Hof Den Haag, 26-06-2025, nr. BK-24/737
ECLI:NL:GHDHA:2025:2145
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
26-06-2025
- Zaaknummer
BK-24/737
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2025:2145, Uitspraak, Hof Den Haag, 26‑06‑2025; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2024:6391, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
Uitspraak 26‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 2 Kostenwet. Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Aanmaningskosten. De naheffingsaanslag is op de juiste wijze via MijnOverheid aan belanghebbende bekendgemaakt. E-mailnotificatie is verzonden.
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/737
Uitspraak van 26 juni 2025
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: N.G.A. Voorbach)
en
de invorderingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Invorderingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 10 juli 2024, nummer ROT 22/5759.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Rotterdam (de gemeente) opgelegd ten bedrage van € 68,30, bestaande uit € 1,80 parkeerbelasting en € 66,50 kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag (de naheffingsaanslag).
1.2.
Omdat belanghebbende de naheffingsaanslag niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, heeft de Invorderingsambtenaar hem schriftelijk aangemaand alsnog op uiterlijk 18 oktober 2022 te betalen. Voor het verzenden van de aanmaning is aan belanghebbende op de voet van artikel 2 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) bij beschikking een bedrag van € 8 aan aanmaningskosten in rekening gebracht (de beschikking aanmaningskosten).
1.3.
De Invorderingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de beschikking aanmaningskosten afgewezen en de in rekening gebrachte aanmaningskosten gehandhaafd.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 50 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 138 geheven. De Invorderingsambtenaar heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 22 mei 2025.
1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 juni 2025. De Invorderingsambtenaar is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich bij brief van 3 juni 2025 afgemeld voor de zitting zonder verzoek om uitstel. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 11 augustus 2022 en vorderingsnummer […] de naheffingsaanslag opgelegd. Het aanslagbiljet vermeldt als uiterste betaaldatum 11 september 2022.
2.2.
Omdat belanghebbende de naheffingsaanslag niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, heeft de Invorderingsambtenaar hem met dagtekening 4 oktober 2022 schriftelijk aangemaand alsnog op uiterlijk 18 oktober 2022 te betalen (de aanmaning) en daarbij de beschikking aanmaningskosten gegeven.
2.3.
Belanghebbende heeft de naheffingsaanslag en de beschikking aanmaningskosten niet betaald.
2.4.
Belanghebbende heeft bij brief van 10 oktober 2022 bezwaar gemaakt tegen de beschikking aanmaningskosten.
2.5.
De Invorderingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 november 2022 het bezwaar tegen de beschikking aanmaningskosten afgewezen en de op grond van de Kostenwet in rekening gebrachte aanmaningskosten gehandhaafd.
2.6.
De Invorderingsambtenaar heeft een schermprint van de verzendadministratie van de naheffingsaanslag uit het digitale systeem overgelegd. In deze schermprint staat het volgende met betrekking tot de naheffingsaanslag vermeld:
“(…)
Datum | Bron | Nota |
17-AUG-2022 02:44:21 | MijnOverheid | Status = VERWERKT, verwerkingscode = Verwerkt, stadium = NA, foutmelding = |
(…)”
2.7.
De Invorderingsambtenaar heeft contact opgenomen met Logius, productbeheerder van MijnOverheid. In een e-mailbericht aan de Invorderingsambtenaar van 19 januari 2024 schrijft [naam] , Ketenbeheerder MijnOverheid, namens Logius onder meer het volgende:
“(…)
Dit betekent dat wij voor burger [belanghebbende] kunnen aangeven dat de volgende berichten zijn ontvangen door de betreffende burger:
Burger [belanghebbende] met het BSN * […] Account geactiveerd op: *24-06-2015 | ||
Datum bericht (gemeente Rotterdam) succesvol geplaatst in de Berichtenbox | E-mailadres ingesteld voor notificaties | Notificaties per e-mail ontvangen |
(…) | (…) | (…) |
17 augustus 2022 02:44 uur | [e-mailadres] | Ja |
(…) | (…) | (…) |
(…)”
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Invorderingsambtenaar als verweerder:
“Heeft de invorderingsambtenaar terecht aanmaningskosten in rekening gebracht?
4. Eiser betoogt dat de invorderingsambtenaar ten onrechte aanmaningskosten in rekening heeft gebracht, omdat de voorafgaande naheffingsaanslag parkeerbelastingen niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. Eiser heeft zich nooit aangemeld voor de Berichtenbox van MijnOverheid. Eiser heeft ook niet kenbaar gemaakt dat de invorderingsambtenaar hem via de Berichtenbox kon bereiken. Eiser heeft verder geen notificatie per e-mail ontvangen. De invorderingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de naheffingsaanslag per post heeft verstuurd.
