Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.3.3.1
3.3.3.1 Recht op hoeveel ronden?
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS306148:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een beschrijving van deze basisvorm van de dagvaardingsprocedure Snijders, Ynzonides en Meijer (2007), nr. 128.
Vergelijk ook Burg. Rv (W. Heemskerk), art. 132, aant. 4.
Voor een bespreking van rechterlijke verrassingen (en hoe deze voorkomen zouden moeten worden) zie men tevens Vranken (1995), nr. 66-69 en Lindijer (2006), p. 307-329.
HR 6 maart 1992, NJ 1993, 79 (HJS). I.c. was de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst overgegaan, zonder daaraan een schadevergoeding aan verweerder toe te kennen, die daarom - in geval van ontbinding - had gevraagd. In de procedure was slechts gedebatteerd over de al dan niet gerechtvaardigdheid van de ontbinding en nauwelijks over een eventueel vast te stellen vergoeding. Van een Oberrasschungsentscheidung was géén sprake in HR 24 september 1993, NJ 1993, 758: door zonder partijen daarvan vooraf op de hoogte te stellen terug te komen op zijn voornemen om de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 oktober 1992 en de datum van beëindiging te bepalen op 1 mei 1993, had de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden, nu de termijn waarop de arbeidsovereenkomst ontbonden diende te worden reeds voorwerp van debat tussen partijen was geweest.
HR 15 juni 1994, NJ 1994, 724. Van een verrassingsbeslissing ná een deskundigenbericht is sprake in HR 30 september 1994, NJ 1995, 45. In de conclusie van A-G Hartkamp wordt verwezen naar andere dan de hier vermelde jurisprudentie met betrekking tot rechterlijke verrassingen en de goede procesorde. Een rechtspraakoverzicht vindt men ook terug bij Lindijer (2006), p. 307-329.
Zie voor enkele voorbeelden in ontslagzaken HR 27 september 1996, NJ 1997, 42 (omtrent de voortvarendheid van een ontslag op staande voet, waarover niet was gedebatteerd) en HR 13 september 2002, NJ 2002, 496 (waarin de Hoge Raad oordeelt dat een werknemer die een vordering tot doorbetaling van loon vordert na gegeven ontslag, rekening moet houden met de mogelijkheid van matiging van die vordering door de rechter, ook al is in het debat van partijen de mogelijkheid van beperking van de aanspraak op loon niet aan de orde geweest). Zie voor enkele huurzaken HR 7 december 2001, NJ 2002, 26 (aanpak van de aansprakelijkheidsvraag door de rechtbank in het licht van het tussen partijen gevoerde debat niet aan te merken als ontoelaatbare verrassingsbeslissing) en HR 12 november 2004, JBPr 2005, 30 (noot Schaafsma-Beversluis). Over verrassingsbeslissingen door de civiele rechter zie men voorts E. Tjong Tjin Tai in NJ B 2000, p. 259 e.v.
Onder het oude recht stond partijen in de 'normale' contentieuze dagvaardingsprocedure (die voor de rechtbank in eerste aanleg) twee schriftelijke ronden ter beschikking om de rechter hun standpunt(en) in het geschil uiteen te zetten, terwijl in 'de' verzoekschriftprocedure de schriftelijke uiteenzetting tot één ronde beperkt bleef. Dat onderscheid is inmiddels goeddeels opgeheven.
