Verrekening door de fiscus
Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/5.5.2:5.5.2 Rechtbank 's-Hertogenbosch 6 juni 2007 (Curator K&K Expeditie/ Rabobank St. Michielsgestel): vordering op de fiscus tot teruggaaf is verpand aan de bank zonder instemming van de ontvanger
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/5.5.2
5.5.2 Rechtbank 's-Hertogenbosch 6 juni 2007 (Curator K&K Expeditie/ Rabobank St. Michielsgestel): vordering op de fiscus tot teruggaaf is verpand aan de bank zonder instemming van de ontvanger
Documentgegevens:
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS609624:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze zaak komt de vraag, of de instemming door de ontvanger met een overdracht of verpanding van een belastingteruggaaf een constitutief vereiste vormt, uitdrukkelijk aan de orde. De Rabobank had per 1 januari 2004 een hoofdelijk krediet verstrekt van € 280.000 aan K&K Expedities B.V., K&K Holding B.V. en K&K Logistics B.V. De daarbij ten behoeve van de bank verstrekte zekerheden bestonden onder meer uit verpandingen van vorderingen op derden. Op 8 december 2003 verpandde K&K Expedities haar vorderingen op derden via een pandakte die mede een vangnetbepaling - ook wel aangeduid als catch all-bepaling - bevatte. Op grond daarvan werden alle vorderingen die voortvloeiden uit een op het moment van de verpanding bestaande rechtsverhouding verpand. Deze vangnetbepaling kwam ook voor in de daaropvolgende pandaktes van 13 augustus 2004 en 7 oktober 2004. Op 29 oktober 2004 diende K&K Expedities een aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2004 in. Op 10 november 2004 werd K&K Expedities in staat van faillissement verklaard. Kort daarna, in december 2004, werd door de fiscus de teruggaaf omzetbelasting over het derde kwartaal van 2004 ten bedrage van € 13.628 betaald op de rekening van K&K Expedities bij de Rabobank. De bank beriep zich, onder verwijzing naar het arrest Mulder q.q./CLBN,1 op verrekening van dit bedrag met haar vordering op grond van het verstrekte krediet.
De curator nam onder meer het standpunt in dat de vordering van K&K Expedities tot teruggaaf van de genoemde omzetbelasting niet aan de bank was verpand. Een van de redenen waarom die verpanding niet rechtsgeldig zou hebben plaatsgevonden, was volgens de curator dat de fiscus geen toestemming had gegeven voor de verpanding, hetgeen is vereist op grond van artikel 24 lid 4 Iw 1990. De rechtbank te 's-Hertogenbosch stelt voorop dat de onderhavige teruggaaf omzetbelasting over het derde kwartaal 2004, bij de afsluiting van dit kwartaal, en dus op 7 oktober 2004 toen de laatste verpanding plaatsvond, niet een toekomstige maar een bestaande vordering was. Op basis van de pandlijst van 7 oktober 2004 en de daarin opgenomen vangnetbepaling valt volgens de rechtbank de teruggaafvordering op de fiscus ook onder hetgeen K&K Expedities aan de bank heeft verpand. De rechtbank is op basis van vaste jurisprudentie met de bank van oordeel dat het voor een rechtsgeldige verpanding voldoende is dat de pandakte zodanige gegevens bevat dat (eventueel) achteraf kan worden vastgesteld om welke vordering(en) het gaat.2 Het feit dat de vordering van de fiscus niet met naam en toenaam op de pandlijst stond, rechtvaardigt daarom volgens de rechtbank niet de conclusie dat deze vordering niet is verpand. Ook het beroep van de curator op artikel 24 lid 4 Iw 1990 dient volgens de rechtbank te falen. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Iw 1990 strekt artikel 24 er toe de positie van de fiscus te versterken. Op grond van artikel 24 Iw 1990 kan, indien de fiscus weigert met de overdracht of verpanding in te stemmen, de overdracht of verpanding niet aan verrekening door de fiscus in de weg staan, zelfs niet indien de overdracht of verpanding aan hem zou worden betekend. Deze instemmingsvoorwaarde voorkomt volgens de rechtbank dat de voorrangspositie van de fiscus door overdracht of verpanding wordt gefrustreerd. Artikel 24 lid 4 Iw 1990 heeft naar het oordeel van de rechtbank geen betrekking op de verrekeningsbevoegdheid van een derde, zoals in casu de Rabobank. Volgens de rechtbank houdt artikel 24 lid 4 Iw 1990 geen aanvullende eis in voor de geldige totstandkoming van het stil pandrecht op fiscale vorderingen.
De wetsgeschiedenis van artikel 24 Iw 1990 duidt er (mogelijk) op dat de instemming van de ontvanger met een cessie of verpanding van een belastingteruggaaf wel degelijk een constitutief vereiste zou kunnen zijn voor een geldige overdracht of verpanding.3 De rechtbank geeft er geen blijk van de wetsgeschiedenis daadwerkelijk te hebben doorgenomen. De rechtbank beperkt zich tot de algemene stelling in de wetsgeschiedenis, dat artikel 24 Iw 1990 ertoe strekt de positie van de fiscus te versterken.