5. De rechtbank stelt voorop dat de invorderingsambtenaar een aanmaning toestuurt wanneer de schuldenaar in verzuim is. Hij kan daarvoor een vergoeding in rekening brengen. De schuldenaar is in verzuim als hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald. Die termijn is opgenomen in de naheffingsaanslag, die pas in werking treedt nadat de naheffingsaanslag is bekendgemaakt door toezending aan de belanghebbende. Elektronische verzending is mogelijk, voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.[1]
6. Logius, de beheerder van MijnOverheid, heeft op verzoek van de rechtbank inlichtingen gegeven. Daaruit blijkt dat eiser zich op 24 juni 2015 heeft aangemeld om berichten via de Berichtenbox van MijnOverheid te ontvangen. Eiser heeft in ieder geval vanaf 25 juli 2018 aangegeven berichten van de gemeente Rotterdam via de Berichtenbox te willen ontvangen. Uit de schermafbeelding van de elektronische verzendadministratie van de invorderingsambtenaar blijkt dat de naheffingsaanslag op 17 augustus 2022 aan eiser is bekendgemaakt via MijnOverheid.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de invorderingsambtenaar de aanmaningskosten terecht in rekening gebracht. Uit het voorgaande volgt dat de naheffingsaanslag op de juiste wijze bekend is gemaakt. Eiser heeft immers aangegeven voldoende bereikbaar te zijn voor het elektronisch verzenden van berichten door de invorderingsambtenaar. Voor een geldige bekendmaking via MijnOverheid is niet vereist dat eiser ook een notificatie per e-mail heeft ontvangen. Het betoog van eiser over poststukken is niet relevant, omdat sprake is van elektronische verzending. De uiterste betaaltermijn van de naheffingsaanslag was 11 september 2022. Niet is gebleken dat eiser voor die datum heeft betaald. Eiser was dus in verzuim. De invorderingsambtenaar heeft daarom terecht een aanmaning toegestuurd. Op grond van artikel 4:113, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, mocht de invorderingsambtenaar een vergoeding van € 8,- in rekening brengen voor het versturen van de aanmaning. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser de aanmaningskosten moet betalen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
(…)
[1] Dit volgt uit de artikelen 2:14, eerste lid, 3:40, 3:41, eerste lid, 4:97, 4:112, eerste lid en 4:113, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Invorderingsambtenaar bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de beschikking aanmaningskosten. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht, beide vermeerderd met de wettelijke rente nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van het Hof, tot aan de dag van algehele voldoening.
4.3.
De Invorderingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
Belanghebbende betwist dat de Invorderingsambtenaar de naheffingsaanslag via digitale weg aan hem kenbaar heeft gemaakt. Belanghebbende stelt voorts dat hij niet op de hoogte was van de naheffingsaanslag omdat hij hiervan geen e-mailnotificatie of vergelijkbare melding heeft ontvangen, en dat van een burger niet mag worden verwacht dat hij regelmatig inlogt op MijnOverheid. Nu de Invorderingsambtenaar de naheffingsaanslag niet op juiste wijze heeft bekendgemaakt, zijn de aanmaningskosten ten onrechte in rekening gebracht en heeft belanghebbende, zo begrijpt het Hof, de aanmaningskosten daarom niet betaald.
5.2.
De Invorderingsambtenaar stelt daartegenover dat aan belanghebbende terecht een aanmaning is verstuurd, omdat de naheffingsaanslag op 17 augustus 2022 op de juiste wijze via MijnOverheid is bekendgemaakt en niet door belanghebbende op de uiterste betaaldatum is betaald. Daarbij verwijst de Invorderingsambtenaar naar de verzendadministratie (r.o. 2.6) en het bericht van Logius (r.o. 2.7). Volgens de Invorderingsambtenaar zijn derhalve terecht aanmaningskosten in rekening gebracht.
5.3.1.
Uit de door de Invorderingsambtenaar overgelegde schermprint van de verzendadministratie blijkt dat de naheffingsaanslag op 17 augustus 2022 om 02.44 uur in de Berichtenbox van belanghebbende op MijnOverheid is geplaatst. Daarbij heeft de Invorderingsambtenaar ter zitting verklaard dat de statuscode “verwerkt” die op de door hem overgelegde schermprint is te zien, betekent dat de naheffingsaanslag via MijnOverheid digitaal is aangeleverd aan belanghebbende. De Invorderingsambtenaar stelt dat dit alleen mogelijk is als belanghebbende zich voor digitale verzending van berichten van de (invorderingsambtenaar van de) gemeente Rotterdam heeft aangemeld. De enkele ongemotiveerde betwisting van de bekendmaking van de naheffingsaanslag door belanghebbende kan hieraan niet afdoen.
5.3.2.
Daar komt bij dat uit het bericht van Logius volgt dat belanghebbende op 24 juni 2015 zijn account voor de Berichtenbox via MijnOverheid heeft geactiveerd en dat de Invorderingsambtenaar op 17 augustus 2022 om 02.44 uur succesvol een bericht in de Berichtenbox van belanghebbende heeft geplaatst en dat een e-mailnotificatie is verstuurd naar het door belanghebbende ingestelde e-mailadres. Ter zitting heeft de Invorderingsambtenaar toegelicht dat deze e-mailnotificatie betrekking heeft op de navorderingsaanslag. Belanghebbendes klacht dat hij geen e-mailnotificatie heeft ontvangen van de naheffingsaanslag, faalt derhalve.
5.4.
Het voorgaande brengt met zich dat de naheffingsaanslag terecht digitaal via de Berichtenbox van MijnOverheid aan belanghebbende is bekendgemaakt. Nu belanghebbende de naheffingsaanslag niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, heeft de Invorderingsambtenaar belanghebbende terecht op grond van artikel 11 van de Invorderingswet 1990 aangemaand en daarbij op grond van artikel 2 van de Kostenwet eveneens terecht een bedrag van € 8 aan aanmaningskosten in rekening gebracht.
Slotsom
5.5.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon R.A. Bosman
De beslissing is op 26 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.