Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.3.1
V.3.1 De voorgeschiedenis
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS380977:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 12 en 20.
Kamerstukken 18 905, nr. 5 (VV), p. 3.
Kamerstukken 18 905, nr. 6 (MvA), p. 4.
Slagter (1985), p. 128; en Emmerig (1988), p. 318.
Kamerstukken 18 905, nr. 7 (NVV) p. 3.
De bepaling van art. 2:195 lid 5 BW (`De blokkeringsregeling dient zodanig te zijn dat de aandeelhouder (...) een prijs ontvangt, gelijk aan de waarde van zijn aandeel of aandelen, vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen') is per 1 september 2001, met de afschaffing van de Departementale Richtlijnen, opgenomen in lid 6. Zie Stb. 2000, 283.
Kamerstukken 18 905, nr. 57c (Nadere MvA), p. 1-2, zie onder meer de aangehaalde passage in de toelichting, nr. 3 (MvT), p. 27. Indien de statutaire regeling (bijv. de bepaling dat de goodwill buiten beschouwing blijft of de activa op boekwaarde berekend worden) tot een onredelijk waarderingsresultaat leiden, zijn ze volgens de minister niet toelaatbaar.
Zie Kamerstukken 18 905, nr. 57b (Nader VV), p. 1-2; Slagter (1985), p. 128; en Emmerig (1988), p. 318.
Kamerstukken 18 905, nr. 57c (Nadere MvA), p. 2-3.
De regels voor de waardering van de aandelen kennen een voorgeschiedenis, die teruggaat tot het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht uit 1975. De huidige wettekst wijkt op onderdelen af van dit voorontwerp.
Een eerste verschil met het ontwerp uit 1975 dat de Commissie Vennootschapsrecht had opgesteld, betrof de vaststelling van de prijs. In het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht was het de deskundige die de prijs vaststelde en niet de rechter. In de toelichting bij het wetsvoorstel stond dat er geen reden is voor een dergelijke afwijking van het gemene recht. De regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende het deskundigenbericht gelden dus ook voor de deskundige die in een geschillenregelingprocedure wordt benoemd. Dit strookte ook meer met het `onteigeningskarakte, aldus de minister. Bovendien is ook het rechtskarakter van de prijsvaststelling door deskundigen niet geheel duidelijk. De vraag is namelijk of het vonnis tot overdracht executabel was, indien niet de rechter maar een deskundige de prijs van de aandelen vaststelde.1
Uit het voorlopig verslag blijkt dat de leden van de PvdA zagen dat het wetsvoorstel geen nadere regels behelsde voor de prijsbepaling door de rechter. Zij waren benieuwd naar het oordeel van de minister over de wenselijkheid van dergelijke regels.2 De minister antwoordde dat voor de waardering door deskundigen een waarderingsregel is opgenomen in art. 2:340 lid 1 BW. Volgens deze regel moeten zij hun deskundigenbericht opstellen met inachtneming van hetgeen in de statutaire blokkeringsregeling is bepaald. De prijs bij vrijwillige en gedwongen verkoop wordt zo op dezelfde wijze vastgesteld. Een nadere regeling voor de deskundigen of de rechter naast deze bepaling, achtte hij niet nodig. Een vergelijking met de uitkoop van mogelijk onvindbare aandeelhouders loopt op dit punt mank, omdat bij de geschillenregeling de aandeelhouders met naam en toenaam bekend zijn. Voor de geschillenregeling zijn derhalve geen regels omtrent de wettelijke rente en de aftrek van uitgekeerde dividenden nodig. Dit kan 'op de gebruikelijke wijze worden afgewikkeld', aldus de minister.3
De vaste commissie van Justitie van de Eerste Kamer had twee vragen in verband met de aandelenwaardering. Zij sloot zich aan bij de kritiek die Slagter en Emmerig bij de bespreking van het wetsvoorstel hadden geuit.4 De eerste vraag luidde of het noodzakelijk is de aandelenwaardering uit de blokkeringsregeling te hanteren. Kan het niet tot 'onbillijkheden' leiden indien de regels bij een vrijwillige verkoop gevolgd moesten worden?
