangrijke mate afhankelijk is van de aard en juridische duiding daarvan. Verder is van belang in hoeverre de partij ten behoeve van wie het voorbehoud is gemaakt, dit voorbehoud consistent "volhoudt" (bijv. geen daarmee strijdige handelingen verricht) en, bij een goedkeuringsvoorbehoud, in hoeverre de derde die het in zijn macht heeft om goedkeuring al dan niet te verlenen, zich feitelijk de vrijheid blijft voorbehouden om naar eigen inzicht (maar uiteraard binnen de reikwijdte van het voorbehoud en de grenzen van de redelijkheid en billijkheid) goedkeuring al dan niet te onthouden (en zich bijv. onthoudt van toezeggingen) (zie onderzoeksvraag b).
Het gevolg van het ontstaan van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen is dat er een verplichting ontstaat tot dooronderhandelen en/of tot vergoeding van positief contractsbelang, zij het dat indien er geen sprake is van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen maar van "andere omstandigheden" die maken dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar is, naast op een vordering tot voortzetting van de onderhandelingen slechts recht bestaat op vergoeding van het negatief contractsbelang (zie onderzoeksvraag c)).
Aldus constateer ik op enkele belangrijke onderdelen van het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen een discrepantie tussen de wensen van de praktijk ten aanzien van de richting waarin het recht zich op deze punten zou dienen te ontwikkelen en de vigerende rechtspraak en literatuur.