Het basismodel van de civiele dagvaardingsprocedure zoals dat thans in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is vastgelegd, is als volgt: na gesubstantieerde en gedocumenteerde dagvaarding en conclusie van antwoord beveelt de rechter een comparitie waarin hij zich (nader) laat voorlichten c.q. partijen beweegt tot een schikking. Wordt doorgeprocedeerd, dan volgt een vonnis als de rechter zich daartoe gezien het ter beschikking staande materiaal (stukken + mondelinge toelichting) in staat acht. Een tweede schriftelijke ronde (re- en dupliek) en/of pleidooi komt er dan voor partijen niet aan te pas.1
Het doel van deze opzet is om partijen ertoe aan te zetten reeds aanstonds in de procedure volledige openheid van zaken te geven; slechts als het met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is, kan de rechter een verdere conclusiewisseling toestaan (zie art. 132 lid 2 en 3 Rv), waarbij een gemotiveerd verzoek van beide partijen niet snel terzijde zal worden geschoven. Dit systeem is overgenomen van art. 109 (oud) Rv dat gold voor kantongerechtzaken.2 De kritiek die ik daarop in 1996 had houd ik nog steeds staande. Die kritiek luidde als volgt:
'In de kantongerechtsprocedure heeft de rechter de mogelijkheid om een tweede schriftelijke ronde uit te sluiten, doch slechts indien na de eerste schriftelijke stukkenwisseling een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden. Heeft zo'n comparitie na antwoord niet plaatsgevonden, dan hebben partijen "gewoon" recht op een (tweede) schriftelijke toelichting (art. 109 Rv). Art. 109 Rv is een stap in de goede richting in die zin dat daarin gebroken wordt met de vanzelfsprekendheid van een schriftelijk debat in twee termijnen. Maar waarom is voorwaarde daarvoor nu de verschijning van partijen ter comparitie? Het lijkt erop alsof de wetgever coûte que coûte wil vasthouden aan het twee-termijnenpatroon, of dat nu verloopt in schriftelijke of in mondelinge vorm. Van een dergelijke bevoogding van de rechter door de wetgever ben ik geen voorstander. De individuele rechter en het rechterlijk college zijn zeer wel in staat te taxeren of de zaak voldoende door hen in ogenschouw is genomen om na (eerste) enkelvoudige conclusiewisseling tot een gewogen uitspraak te komen.'
De rechter behoort derhalve een zekere beleidsvrijheid te hebben ten aanzien van de vraag of hij zich voldoende voorgelicht acht. Maar hij moet daarbij wel rekening houden met de opgewekte verwachtingen en gerechtvaardigde belangen van partijen. Oberraschungsentscheidungen moeten vermeden worden. Ik geef enkele voorbeelden uit de rechtspraak.3
In een procedure tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst heeft de Hoge Raad overwogen dat voor de vraag of voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor niet steeds beslissend is dat betrokkene de gelegenheid heeft gehad zich schriftelijk over het verzoek van zijn wederpartij uit te laten en behoorlijk is opgeroepen om door de rechter op dat verzoek te worden gehoord. Het beginsel van hoor en wederhoor verzet zich óók ertegen dat einduitspraak wordt gedaan zonder aan een partij, die op grond van de processuele gang van zaken in redelijkheid mocht verwachten nog in de gelegenheid te zullen worden gesteld een essentieel, maar nog onvoldoende toegelicht onderdeel van haar stellingen nader te adstrueren, deze gelegenheid te bieden. In zoverre beperkt het beginsel de beleidsvrijheid welke ter zake van het bepalen van een nadere mondelinge behandeling aan de rechter toekomt.4
En zo overwoog de Hoge Raad in een onteigeningsprocedure dat het hof, nadat partijen hadden verzocht te worden toegelaten tot de pleidooien, doch daarvan voorlopig hadden afgezien, aangezien zij in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerden dat het hof eerst advies van deskundigen zou vragen, alvorens uitspraak te doen (zonder dat een nader advies van deskundigen door het hof nodig werd geoordeeld) partijen alsnog in de gelegenheid te stellen de zaak mondeling toe te lichten.5 In dezelfde lijn zie ik de uitspraak van de Hoge Raad van 19 oktober 2001, NJ 2001, 653, waarin de beslissing van het betreffende gerechtshof om de schade te begroten in plaats van partijen daartoe naar een schadestaatprocedure te verwijzen, niet ter discussie wordt gesteld, maar wel het feit dat het hof partijen niet in de gelegenheid had gesteld om zich uit te laten over de stellingen betreffende de schadefactoren en de omvang van de schade.
Evenzeer behoort de rechter desgevraagd partijen de gelegenheid te bieden om hun stellingen aan te passen aan een uitspraak van een (hogere) rechter die van belang is voor de uitkomst in hun geschil. Men leze een en ander in het licht van mijn opmerkingen over de aanvulling van rechtsgronden door de rechter in par. 33 hiervoor.
Waar het om gaat is of partijen er - gezien de aard van het geschil of het verloop van het processuele debat - op bedacht hadden moeten zijn dat de rechter een bepaald aspect in hun geschil aan zijn oordeel ten grondslag zou kunnen leggen; is dat het geval, dan kunnen zij zich er niet over beklagen over dat aspect niet gehoord te zijn.6