Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/2.1
2.1 Aristoteles’ teksten
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS360699:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Kennedy 1991 (vertaling Aristoteles’ Retorica), p. 109; Fleuren & Mertens 2012, p. 79. Daarnaast stellen sommigen dat Aristoteles’ inzicht geen betrekking heeft op de rechter, maar alleen op de arbiter (bijv. Shanske 2005 en 2008), die oordeelde in een informelere procedure en krachtens de ongeschreven billijkheid (Gordon 2007, p. 229). Aristoteles schreef echter over uitzonderingen op wetgeving, die niet de arbiter, maar de rechter maakte (ook in die zin Fleuren & Mertens 2012, p. 79, 80 en Gordon 2007, p. 229, 230, 242. De geraadpleegde vertalingen van Aristoteles spreken ook niet over de arbiter, maar over de rechter).
Het is waarschijnlijk dat Aristoteles in de context van billijkheidsuitzonderingen doelde op de geschreven wet, aangezien vooral hier de noodzakelijke algemeenheid van de formulering problematisch is, nu deze vastligt. In de Retorica noemt hij dan ook in het verband van uitzonderingen expliciet de geschreven wet (Aristoteles, Retorica I, II, 13, 1374a25, vertaling Huys 2004, p. 86, later in dit hoofdstuk geciteerd). Elders stelt hij echter in meer algemene zin dat de wet geschreven of ongeschreven kan zijn (Retorica 1373b1-10; vertaling Huys 2004, p. 84). Uit de literatuur blijkt dat in Athene in Aristoteles’ tijd geschreven recht de belangrijkste rechtsbron was, maar dat er ook ongeschreven recht gold. Gesteld wordt dat Aristoteles ook hierop doelde waar hij schreef over de ‘wet’ (Schroeder 1981, p. 19-23; Barta 2011, p. 72-74, 112; Pannier & Verhaeghe 1999 (vertaling Ethica Nicomachea), p. 171). In het kader van billijkheidsuitzonderingen lijkt het mij te gaan om de geschreven wet.
Witteveen 2014, p. 415.
Ook in die zin Fleuren & Mertens 2012, p. 79. Aristoteles wordt overigens ook wel zo gelezen dat zijn inzicht (ook) betrekking heeft op de rechter: Thomas van Aquino, In decem libros Ethicorum Aristotelis ad Nicomachum exposito, V, XVI, nr. 1087, vertaling Litzinger 1993, p. 345; Cope 1867, p. 138, 139; Barta 2011, o.a. p. 87.
Barta stelt dat het aristotelische billijkheidsdenken zich juist door het toegenomen belang van het geschreven recht heeft ontwikkeld (Barta 2011, p. 112).
Vgl. Hartkamp, die enkele van deze passages vermeldt in een artikel over de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW): Hartkamp 1995.
Ethica Nicomachea, vertaling Pannier & Verhaeghe 1999; Politica, vertaling Bremer & Kessels 2012; Retorica, vertaling Huys 2004 en Hartkamp 1995. Andere, ter vergelijking geraadpleegde vertalingen zijn: Ethica Nicomachea: Rolfes 1911; Hupperts & Poortman 1997; Politica: Jowett 1885; Barker/Stalley 1995; Retorica: Kennedy 1991.
Aristoteles, Ethica Nicomachea, V, 14, 1137a30-1138a5, vertaling Pannier & Verhaeghe 1999, p. 169-171.
De maatstok werd gebruikt bij het metselen van muren met onregelmatig gevormde stenen. Het was een flexibel stuk lood dat eerst werd gevormd op een al geplaatste steen, en waartegen vervolgens andere stenen werden gehouden om te bepalen welke het best paste (Gordon 2007, p. 233).
Aristoteles, Retorica I, II, 13, 1374a25-1374b5, vertaling Huys 2004, p. 86.
Aristoteles doelt op een bepaling die het verwonden met een metalen voorwerp strafbaar stelt.
Aristoteles, Retorica I, II, 13, 1374b10-1374b15, vertaling Huys 2004, p. 87.
Aristoteles, Politica III,16, 1287a20-a30, vertaling Hartkamp 1995, p. 134. Zie ook Bremer & Kessels 2012, p. 149.