De vaste commissie wees hierbij op het door Slagter gehanteerde voorbeeld van de `uitgemolken minderheidsaandeelhouder'. Bij vrijwillige vervreemding mag de aandeelhouder zelf beslissen of hij zijn aandelen van de hand wil doen. Indien de aandeelhouder meent dat de prijs die volgt uit de statutaire aandelenwaardering te laag is, kan hij van overdracht afzien. Dit is bij een overdracht ingevolge de geschillenregeling niet het geval. 'Hoe meer de grootaandeelhouders de outsideaandeelhouders hebben uitgemolken, des te minder behoeven zij voor de overgenomen aandelen te betalen', aldus Slagters citaat in de wetsgeschiedenis.5
De door Slagter en de vaste commissie geschetste situatie van onbillijke waardering deed zich in de ogen van de minister niet voor. Hij antwoordde dat de statuten niet een wijze van waarderen mogen bevatten, die leidt tot een lagere waarde dan de werkelijke waarde. Zulks komt in strijd met art. 2:195 lid 5 (oud; thans lid 6) BW. Hierin stond dat de aandeelhouder 'een prijs ontvangt, gelijk aan de waarde van zijn aandeel of aandelen, vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen.' Ook de destijds nog geldende Departementale Richtlijnen, door de minister eveneens aangehaald, gingen uit van de werkelijke waarde. In § 26 (voor de BV) en § 36 (voor de NV) omtrent de prijs van de aandelen in de blokkeringsregeling was onder meer het volgende opgenomen: 'De statuten mogen normen bevatten voor het bepalen van de werkelijke waarde van de aandelen. De prijs die een derde heeft geboden, mag niet als maatstaf worden aangewezen. Maatstaven die leiden tot een kennelijk onredelijke waardering worden niet toegestaan.'6 Andersluidende statutaire waarderingsgrondslagen staan aan het verkrijgen van een ministeriële verklaring van geen bezwaar in de weg.
De conclusie luidde dat als uitgangspunt voor de overdracht op grond van de geschillenregeling de werkelijke waarde van de aandelen heeft te gelden. Voor de uittreding van de 'uitgemolken minderheidsaandeelhouder' en de depreciërende werking van het conflict op de prijs verwees de minister naar hetgeen hierover in de toelichting was opgemerkt. De aandeelhouder kan naast de uittreding ook een vordering tot schadevergoeding instellen, omdat jegens hem onrechtmatig is gehandeld, zo blijkt uit de toelichting en nu dus ook de nadere memorie van antwoord.7
De tweede vraag van de vaste commissie zag op de winst uit aanmerkelijk belang.
Emmerig had aangegeven dat een uittredende aandeelhouder, indien zijn aandelenbezit als aanmerkelijk belang kwalificeerde, belasting dient te betalen over de prijs die hij ontving na toewijzing van zijn uittredingsvordering. Met Emmerig vroeg de vaste commissie zich af of zulks wel rechtvaardig is. De vervolgvraag luidde of de uittredende aandeelhouder de overige aandeelhouders aan kan spreken tot betaling van de ontstane belastingschade. Emmerig vond dat zo'n betaling onder omstandigheden 'niet onrechtvaardig' was.8
De minister kon zich niet vinden in het oordeel dat sprake zou kunnen zijn van onrechtvaardigheid in verband met een belastingnadeel wegens de uitkering in verband met een aanmerkelijk belang. Hij wees op het feit dat ingevolge de statuten ook een verplichte overdracht mogelijk kan zijn, bijvoorbeeld bij het verlies van een kwaliteitseis of indien de aandelen krachtens erfrecht of huwelijksgoederenrecht overgaan. In deze gevallen speelde de belastingheffmg bij aanmerkelijk belang eveneens een rol. De uitstoting of uittreding van de geschillenregeling verschillen hier niet van, aldus de minister. De weg van de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen was voor de uittredende aandeelhouder op dit punt een mogelijk route, maar: 'Of en in hoeverre de eventuele belastingschade over de winst uit aanmerkelijk belang voor vergoeding in aanmerking komt, zal door de rechter moeten worden beslist.'9
De bezwaren die werden geuit in de parlementaire stukken over de waarderingsregels voor de geschillenregeling, werden gepareerd. Het wetsvoorstel kwam op dit punt in ongewijzigde vorm in het Staatsblad. Toch is de waardering van de aandelen lastige materie. Over de prijs van de aandelen is — zelfs voor de geschillenregeling relatief veel geprocedeerd. De waarderingsmethode en de datum waartegen gewaardeerd moet worden, zijn hete hangijzers, zoals uit de volgende paragrafen blijkt.