Rb. Den Haag, 23-10-2019, nr. AWB - 19 , 3533
ECLI:NL:RBDHA:2019:12948
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
23-10-2019
- Zaaknummer
AWB - 19 _ 3533
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2019:12948, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 23‑10‑2019; (Mondelinge uitspraak)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:1316, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
FutD 2020-0021
Viditax (FutD) 2019122315
Uitspraak 23‑10‑2019
Inhoudsindicatie
Verweerder is voor de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 en de aanslag IB/PVV 2016 terecht uitgegaan van door werkgevers opgegeven bedragen. Verweerder mag voor 2013 navorderen nu de voorheffing (loonheffing) tot een te hoog bedrag is verrekend bij de aanslag. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 19/3533 en SGR 19/3534
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2019 in de zaken tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres(gemachtigde: [A ] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraken van verweerder van 29 mei 2019 op het bezwaar van eiseres tegen de voor het jaar 2013 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag IB/PVV.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2019.
Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en [C] .
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Overwegingen
1. Eiseres heeft voor de jaren 2013 en 2016 meerdere aangiftes en verzoeken “Wijziging voorlopige aanslag” ingediend waarbij zij wisselende bedragen aan loon en ingehouden loonheffing heeft vermeld. Zij heeft teruggaven bij voorlopige aanslagen gekregen.
2. Op 28 oktober 2014 heeft eiseres in haar aangifte IB/PVV 2013 een inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking aangegeven van € 7.500, waarbij € 4.500 aan ingehouden loonheffing is aangegeven. Verweerder heeft met dagtekening 23 maart 2016 een definitieve aanslag IB/PVV 2013 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.631 met als te verrekenen loonheffing € 4.549.
3. Op 4 april 2017 heeft eiseres in haar aangifte IB/PVV 2016 een inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking aangegeven van € 18.609, waarbij € 9.630 aan ingehouden loonheffing is aangegeven. Verweerder heeft met dagtekening 21 december 2018 een definitieve aanslag IB/PVV 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.609 met als te verrekenen loonheffing € 764.
4. Volgens door verweerder ontvangen loonrenseignementen heeft eiseres in 2013 € 131 aan loon genoten van de Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf waarbij € 49 aan loonheffing is ingehouden. Voor 2016 is in totaal € 7.609 aan loon doorgegeven door de werkgevers met € 764 aan door [B.V. 1] en [B.V. 2] . ingehouden loonheffing.
5. Uit door verweerder op 28 juni 2018 bij de laatst genoemde werkgevers opgevraagde informatie volgt dat eiseres daar in 2013 niet, en in 2016 voor een korte periode in loondienst werkzaam was. De door die werkgevers verstrekte jaaropgaven bevestigen de hiervoor genoemde loonrenseignementen.
6. Verweerder heeft met dagtekening 15 december 2018 aan eiseres een navorderingsaanslag IB/PVV 2013 opgelegd. Verweerder heeft daarbij enkel een bedrag van € 131 aan inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking genomen en € 49 aan loonheffing.
7. In geschil is of verweerder voor 2013 en 2016 de belastingaanslagen juist heeft vastgesteld.
8. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag voor 2016 en de navorderingsaanslag voor 2013 terecht en naar de juiste bedragen opgelegd. Op grond van artikel 16, tweede lid, letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) mag verweerder navorderen indien een voorheffing (de loonheffing) tot een te hoog bedrag is verrekend bij de aanslag, zoals voor 2013 het geval is. Verweerder is uitgegaan van de bedragen zoals doorgegeven door de werkgevers. Dat deze bedragen niet juist zouden zijn heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt.
9. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar door een medewerker van de belastingdienst een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging is gedaan dat zij over 2013 en 2016 niets hoefde te betalen dan wel geld terug zou krijgen. Haar enkele stelling dat zij telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van de Belastingdienst die zou hebben gezegd dat de aangifte juist was en zij belasting terug zou krijgen dan wel geen belasting hoefde te betalen, is daarvoor onvoldoende. Een dergelijke toezegging, waarvan niet duidelijk is wanneer die door wie is gedaan en die verweerder weerspreekt, strookt ook niet met wat eiseres heeft vermeld in de motivering van haar beroepschrift. Daaruit volgt dat er nog een tweede controle komt.
10. Tegen de belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke gronden aangevoerd en niet gebleken is dat deze ten onrechte of naar een onjuist bedrag is berekend.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond verklaard.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.