Politica IV, 4, 1292a32-35, vertaling Bremer & Kessels 2012, p. 156; hierover Gordon 2007, p. 242, 243; Barta 2011, p. 120, 137. Bremer & Kessels 2012, p. 156 spreken over ‘bestuurders’; in plaats daarvan wordt hier ‘magistraten’ geschreven zoals in de vertaling van Hartkamp van de passage die hieraan voorafgaat (vertaling Hartkamp 1995, p. 134).
Het aristotelische billijkheidsdenken ontstond vanzelfsprekend in een andere tijd en staatsinrichting. Anders dan nu was er in Athene ten tijde van Aristoteles juryrechtspraak,1 en het is niet uitgesloten dat de wetgeving waarover hij schrijft, niet zoals de huidige Nederlandse per definitie op schrift gesteld was.2 Zijn werk is echter geschikt om gelezen te worden met de hedendaagse bril van de Nederlandse jurist.
Zoals Witteveen schrijft: ‘Een klassieke tekst is een tekst die telkens weer wordt vertaald, in andere omstandigheden en voor een nieuw publiek. Het is de lezer die de tekst tot leven wekt, in het vermoeden dat daar iets te vinden is wat op geen andere manier toegankelijk is. (…) Wat de lezer die zich de tekst eigen maakt aan vertaling uitvoert, met alle transformatie van betekenis, is een handeling die de tekst tegelijk op afstand plaatst (het is verwerkt verleden geworden), maar ook dichterbij brengt (iets in die klassieke tekst vindt wel degelijk nog weerklank).’3
Aristoteles schrijft over degenen die wetgeving moeten toepassen in individuele gevallen; dat was in zijn tijd de jury, maar is in het hedendaagse Nederlandse rechtssysteem de rechter.4 Onder wettelijke voorschriften verstaat Aristoteles algemene regels die door de gemeenschap zijn bepaald en waaraan de rechter in normale gevallen zijn beslissing ontleent; deze rol vervult tegenwoordig in Nederland (vooral) geschreven wetgeving.5 De relevantie van Aristoteles’ inzicht over dit onderwerp is daarmee niet beperkt tot zijn tijd – zoals ook in dit en de volgende hoofdstukken duidelijk zal worden.
De relevante passages uit de Ethica Nicomachea, de Retorica en de Politica6 worden hieronder in vertaling7 weergegeven en kort samengevat, om te laten zien in het licht van welk inzicht het Nederlandse recht in dit onderzoek in beschouwing wordt genomen.
Uit de Ethica Nicomachea:8
‘Vervolgens moeten wij het hebben over billijkheid en het billijke, en meer bepaald over hun verhouding tot respectievelijk rechtvaardigheid en recht. Bij nadere beschouwing blijkt namelijk dat rechtvaardigheid en billijkheid niet identiek zijn zonder meer maar ook niet verschillend qua soort. Soms prijzen we wat billijk is en de mens die deze kwaliteit bezit zelfs in die mate dat we ook om andere kwaliteiten te prijzen de term “billijk” gebruiken in plaats van “goed” en met “billijker” aanduiden dat iets beter is. Soms echter, wanneer we er goed over nadenken, vinden we het vreemd dat het billijke prijzenswaard is als het verschilt van wat rechtvaardig is. Ofwel het rechtvaardige is niet goed, ofwel het billijke is niet goed – gesteld dat het twee verschillende dingen zijn – ofwel ze zijn allebei goed, maar dan zijn ze identiek. Dit zijn zo ongeveer de overwegingen waaruit de moeilijkheid omtrent het billijke voortkomt. Ze zijn allemaal in zekere zin juist en zeker niet onverzoenlijk. Immers, het billijke is superieur aan een bepaalde vorm van recht, maar is niettemin zelf rechtvaardig; het is evenwel niet superieur aan het recht als iets dat tot een andere soort behoort. Recht en het billijke kunnen dus samenvallen, ze zijn allebei goed, maar het billijke is superieur.
