NJB 2026/419:Levenslange gevangenisstraf en art. 3 EVRM: herhaling en toepassing van HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1114. De oplegging van de levenslange gevangenisstraf kan ook in overeenstemming zijn met de eisen van art. 3 EVRM als een tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelde (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling nodig heeft met het oog op de voorbereiding op een eventuele terugkeer in de samenleving. Dat is niet anders vanwege de enkele omstandigheid dat beslissingen over het aanbieden van passende behandeling en zorg pas in de loop van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf worden genomen en dat het in zoverre bij de oplegging van die straf tot op zekere hoogte onzeker is hoe die behandeling en zorg concreet vorm krijgen. In casu kon het hof oordelen dat het opleggen van de levenslange gevangenisstraf aan de verdachte niet in strijd is met art. 3 EVRM. Vordering benadeelde partij en het niet aanmerken van haar (de grootmoeder van het slachtoffer) als ‘naaste’ in de zin van art. 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW: herhaling en toepassing van HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793. Bij die ‘andere persoon’ gaat het om een naaste, die niet al in die bepalingen onder a tot en met f is genoemd. Om op grond van deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. In casu kon het hof oordelen dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade in verband met het overlijden van het ten tijde van het bewezenverklaarde feit 42-jarige slachtoffer niet-ontvankelijk moet worden verklaard.