De moeilijkheid ontstaat in feite doordat het billijke weliswaar rechtvaardig is maar niet samenvalt met het recht dat op de wet gebaseerd is, maar veeleer verbetering inhoudt op het wettelijke recht. De reden daarvan is dat de wet altijd algemeen is en het in sommige kwesties onmogelijk is een algemene uitspraak te doen die juist is. Wanneer het dus noodzakelijk is een algemene uitspraak te doen, maar het onmogelijk is dat op een juiste manier te doen, houdt de wet rekening met wat in de meeste gevallen voorkomt, zonder evenwel over het hoofd te zien dat hij daardoor tekortschiet. En hij is daarom niet minder juist. Dat hij tekortschiet ligt immers noch aan de wet noch aan de wetgever, maar aan de aard van de zaak zelf; de materie van het menselijk handelen laat zich nu eenmaal niet vatten in algemene bepalingen. Wanneer de wet dus een algemeen voorschrift geeft en er zich dan een geval voordoet dat niet onder dat voorschrift valt, dan is het juist – in zoverre als de wetgever ons in de steek laat en door het absolute karakter van zijn voorschriften in gebreke blijft – deze tekortkoming te herstellen; men moet dan voorschrijven wat de wetgever zelf voorgeschreven had als hij daar geweest was en wat hij in de wet opgenomen had als hij het onderhavige geval gekend had. Daarom is het billijke rechtvaardig en superieur aan een bepaalde vorm van recht; het is weliswaar niet superieur aan het recht zonder meer, maar is superieur aan het recht in zoverre dit door het absolute karakter van zijn bepalingen fouten insluit. Dit is dus de aard van het billijke: het is een verbetering van de wet, in zoverre die door zijn algemene karakter tekortschiet. Dat is immers ook de reden waarom niet alles door de wet bepaald is: in sommige zaken is het namelijk onmogelijk een wet in te voeren en is er dus een bijzonder decreet nodig. Als de zaak zelf onbepaald is, is ook de regel onbepaald – zoals de loden maatstok die men gebruikt bij bouwwerken op Lesbos. Die maatstok is namelijk buigzaam en past zich aan de vorm van de steen aan;9 en zo is ook een decreet aangepast aan de feiten. Zo is dus duidelijk geworden wat het billijke is, dat het rechtvaardig is en dat het superieur is aan een bepaalde vorm van recht. En daaruit blijkt ook wie een billijk mens is: wie kiest en doet wat billijk is en niet ten nadele van een ander rigoureus op zijn recht staat, maar veeleer geneigd is minder dan zijn deel te nemen al staat de wet aan zijn kant, die is billijk. En zijn karakterhouding is billijkheid; zij is een vorm van rechtvaardigheid, niet een afzonderlijke karakterhouding.’
Uit de Retorica:10
‘Ook wat billijk is beschouwen we namelijk als rechtmatig, en billijkheid is het recht waarin de geschreven wet niet voorziet. Dit gebrek is soms ongewild, als het aan de aandacht van de wetgever is ontsnapt, maar soms laten wetgevers het bewust bestaan, wanneer ze niet kunnen specificeren maar genoodzaakt zijn een algemene uitspraak te doen terwijl het gezegde niet algemeen geldig is maar slechts in de meeste gevallen; en waar het bij gebrek aan ervaring moeilijk specificeren is, bijvoorbeeld wanneer het erom gaat met wat voor metalen voorwerp van welke omvang iemand een ander kan verwonden – een heel leven zou te kort zijn om dat allemaal op te sommen. Als het onderwerp onbepaald is en er toch behoefte is aan wetgeving, is het onvermijdelijk zich uit te drukken zonder nadere bepalingen. Het gevolg is dat als iemand een ring draagt, hij volgens de geschreven wet11 wanneer hij zijn hand uitsteekt of een klap uitdeelt ontvankelijk is en een vergrijp pleegt, terwijl hij in werkelijkheid geen vergrijp pleegt. Dit laatste is het oordeel dat berust op wat billijk is.’
Aristoteles legt in de Retorica ook uit wat hij verstaat onder de billijkheid:12
‘Billijk is zowel begrip te hebben voor wat menselijk is, als acht te slaan niet op de wet maar op de wetgever, niet op de woorden van de wetgever maar op de gedachte erachter (…).’
In de Politica schrijft hij:
‘Men zou kunnen tegenwerpen dat wanneer de wet niet in staat is gevallen te definiëren, de mens daarover ook niet zou kunnen oordelen. Maar daartoe leidt de wet magistraten nu juist op en zij laat het vervolgens aan hun “meest rechtvaardige oordeel” over om over de zaken te oordelen; en zij geeft hun de bevoegdheid om het geschreven recht te corrigeren waar dat volgens hun ervaring wenselijk is.’13
‘[W]aar niet de wet regeert is geen sprake van staatsinrichting. De wet moet regeren over alles, [magistraten] moeten alleen individuele gevallen beoordelen; dan pas kan men van een staatsinrichting spreken.’14